Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5944

2026-06-02 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/444937 / FA RK 26/730
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-02
Publicatiedatum
2026-07-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/444937 / FA RK 26/730
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing aan de moeder die met de minderjarigen wil gaan wonen in de stad waar de vader al woont. Afwijzing verzoeken van de vader tot wijziging van de beperkende voorwaarde aan de zorgregeling.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.944 tekens)
beschikking




RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Breda



Zaaknummer: C/02/444937 / FA RK 26/730



datum uitspraak: 2 juni 2026




beschikking van de meervoudige kamer over vervangende toestemming voor verhuizing


in de zaak van





[de vrouw]
,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. L.J.H.M. Achten te Zwolle,



tegen





[de man] ,

hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. C.J.M. van Gent te Zaltbommel.



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.





1Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 5 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de brief met bijlagen van 12 februari 2026 van mr. Achten;
- de brief van 16 maart 2026 van mr. Achten;
- het op 18 mei 2025 ontvangen verweerschrift;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Van Gent van 19 mei 2026.



1.2
Het verzoek is mondeling behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank op 21 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad.



1.3
De hierna te noemen [minderjarige 1] is in de gelegenheid haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.







2De feiten


2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie de navolgende nu nog minderjarige kinderen zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019, hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
tezamen te noemen: de minderjarigen.



2.2
De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. [minderjarige 2] staat ingeschreven op het adres van de vrouw en [minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de man.



2.3
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2021 is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bepaald bij de man en is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bepaald bij de vrouw en is er een zorgregeling vastgesteld. Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 23 februari 2022 is deze beschikking bekrachtigd. Voor zover van belang is hierbij vastgesteld dat:
- de minderjarigen in de herfstvakantie in de even jaren de eerste helft bij de man doorbrengen en de tweede helft bij de vrouw, en in de oneven jaren andersom;
- de minderjarigen in de kerstvakantie in de even jaren de eerste week bij de man zijn en de
tweede week bij de vrouw, en in de oneven jaren andersom;
- de minderjarigen de krokusvakantie in de even jaren de eerste helft bij de vrouw
doorbrengen en de tweede helft bij de man, en in de oneven jaren andersom;
- de minderjarigen de meivakantie in de even jaren de eerste helft bij de man doorbrengen
en de tweede helft bij de vrouw, en in de oneven jaren andersom;
- de minderjarigen in de zomervakantie in de even jaren in week 1 en 2 bij de man zijn, in

week 3 en 4 bij de vrouw, in week 5 bij de man en in week 6 bij de vrouw, en in de oneven
jaren omgekeerd;

- de minderjarigen op de verjaardag van de vrouw en op Moederdag bij de vrouw zijn en op
de verjaardag van de man en op Vaderdag bij de man;
- de minderjarigen op hun eigen verjaardag bij de ouder zijn bij wie zij op dat
moment volgens de reguliere zorgregeling verblijven.



2.4
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2024 is de zorgregeling gewijzigd en als volgt vastgesteld:
- de minderjarigen zullen steeds in de ene (even) week bij de vader verblijven en in de andere (oneven) week bij de moeder, waarbij de ene ouder zich niet zal bemoeien met de opvoeding en verzorging van de kinderen in de week van de andere ouder en deze gedurende die week niet fysiek aanwezig zal zijn bij activiteiten van de kinderen, tenzij daartoe uitgenodigd door de andere ouder;
- de overdracht vindt plaats op de maandagochtend voor school. Indien er geen school is, zal de overdracht plaatsvinden op neutraal terrein, zoals bij de [supermarkt] in [woonplaats 1] of na de verhuizing van de moeder op een locatie in [woonplaats 2] ;
- één keer per week op de woensdag tussen 17.00 en 19.00 uur zal er een belmoment plaatsvinden tussen de kinderen en de ouder bij wie zij niet verblijven;
- de vakanties verlopen zoals eerst vastgesteld in de beschikking van de rechtbank van 12 februari 2021 en bekrachtigd door het gerechtshof op 23 februari 2022.



