Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7156
2026-09-15
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/05/467019
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet basisregistratie personen en artikel 1:253a BW (inschrijving brp, vervangende toestemming verhuizing/school, hoofdverblijfplaats en zorgregeling). Verzoek van de moeder om de minderjarige in te schrijven in het brp valt niet onder de reikwijdte van artikel 1:253a BW omdat dit geen geschil is over de uitvoering van het gezag. De rechtbank verklaart de moeder daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek. De rechtbank verleent vervangende toestemming voor het inschrijven van de minderjarige op een basisschool en wijst de overige verzoeken af.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2008:BC5901 Hoge Raad 25-04-2008
- ECLI:NL:RBMNE:2024:4301 Rechtbank Midden-Nederland 01-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.255 tekens)
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/467019 / FZ RK 26-1240
Datum uitspraak: 15 september 2026
beschikking zorgregeling en vervangende toestemming verhuizing en school
in de zaak van
[de moeder] (hierna: de moeder)
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. B. Eijgelsheim uit Apeldoorn ,
tegen
[de vader] (hierna: de vader)
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.E.W. van Schaijk uit Elst.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 11 mei 2026;
- het verweerschrift met zelfstandige verzoeken en bijlagen van de vader, ontvangen op 11 augustus 2026;
- het F9-formulier met bijlagen van de moeder, ontvangen op 13 augustus 2026.
1.2.
Tijdens de zitting van 18 augustus 2026 zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2De feiten
2.1.
Uit de relatie tussen de ouders is geboren het minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 te [plaats] , hierna: [minderjarige] .
2.2.
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over hem. [minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De ouders hebben met elkaar afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Deze afspraken zijn neergelegd in een ouderschapsplan dat door de ouders is ondertekend op [datum] 2024.
De ouders zijn in het ouderschapsplan - onder meer - overeengekomen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben. Over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) hebben zij de volgende afspraken gemaakt:
[Afbeelding geanonimiseerd]
[Afbeelding geanonimiseerd]
De ouders zijn verder overeengekomen dat, hoewel het uitgangspunt is dat de vakanties een feestdagen bij helfte worden gedeeld, de reguliere zorgregeling op die momenten zoveel mogelijk doorloopt. De kerstdagen zijn hierop uitgezonderd. Daarover is afgesproken dat [minderjarige] bij iedere ouder één van de kerstdagen zal doorbrengen.
3Het verzoek
3.1.
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. het ouderschapsplan te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] een keer per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] haalt en brengt indien de vervangende toestemming voor de verhuizing naar [plaats] wordt verleend;
II. aan de moeder toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar [plaats] te verhuizen, welke toestemming in de plaats komt van de noodzakelijke handtekening van de vader;
III. aan de moeder toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op het adres in [plaats] , welke toestemming in de plaats komt van de noodzakelijke handtekening van de vader;
IV. aan de moeder toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op [instelling] in [plaats] , welke toestemming in de plaats komt van de noodzakelijke handtekening van de vader;
subsidiair:
V. aan de moeder toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool [school]
in [plaats] welke toestemming in de plaats komt van de noodzakelijke handtekening van de vader.
4Het verweer en de zelfstandige verzoeken
4.1.
De vader voert verweer, hij verzoekt de rechtbank de verzoeken van de moeder af te wijzen en bij wijze van zelfstandige verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het ouderschapsplan te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben;
II. aan de vader vervangende toestemming te verlenen - die de toestemming van de
moeder vervangt - om [minderjarige] , in te schrijven in de Basisregistratie Personen (hierna: brp) van de gemeente [gemeente] op het adres [adres] te [plaats] ;
III. aan de vader vervangende toestemming te verlenen - die de toestemming van de
moeder vervangt - om [minderjarige] , in te schrijven op basisschool [school] te [plaats] .