2.5
Bij vonnis in kort geding van 23 augustus 2024 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam is onder meer het volgende beslist:
- de man is veroordeeld tot de nakoming van de zomervakantieregeling zoals neergelegd in de beschikking van de rechtbank van 23 juli 2024;
- de man is bevolen de minderjarigen om 18:00 uur over te dragen aan de vrouw;
- de beschikking van 23 juli 2024 is in die zin gewijzigd dat
- de ouder, bij wie de minderjarigen zijn, hen op maandagochtend naar school brengt;
- de overdracht van de minderjarigen, als er in de reguliere weken op maandag geen school is én ook in de meerweekse vakantieweken, plaatsvindt op de maandagochtend om 9:00 uur op neutraal terrein, zoals bij de [supermarkt] in [woonplaats 1] of, na de verhuizing van de vrouw, op een locatie in [woonplaats 2] of bij de man thuis.



2.6
Bij vonnis in kort geding van 17 oktober 2024 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam is onder meer de vordering van de man ten aanzien van het afzwemmen van [minderjarige 2] , de ouderavond en de belafspraak afgewezen en de in de beschikking van 23 juli 2024 vastgestelde zorgverdeling gewijzigd in die zin dat de minderjarigen:
- de eerste week van de kerstvakantie tot en met 26 december 2024 bij de vrouw verblijven en op die datum vóór het ontbijt naar de man worden gebracht;
- op de verjaardag van de vrouw en op Moederdag bij de vrouw en op de verjaardag
van de man en op Vaderdag bij de man zijn;
- op hun eigen verjaardag bij de ouder zijn bij wie zij op dat moment volgens de
reguliere zorgregeling verblijven.



2.7
Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2025 is de man, voor zover thans van belang, veroordeeld om de vrouw per e-mail te informeren over zijn oudergesprekken op de school van de kinderen vanaf 17 oktober 2024 en zijn de overige vorderingen van de vrouw afgewezen.





3Het verzoek


3.1
De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om aan haar, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, toestemming tot verhuizing te verlenen, inhoudende dat zij vanaf de datum van de te wijzen beschikking, gerechtigd zal zijn om samen met de minderjarige kinderen van partijen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , te verhuizen naar de woning op het [adres] te [woonplaats 2] en om [minderjarige 2] op dat adres te registreren in de gemeentelijke basisadministratie.



3.2

De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen. Bij zelfstandig verzoek verzoekt de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. Om de zorgregeling gedurende de meivakantie te wijzigen in die zin dat, mocht de verjaardag van de vrouw vallen in een week van de meivakantie, de kinderen altijd in die week bij de vrouw zullen verblijven en in de andere week van de meivakantie bij de man zullen verblijven;
II. Om een extra belmoment per week te bepalen tussen de ouders en de kinderen, zodat de kinderen gedurende tweemaal per week telefonisch contact kunnen hebben met de ouder bij wie zij op dat moment niet verblijven, moment in overleg te bepalen;
III. Om een extra belmoment te bepalen tussen de ouders en de kinderen op de verjaardagen van de kinderen.
Subsidiair: om het verzoek van de vrouw toe te wijzen onder de voorwaarde dat de zorgregeling, zoals is opgenomen in de beschikking van 23 juli 2024, wordt gewijzigd in die zin dat de bepaling “waarbij de ene ouder zich niet zal bemoeien met de opvoeding en verzorging van de kinderen in de week van de andere ouder en gedurende die week niet fysiek aanwezig zal zijn bij de activiteiten van de kinderen, tenzij daartoe uitgenodigd door de andere ouder” zal worden beëindigd dan wel zal komen te vervallen.





4De beoordeling


4.1
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.