IV. het ouderschapsplan te wijzigen en ten aanzien van [minderjarige] een nieuwe zorgregeling vast te stellen:
a. Primair, indien de rechtbank met de vader van mening is dat [minderjarige] in [plaats] zal
gaan opgroeien en de moeder niet in de directe omgeving van [plaats] woont: [minderjarige] verblijft in een cyclus van vijf weekenden steeds vier weekenden bij de moeder en een weekend bij de vader, in het weekend van de moeder haalt de moeder [minderjarige] op vrijdagmiddag uit school en haalt de vader [minderjarige] op zondagavond om 18:00 uur bij de moeder op, in de weken dat [minderjarige] bij de vader verblijft is er op maandag en woensdag contact tussen de moeder en [minderjarige] gedurende minimaal vijf minuten per keer waarbij de vader de moeder belt via een beeldbelverbinding op een vooraf aangekondigd tijdstip tussen 17:00 en 19:00 uur, de vakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte gedeeld met uitzondering van de zomervakantie; dan verblijft [minderjarige] in week 1, 2, 5 en 6 bij de moeder en in week 3 en 4 bij de vader;
b. Subsidiair, indien de rechtbank met de vader van mening is dat [minderjarige] in [plaats] zal gaan opgroeien en de moeder wel in de directe omgeving van [plaats] woont: conform onderstaand schema, met een wekelijks beeldbelmoment op zondag gedurende minimaal vijf minuten waarbij de ouder waar [minderjarige] verblijft de andere ouder belt via een beeldbelverbinding op een vooraf aangekondigd tijdstip tussen 17:00 en 19:00 uur en waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte verdeeld zullen worden;
Oneven weken
Even weken
Maandag
Moeder
Maandag
vader
Dinsdag
Moeder
Dinsdag
Moeder vanaf 8 uur
Woensdag
Moeder
Woensdag
Moeder
Donderdag
Vader vanaf 8 uur
Donderdag
Vader vanaf 8 uur
Vrijdag
Vader
Vrijdag
Vader tot 18 uur
Zaterdag
Vader
Zaterdag
Moeder
Zondag
vader
Zondag
Moeder
c. meer subsidiair, indien de rechtbank de verzoeken van de moeder toewijst en van oordeel is dat [minderjarige] in [plaats] zal gaan opgroeien: [minderjarige] verblijft in een cyclus van vijf weekenden steeds vier weekenden bij de vader en één weekend bij de moeder, in het weekend van de vader haalt de vader [minderjarige] op vrijdagmiddag uit school en haalt de moeder [minderjarige] op zondagavond om 18:00 uur bij de vader op, in de weken dat [minderjarige] bij de moeder verblijft is er op maandag en woensdag contact tussen de vader en [minderjarige] gedurende minimaal vijf minuten per keer waarbij de moeder de vader belt via een beeldbelverbinding op een vooraf aangekondigd tijdstip tussen 17:00 en 19:00 uur, de vakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte gedeeld met uitzondering van de zomervakantie; dan verblijft [minderjarige] in week 1, 2, 5 en 6 bij de vader en in week 3 en 4 bij de moeder;
d. dan wel een regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht.
Kosten rechtens.
4.2.
Op de stellingen van de ouders wordt hierna nader ingegaan, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling.
5Het standpunt van de Raad
5.1.
De vertegenwoordigster van de Raad benoemt dat zij tijdens de zitting vooral van de ouders heeft gehoord welke wensen en belangen zij hebben bij hun verzoeken. Zij mist echter de wensen en belangen van [minderjarige] . Het is voor [minderjarige] belangrijk dat hij goed en frequent contact heeft met zijn beide ouders. Dit is in de praktijk lastig te realiseren omdat de ouders ervoor hebben gekozen op afstand van elkaar te wonen. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat de ouders zo dicht mogelijk bij elkaar wonen. Dichterbij dan nu het geval is. De afstand [plaats] – [plaats] is te groot voor een co-ouderschap met een schoolgaand kind. School vraagt veel van jonge kinderen en dat is lastig te combineren met het vele reizen tussen de woonplaatsen van de ouders en vanuit die woonplaatsen van en naar de school. De vertegenwoordigster van de Raad voorziet dat die afstand [minderjarige] ook gaat beperken als hij ouder wordt. Zij vraagt zich af hoe de ouders het gaan organiseren als [minderjarige] na school wil spelen bij vriendjes of als hij straks naar zwemles gaat of gaat voetballen. Dit vraagt veel afstemming tussen de ouders. Al met al vindt zij dat de verhuizing, maar ook de voorgestelde zorgregelingen niet goed zijn doordacht. Zij meent daarom dat er nu qua woonplaats niets moet veranderen voor [minderjarige] . De ouders moeten eerst een oplossing zoeken voor het probleem dat zij hebben gecreëerd en moeten met elkaar in gesprek over wat daarbij in het belang is van [minderjarige] .