4.2

De rechtbank stelt voorop dat de vrouw het recht heeft om haar verblijfplaats te kiezen en om (elders) een nieuw leven op te bouwen. De vrijheid van de vrouw om met de minderjarigen te verhuizen, kan echter worden beperkt op een wijze die in de wet is voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Nu de vrouw en de man gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uitoefenen en er sprake is van een co-ouderschapsregeling, zou een verhuizing van de minderjarigen van invloed kunnen zijn op de uitoefening van het gezag door de man en op de uitvoering van deze zorgregeling. Om die reden zou de bescherming van de rechten en vrijheden van de man of van de minderjarigen (indirect) een inbreuk op de vrijheid van verplaatsing van de vrouw kunnen rechtvaardigen. Overeenkomstig vaste rechtspraak (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901 en HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0293) dient de rechter bij zijn beslissing over een kwestie zoals de onderhavige, alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen. In de rechtspraak zijn er vervolgens criteria ontwikkeld aan de hand waarvan een verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing kan worden beoordeeld. Deze criteria zijn:

- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing van de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder vóór en na de verhuizing;
- de leeftijd van de minderjarige, zijn omgeving en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Het belang van het kind dient daarbij een eerste overweging te zijn. Hieruit mag niet worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over de gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere belangen zwaarder wegen.



4.3

Uit de overgelegde stukken en uit dat wat tijdens de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank het volgende gebleken.
De vrouw is voornemens om naar [woonplaats 2] te verhuizen, waar de man al woont. De co-ouderschapsregeling zal niet wijzigen door de verhuizing. De (reis)afstand tussen de woning van de man en de (nieuwe) woning van de vrouw zal juist worden verkleind. De vrouw heeft voor de minderjarigen een bewuste afweging gemaakt om naar [woonplaats 2] te verhuizen. De minderjarigen gaan naar school in [woonplaats 2] en zij hebben, als de vrouw in [woonplaats 2] gaat wonen, een kortere reistijd van en naar hun school. Het sociale leven van de minderjarigen is ook in [woonplaats 2] en op dat vlak zal het dus voor de vrouw en de minderjarigen gemakkelijker zijn om met leeftijdsgenoten af te spreken en om naar hun sport c.q. hobby’s te gaan.




4.4
De man heeft aangegeven niet negatief te staan tegenover deze verhuizing van de vrouw. Hij heeft echter wel moeite met de gang van zaken rondom het vragen van de toestemming tot verhuizing en met de invloed van de beperkende voorwaarde in de zorgregeling dat de ene ouder gedurende de week dat de minderjarigen bij de andere ouder zijn, niet fysiek aanwezig mag zijn bij hun activiteiten, tenzij daartoe uitgenodigd door de andere ouder.



4.5
Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de vrouw en haar partner het perceel (waarop later de woning is gebouwd) hebben aangekocht in maart 2025. De man maakt er bezwaar tegen dat de vrouw vervolgens pas begin november 2025 formeel om zijn toestemming heeft gevraagd voor de verhuizing. Er rustte echter geen plicht op de vrouw om de man op de hoogte te stellen van de aankoop van de bouwgrond. Het was voor haar eigen rekening en risico als zij, na de bouw van de woning, geen toestemming zou krijgen om met de minderjarigen naar deze woning te verhuizen. De vrouw behoeft enkel de toestemming van de man om met de minderjarigen te verhuizen naar de nieuwe woning. In dat kader heeft zij de toestemming van de man tijdig verzocht.


Tijdens de zitting is gebleken dat zij nog niet is verhuisd, ondanks dat de woning inmiddels al wel gereed is om te worden bewoond. De man wist al lang daarvoor dat de vrouw voornemens was om naar [woonplaats 2] te verhuizen. Uit de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2024 blijkt dat de verhuizing toen al ter sprake is gekomen, aangezien in de uitspraak ten aanzien van de overdracht staat vermeld ‘of na de verhuizing van de moeder op een locatie in [woonplaats 2] ’. Ook in het vonnis van het kort geding van 23 augustus 2024 van de rechtbank Rotterdam staat deze toevoeging vermeld. Het feit dat de vrouw pas na de aankoop van het perceel de toestemming van de man voor de verhuizing heeft gevraagd, had voor de man geen reden mogen zijn om zijn toestemming te weigeren.