5.2.
De vertegenwoordigster van de Raad benadrukt dat het heel belangrijk is dat [minderjarige] zo snel mogelijk naar school gaat. Op die manier kan hij sociale contacten aangaan en zich verder ontwikkelen. Zij adviseert de rechtbank om de moeder vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool in [plaats] , omdat dat de school is waar de ouders het eerder over eens waren.
6De beoordeling
Inschrijving in de brp
6.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vader zijn verzoek tot inschrijving in de brp tijdens de zitting heeft ingetrokken. De rechtbank hoeft daar dan ook geen beslissing over te nemen. De moeder heeft haar verzoek tot inschrijving in de brp gehandhaafd. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek niet valt onder de reikwijdte van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) omdat dit geen geschil is over de uitvoering van het gezag. De rechtbank legt dit hierna uit.
6.2.
De brp bevat onder meer persoonsgegevens van ingezetenen van Nederland. Om ervoor te zorgen dat de brp feitelijk juiste informatie bevat, bepaalt de Wet brp dat ingezetenen verplicht staan ingeschreven in de basisregistratie personen. Als een ingezetene verhuist, moet hij uiterlijk binnen vijf dagen na de verhuizing hiervan aangifte doen bij de gemeente waar hij naartoe verhuist.
6.3.
De Wet brp regelt ook waar de aangifte van verhuizing moet worden gedaan als de betrokkene op meerdere adressen verblijft. Dat is bij de gemeente waar de betrokkene naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten. Het gaat hier dus om een vaststelling van de feitelijke situatie. Anders dan bij het vaststellen van de hoofdverblijfplaats, biedt deze bepaling geen ruimte om rekening te houden met de belangen van het kind. Dit is ook logisch. Een van de voornaamste doelen van het brp is het geven van informatie aan de overheid om haar in staat te stellen haar taken uit te voeren. Die informatie moet dus kloppen met de feiten en niet afhankelijk zijn van enige belangenafweging.
6.4.
Voor de aangifte van de verhuizing van een minderjarige jonger dan 16 jaar rust de verplichting op zijn ouders, voogden of verzorgers. Uit deze formulering blijkt dat de wet geen onderscheid maakt tussen ouders die ouderlijk gezag hebben of niet. De verplichting bestaat gewoon en dat geldt dus ook voor personen die de minderjarige daadwerkelijk verzorgen, ook zonder dat zij gezag hebben. Ook is niet vereist dat de ouders de aangifte samen doen. De verplichting om de minderjarige in te schrijven op het adres waar hij feitelijk (het meest) verblijft rust daarmee dus op een ieder bij wie de minderjarige feitelijk (het meest) verblijft en bij zijn ouders/voogden onafhankelijk van elkaar. Het college heeft vervolgens een zelfstandige bevoegdheid om de aangifte te beoordelen. Hij toetst daarbij aan de feiten en niet aan een wens van de ouders of aan de belangen van de minderjarige. Het college is bij het nemen van haar besluit dan ook niet gebonden aan een afspraak tussen de ouders of een uitspraak van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De rechtbank verklaart de moeder daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Vervangende toestemming verhuizing
6.5.
Een ouder kan een geschil over de uitoefening van het gezamenlijk gezag aan de rechtbank voorleggen.Omdat de ouders het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen heeft de moeder voor het veranderen van de woonplaats van [minderjarige] toestemming van de vader nodig of vervangende toestemming van de rechtbank. De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt.
6.6.
Bij de beantwoording van de vraag of de moeder toestemming dient te krijgen om met [minderjarige] naar [plaats] te verhuizen, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat iedere ouder het recht heeft om zijn of haar leven met een kind in te richten op de manier die hem of haar goed lijkt. Daaronder valt ook de vrijheid om op een andere plek te gaan wonen. De rechtbank brengt alle omstandigheden in kaart en maakt dan een belangenafweging. De belangen van [minderjarige] zijn daarbij een eerste overweging. Dit neemt niet weg dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.
6.7.
Volgens vaste rechtspraak weegt de rechtbank - onder meer - de volgende omstandigheden en belangen af:
de noodzaak om te verhuizen;
de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;
de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin het kind geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
Conclusie
6.8.
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor de verhuizing af. De moeder heeft de noodzaak om te verhuizen naar [plaats] niet onderbouwd en de gevolgen voor [minderjarige] zijn groot. De afstand tussen [plaats] en [plaats] maakt het onmogelijk voor [minderjarige] om zijn beide ouders frequent te kunnen blijven zien. De rechtbank oordeelt dan ook dat het belang van [minderjarige] om frequent contact te hebben met zijn beide ouders zwaarder weegt dan de wens van de moeder om met [minderjarige] en haar partner een nieuwe toekomst op te bouwen in [plaats] . De rechtbank legt hierna verder uit waarom zij tot deze conclusie komt en gaat daarbij in op de voor haar beslissing relevante omstandigheden en belangen.
Inhoudelijke beoordeling
6.9.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat de moeder al een aantal jaar met [minderjarige] in [plaats] woont. De vader woont in [plaats] . [minderjarige] verblijft een deel van de tijd bij de moeder en een deel van de tijd bij de vader. Tussen de ouders is in geschil vanaf wanneer er sprake is van een co-ouderschapsregeling en de redenen die daaraan ten grondslag liggen. Vaststaat dat de co-ouderschapsregeling uit het ouderschapsplan in ieder geval vanaf juli 2025 wordt uitgevoerd. De moeder wil nu met [minderjarige] verhuizen naar [plaats] . De reden hiervoor is dat zij stelt dat zij haar huurwoning in [plaats] niet langer kon betalen en daardoor nu met [minderjarige] moet inwonen bij haar moeder. Dit terwijl haar partner in [plaats] een grote woning heeft waar zij met [minderjarige] kan wonen. Zij heeft sinds 2024 een relatie met haar partner. Volgens de moeder voert de vader feitelijk de co-ouderschapsregeling niet uit en brengt hij [minderjarige] een groot deel van de tijd naar zijn moeder. De vader is volgens de moeder niet in staat de co-ouderschapsregeling zelf uit te voeren. Ook wil de moeder dat [minderjarige] in [plaats] naar school gaat. [minderjarige] is inmiddels vier jaar oud maar gaat op dit moment niet naar school omdat de ouders geen overeenstemming hebben over waar hij naar school moet gaan. De vader is het niet eens met de voorgenomen verhuizing van de moeder. [minderjarige] heeft in [plaats] zijn bestaande en vertrouwde netwerk. Met een eventuele verhuizing zal [minderjarige] zijn vertrouwde omgeving verliezen en kan de zorgregeling gelet op de reistijd niet meer worden uitgevoerd. De vader wil dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij hem heeft en dat hij in [plaats] naar school gaat.