4.6
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 23 juli 2024 bij de co-ouderschapsregeling bepaald dat de ene ouder zich niet zal bemoeien met de opvoeding en de verzorging van de minderjarigen in de week van de andere ouder en dat deze gedurende die week niet fysiek aanwezig zal zijn bij hun activiteiten, tenzij daartoe uitgenodigd door de andere ouder. De man stelt dat hij door deze beperking in de zorgregeling zal worden beperkt in zijn bewegingsvrijheid in zijn eigen stad als de vrouw naar [woonplaats 2] verhuist. De man stelt dat zij elkaar dan wellicht tegenkomen in de supermarkt, al wonen zij dan ieder in een andere wijk waar er verschillende supermarkten zitten. De vrouw heeft aangegeven dat zij nu ook al wel eens in de supermarkt in de wijk bij de man komt en dat zij hem nooit tegenkomt. De man stelt dat het kindje van de vrouw en haar partner naar het kinderdagverblijf op de school van de minderjarigen zal gaan, maar de vrouw heeft dit betwist. De man stelt verder dat de vrouw zich in heeft geschreven bij zijn huisarts, maar de vrouw heeft ook dit betwist. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat haar nieuwe woning ruim 7,5 km gelegen is van de woning van de man. De man en de vrouw wonen nog ver genoeg van elkaar om niet dagelijks met elkaar te worden te worden geconfronteerd. Dat de man en de vrouw in het bijzijn van de minderjarigen elkaar wel eens zullen tegenkomen in een supermarkt of bij een evenement in de stad levert geen beperking van de bewegingsvrijheid van de man op. De door de rechtbank Rotterdam bepaalde beperking in de zorgregeling is ook niet op dat soort situaties gericht. Door de man is onvoldoende onderbouwd hoe hij in zijn bewegingsvrijheid zal worden beperkt met een verhuizing van de vrouw naar [woonplaats 2] .



4.7
De man heeft naar voren gebracht dat er nog een strafzaak tegen hem loopt vanwege aangiftes van de vrouw van enkele jaren geleden. De man heeft gedurende enkele jaren contact- en locatieverboden gehad jegens de vrouw en haar partner. Deze bijzondere voorwaarden zijn inmiddels opgeheven. De zitting zal volgens de man waarschijnlijk aan het einde van dit jaar plaatsvinden. De man vreest dat er mogelijk weer een contact- en locatieverbod zal worden opgelegd en dat dit dan zijn bewegingsvrijheid in [woonplaats 2] belemmert als de vrouw dan inmiddels in [woonplaats 2] woont. De rechtbank kan niet anticiperen op een mogelijke afloop van deze strafzaak. De rechtbank neemt aan dat er op dit moment geen contact- en locatieverbod geldt. Het is aan de strafrechter om te zijner tijd een afweging hierover te maken. Bovendien, áls de man wordt veroordeeld en áls er aan hem een dergelijke maatregel wordt opgelegd dan heeft hij dat te wijten aan zichzelf. Dit vormt geen reden om de toestemming aan de vrouw voor de verhuizing te weigeren.



4.8
De rechtbank zal dan ook, in lijn met het advies van de Raad, het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor de verhuizing met de minderjarigen naar [woonplaats 2] en de inschrijving van [minderjarige 2] op dit adres toewijzen. De rechtbank ziet geen enkele reden om dit verzoek af te wijzen. Er is niet gebleken van een zwaarwegend belang van de man dat aan de verhuizing in de weg zou kunnen staan. De man wordt niet geschaad door deze verhuizing in zijn zorgregeling met de minderjarigen noch in diens bewegingsvrijheid. De vrouw heeft de verhuizing goed doordracht en voorbereid. Het belang van de minderjarigen om ook met de vrouw dichterbij school en de sociale activiteiten te wonen, weegt voor de rechtbank zwaar. De rechtbank zal deze beslissing tot slot uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van de minderjarigen wordt geacht dat deze beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen kan worden uitgevoerd.



4.9
De man heeft meerdere verzoeken gedaan om de zorgregeling te wijzigen, gericht op de beperking in de zorgregeling, de meivakantie en op de belcontacten met de minderjarigen. De man heeft daartoe gesteld dat de verhuizing van de vrouw naar [woonplaats 2] , de praktische uitvoering van de meivakantie en dat met name [minderjarige 1] moeite heeft met de opgelegde beperkingen in het contact met de ouders, relevante wijzigingen van omstandigheden zijn tot de verzochte wijzigingen in de zorgregeling. De rechtbank overweegt daarover als volgt.



4.10

De rechtbank vindt niet dat er een relevante wijziging van omstandigheden is om de verzoeken van de man te beoordelen. De rechtbank Rotterdam heeft zwaarwegende redenen gehad om de beperking in de zorgregeling in de beschikking van 23 juli 2024 op te leggen. Dit is niet zomaar gedaan. Dit was hoogstnoodzakelijk voor de rust en stabiliteit van de minderjarigen. Bij de oplegging van die beperking in de zorgregeling is door de rechtbank Rotterdam al mee overwogen dat de vrouw mogelijk in de toekomst zou verhuizen naar [woonplaats 2] . Dat de vrouw op korte termijn daadwerkelijk met de minderjarigen verhuist naar [woonplaats 2] heeft geen rechtstreekse invloed op de uitvoering van de zorgregeling noch op de beperking die daarvoor geldt. Het is nog steeds uitvoerbaar dat partijen zich niet bemoeien met elkaars verzorging en opvoeding van de minderjarigen en dat zij niet aanwezig zijn bij hun activiteiten, zonder de instemming van de ouder bij wie de minderjarigen op dat moment verblijven. De activiteiten van de minderjarigen veranderen ook niet, aangezien zij al jaren in [woonplaats 2] naar school gaan en zij daar hun sociale activiteiten hebben. Het is voor de rechtbank onvoldoende om vast te stellen óf en in welke mate de minderjarigen last hebben van deze beperking, maar de rechtbank kan zich voorstellen dat het leven in twee werelden voor hen af en toe ingewikkeld voelt.
De verhouding tussen de ouders is evenmin veranderd, hetgeen ook is gebleken tijdens de zitting. De rechtbank ziet daarin ook geen wijziging van omstandigheden sinds voormelde beschikking van de rechtbank Rotterdam en sinds de kort-gedingvonnissen die sindsdien zijn gewezen. Ten slotte heeft de man geen (relevante) gewijzigde feiten en omstandigheden aangevoerd voor de wijziging van de meivakantie noch voor de belcontacten met de minderjarigen. Dat de vrouw weleens jarig is tijdens de meivakantie en dat dit van invloed kan zijn op de weekvakantie bij de man was feitelijk ook al de situatie in alle eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam. De vrouw heeft tijdens de zitting ingestemd met het verzoek van de man onder III primair over een extra belmoment tussen de ouders en de minderjarigen op de verjaardagen. Aangezien de rechtbank geen relevante wijziging van omstandigheden aanneemt, zal deze overeenstemming niet door de rechtbank worden vastgelegd. De rechtbank vindt dat het aan partijen is, al dan niet met behulp van de advocaten, om daar samen een nadere afspraak over te maken.




4.11
De rechtbank zal de man niet ontvankelijk verklaren in zijn verzoeken, gezien het gebrek aan een relevante wijziging van omstandigheden.





5De beslissing


De rechtbank:



5.1
verleent aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, vervangende toestemming om met de minderjarigen te verhuizen naar het [adres] te [woonplaats 2] en om [minderjarige 2] in te schrijven op dat adres in het BRP;



5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.3
verklaart de man niet ontvankelijk in zijn verzoeken.


Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Bogaert, mr. Toekoen en mr. Van den Heuvel-Beerens, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, griffier.





Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.