- Noodzaak om te verhuizen
6.10.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor [minderjarige] en de moeder niet ideaal is dat zij nu inwonen bij oma (mz), ziet zij niet de noodzaak om te verhuizen naar [plaats] . De moeder stelt dat zij de huur van haar woning in [plaats] heeft moeten opzeggen omdat zij de kosten daarvan niet langer kon dragen. Die stelling heeft zij echter niet onderbouwd. Ook ontbreekt de onderbouwing van haar stellingen dat zij niet in aanmerking komt voor sociale huur of een urgentieverklaring en dat zij ook niet de financiële middelen heeft om particulier te huren of een woning te kopen. De rechtbank volgt daarom ook niet de conclusie dat er sprake zou zijn van financieel onvermogen om een eigen woning te kunnen huren of kopen in [plaats] . De vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, waar de moeder naar verwijst, gaat daarom evenmin op.
6.11.
Een verhuizing van de moeder en [minderjarige] naar [plaats] zou betekenen dat de reistijd van de woning van de vader naar de woning van de moeder verdubbelt (volgens de routeplanner van minimaal 28 naar minimaal 62 minuten). De rechtbank is van oordeel dat de moeder als gezaghebbende ouder actief had moeten zoeken naar minder ingrijpende alternatieven dan een verhuizing naar een woning op grote afstand van de woning van de vader. Zij heeft niet aangetoond dat zij dit heeft gedaan. Ook uit de tijdlijn blijkt dat zij niet serieus heeft gezocht naar woningen in [plaats] . De moeder heeft op 1 juli 2026 voor het eerst haar plannen om te verhuizen naar [plaats] met de vader besproken. Tijdens de zitting heeft zij aangegeven dat haar vanaf augustus duidelijk werd dat [plaats] niet meer de juiste plek voor hen was omdat de vader zijn toestemming om [minderjarige] in te schrijven op de school in [plaats] had ingetrokken.
- Contact tussen [minderjarige] en de vader en geboden alternatieven
6.12.
De rechtbank leidt uit het dossier en hetgeen tijdens de zitting is besproken af dat de ouders het niet eens zijn over de rol die de vader tot juli 2025 speelde in het leven van [minderjarige] . De ouders zijn het er wel over eens dat [minderjarige] vanaf juli 2025 volgens het ouderschapsplan de helft van de tijd bij de vader verblijft. Dit betekent ook dat [minderjarige] er, in elk geval vanaf dat moment, aan gewend is om ook de vader veel te zien. De moeder vindt dat de verhuizing geen enorme impact zal hebben op het contact tussen [minderjarige] en de vader omdat [minderjarige] veel bij oma (vz) verblijft in de tijd dat hij bij de vader hoort te zijn. Zelfs als de lezing van de moeder wordt gevolgd en [minderjarige] deels door oma (vz) wordt opgevangen, betekent dat nog steeds dat [minderjarige] en de vader per 14 dagen 11 dagen fysiek contact met elkaar hebben. Als de moeder zou verhuizen naar [plaats] zal dat veelvuldige contact worden beperkt. De weekendregeling die de moeder voorstelt beperkt het contact zelfs tot 3 van de 14 dagen. De rechtbank acht dat niet in het belang van [minderjarige] . Een ruimere zorgregeling is in die situatie ook praktisch niet haalbaar gelet op de reisafstand tussen [plaats] en [plaats] .
6.13.
Het voorstel van de moeder om het contactverlies te compenseren in de vakanties acht de rechtbank onvoldoende. Dit geldt ook voor het voorstel om de vader en [minderjarige] 2 maal per week te laten videobellen. De rechtbank is het met de vader eens dat een dergelijke regeling niet het frequente en structurele contact kan compenseren dat [minderjarige] en de vader nu hebben.
- De leeftijd van [minderjarige] en de mate waarin hij geworteld is in zijn omgeving
6.14.
De rechtbank concludeert dat [minderjarige] moet vertrekken uit zijn vertrouwde omgevingen als hij met de moeder zou verhuizen naar [plaats] . Zij stelt namelijk vast dat [minderjarige] binding heeft met zowel [plaats] als [plaats] . Hij komt al vanaf jonge leeftijd in beide plaatsen en heeft daar ook familie en, al dan niet via de ouders of het kinderdagverblijf, een sociaal netwerk. De rechtbank heeft ook het vertrouwen dat [minderjarige] zou kunnen aarden in [plaats] . Dat leidt zij af uit de toelichting van de ouders tijdens de zitting. De rechtbank neemt daarbij van de ouders aan dat [minderjarige] een sociale jongen is die gemakkelijk contact maakt met anderen.
6.15.
Dit betekent echter niet dat de rechtbank de situatie waarin [minderjarige] nu zit, waarin hij veelvuldig heen en weer moet pendelen tussen [plaats] , [plaats] en [plaats] , goed vindt voor [minderjarige] . De rechtbank acht het, net als de Raad, in het belang van [minderjarige] dat de ouders goed nadenken over wat voor [minderjarige] de beste plaats is om op te groeien, hij contact kan hebben met beide ouders en waar de ouders hem een stabiele basis kunnen bieden die hij nodig heeft.
Hoofdverblijfplaats
6.16.
Een ouder kan een geschil over de uitoefening van het gezamenlijk gezag aan de rechtbank voorleggen.De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
6.17.
De rechtbank ziet in hetgeen volgt uit het dossier en is toegelicht tijdens de zitting geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen naar de vader zoals hij verzoekt. Zeker niet nu zij het verzoek om vervangende toestemming om te mogen verhuizen afwijst. De moeder heeft tijdens de zitting toegezegd dat zij (verder) gaat zoeken naar een woning in [plaats] als zij geen toestemming krijgt om te mogen verhuizen naar [plaats] . De rechtbank is het bovendien met de vertegenwoordigster van de Raad eens dat zo lang de ouders niet hebben geprobeerd om samen te komen tot afspraken over waar [minderjarige] op zal groeien en over een zorgregeling die in het belang is van [minderjarige] , de (woon)situatie moet blijven zoals hij nu is. De rechtbank wijst het verzoek van de vader daarom af.
Wijziging zorgregeling
6.18.
Omdat de rechtbank zowel het verzoek van de moeder om met [minderjarige] te mogen verhuizen naar [plaats] , als het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen naar de vader in [plaats] afwijst, komt zij niet toe aan de inhoudelijke behandeling van hun voorwaardelijke verzoeken tot het wijzigen van de zorgregeling.
6.19.
De rechtbank hecht er wel aan om de ouders enkele adviezen mee te geven. Zo adviseert zij hen met klem om acht te slaan op hetgeen de vertegenwoordigster van de Raad tijdens de zitting heeft opgemerkt als zij nieuwe afspraken maken over de zorgregeling. Zijn start op de basisschool gaat veel van [minderjarige] vragen en dat is lastig te combineren met het vele reizen van en naar de woningen van de ouders. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat de ouders daar rekening mee houden. De rechtbank meent dat het ouders bovendien zou helpen als zij daarbij ook ter harte nemen wat de vertegenwoordigster van de Raad heeft opgemerkt over de sociale verplichtingen van een schoolgaand kind. Die vereisen dat de ouders met elkaar (blijven) afstemmen over de invulling van die verplichtingen en dus ook dat zij vooraf afspreken hoe zij dat gaan doen. De zwemles en/of de voetbaltraining in de woonplaats van de ene ouder gaan immers ook door als [minderjarige] bij de andere ouder is.
6.20.
Ten overvloede: de vader heeft tijdens de zitting bij herhaling benadrukt dat hij het belangrijk vindt dat er sprake is van ‘gelijkwaardig ouderschap’. Hij meent dat de moeder hem buiten spel zet door de zorgregeling te willen beperken, maar ook door hem niet meer te informeren over waar zij is met [minderjarige] . De rechtbank geeft de vader mee dat het door hem gewenste ‘gelijkwaardig ouderschap’ ook betekent dat hij erop vertrouwt dat de moeder goed voor [minderjarige] zorgt als hij bij haar is en dat hij niet van haar moet verwachten dat zij hem op elk door hem gewenst moment informeert over waar zij en [minderjarige] zijn of wat zij aan het doen zijn. De rechtbank geeft de moeder mee dat zij de vader hierbij kan helpen door de zorgen van de vader op voorhand weg te nemen door hem te laten weten waar zij met [minderjarige] verblijft als [minderjarige] bij haar is.
Vervangende toestemming inschrijving school
6.21.
Een ouder kan een geschil over de uitoefening van het gezamenlijk gezag aan de rechtbank voorleggen.De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
6.22.
De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] , hoewel hij al vanaf [geboortedag] 2025 (toen hij 4 werd) naar de basisschool had gemogen, nog altijd niet naar school gaat. De rechtbank leidt uit het dossier en hetgeen tijdens de zitting is besproken af dat de ouders zich bewust zijn van de gevolgen die dit heeft voor [minderjarige] zijn ontwikkeling. En hoewel de moeder heeft toegelicht dat zij de leerachterstand die [minderjarige] hierdoor oploopt probeert te beperken door [minderjarige] thuisonderwijs te geven, constateert de rechtbank ook dat noch de moeder, noch de vader hierbij de belangen van [minderjarige] echt vooropstelt en doorpakt. In plaats daarvan stellen zij zich zeer afwachtend op en verwijten zij de ander dat [minderjarige] nog niet bij een basisschool is aangemeld. Net als de vertegenwoordigster van de Raad neemt de rechtbank dit de ouders kwalijk. De rechtbank meent dat de ouders, door [minderjarige] thuis te houden van de basisschool omdat zij het niet eens kunnen worden, hun eigen belangen voor laten gaan op de belangen van [minderjarige] .
6.23.
Om de impasse te doorbreken en ervoor te zorgen dat [minderjarige] alsnog zo spoedig mogelijk kan starten met school, verleent de rechtbank de moeder vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op Protestant – Christelijke basisschool (PCBS) [school] in [plaats] . Het primaire verzoek van de moeder en het verzoek van de vader wijst zij dus af. De rechtbank leest in het dossier terug dat de ouders goed hebben nagedacht over hun keuze voor deze school en waarom het in het belang van [minderjarige] zou zijn om hem juist hier in te schrijven. Daarbij is overwogen dat deze school in hetzelfde [instelling] zit als de kinderopvang waar [minderjarige] nu naartoe gaat. Ook ligt de school vlakbij de snelweg waardoor hij goed bereikbaar is voor beide ouders. De vader heeft eerder ook toestemming gegeven om [minderjarige] in te schrijven op deze school. Hij heeft tijdens de zitting desgevraagd bevestigd dat hij alsnog toestemming zou geven als moeder in [plaats] zou blijven wonen.. Hoewel de rechtbank deze toezegging op zichzelf positief vindt, ziet zij ook het risico dat de vader die toezegging niet nakomt als hij het idee krijgt dat de moeder toch niet in [plaats] zou blijven wonen. Dit terwijl de rechtbank het van groot belang vindt dat er prioriteit wordt gegeven aan [minderjarige] , aan zijn ontwikkeling en aan zijn belang om op de kortst mogelijke termijn naar school te kunnen. Dit maakt dat de rechtbank ieder risico wil uitsluiten en vervangende toestemming verleent.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.24.
Omdat de rechtbank het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te mogen verhuizen naar [plaats] afwijst, komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijke verzoek van de vader om de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
6.25.
De rechtbank zal de beslissing over de basisschool in [plaats] wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals de moeder verzoekt. Dit betekent dat de beslissing moeten worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Proceskosten
6.26. Gelet op de (familie)relatie tussen de ouders bepaalt de rechtbank dat ieder van de ouders de eigen proceskosten betaalt.
7De beslissing
De rechtbank:
7.1.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek om:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 te [plaats] ,
in te schrijven in de Basisregistratie Personen op het adres in [plaats] ;
7.2.
verleent vervangende toestemming aan de moeder om [minderjarige] in te schrijven op de Protestant – Christelijke basisschool (PCBS) [school] in [plaats] ;
7.3.
verklaart de beslissing onder 7.2. uitvoerbaar bij voorraad.
7.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
7.5.
wijst af het meer en anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. van der Lee (voorzitter), D.S.M. Bak en E.L. de Jongh, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Beumer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen.
Artikel 2.2 Wet brp.
Artikel 2.39 Wet brp. Ook is aangifte tot vier weken voor de verhuizing mogelijk.
Artikel 1.1, aanhef en onder o, ten 1o Wet basisregistratie personen.
Kamerstukken II, 2011-2012, 33 219, nr. 3, p. 4.
Artikel 2.48, aanhef en onder a Wet brp.
Artikel 1:253a BW.
Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901.
Rechtbank Midden-Nederland 1 juli 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4301, r.o. 3.4.
Artikel 1:253a BW.
Artikel 1:253a BW.
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/467019 / FZ RK 26-1240
Datum uitspraak: 15 september 2026
beschikking zorgregeling en vervangende toestemming verhuizing en school
in de zaak van
[de moeder] (hierna: de moeder)
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. B. Eijgelsheim uit Apeldoorn ,
tegen
[de vader] (hierna: de vader)
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.E.W. van Schaijk uit Elst.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 11 mei 2026;
- het verweerschrift met zelfstandige verzoeken en bijlagen van de vader, ontvangen op 11 augustus 2026;
- het F9-formulier met bijlagen van de moeder, ontvangen op 13 augustus 2026.
1.2.
Tijdens de zitting van 18 augustus 2026 zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2De feiten
2.1.
Uit de relatie tussen de ouders is geboren het minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 te [plaats] , hierna: [minderjarige] .
2.2.
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over hem. [minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De ouders hebben met elkaar afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Deze afspraken zijn neergelegd in een ouderschapsplan dat door de ouders is ondertekend op [datum] 2024.
De ouders zijn in het ouderschapsplan - onder meer - overeengekomen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben. Over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) hebben zij de volgende afspraken gemaakt:
[Afbeelding geanonimiseerd]
[Afbeelding geanonimiseerd]
De ouders zijn verder overeengekomen dat, hoewel het uitgangspunt is dat de vakanties een feestdagen bij helfte worden gedeeld, de reguliere zorgregeling op die momenten zoveel mogelijk doorloopt. De kerstdagen zijn hierop uitgezonderd. Daarover is afgesproken dat [minderjarige] bij iedere ouder één van de kerstdagen zal doorbrengen.
3Het verzoek
3.1.
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. het ouderschapsplan te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] een keer per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] haalt en brengt indien de vervangende toestemming voor de verhuizing naar [plaats] wordt verleend;
II. aan de moeder toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar [plaats] te verhuizen, welke toestemming in de plaats komt van de noodzakelijke handtekening van de vader;
III. aan de moeder toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op het adres in [plaats] , welke toestemming in de plaats komt van de noodzakelijke handtekening van de vader;
IV. aan de moeder toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op [instelling] in [plaats] , welke toestemming in de plaats komt van de noodzakelijke handtekening van de vader;
subsidiair:
V. aan de moeder toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool [school]
in [plaats] welke toestemming in de plaats komt van de noodzakelijke handtekening van de vader.
4Het verweer en de zelfstandige verzoeken
4.1.
De vader voert verweer, hij verzoekt de rechtbank de verzoeken van de moeder af te wijzen en bij wijze van zelfstandige verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het ouderschapsplan te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben;
II. aan de vader vervangende toestemming te verlenen - die de toestemming van de
moeder vervangt - om [minderjarige] , in te schrijven in de Basisregistratie Personen (hierna: brp) van de gemeente [gemeente] op het adres [adres] te [plaats] ;
III. aan de vader vervangende toestemming te verlenen - die de toestemming van de
moeder vervangt - om [minderjarige] , in te schrijven op basisschool [school] te [plaats] .
IV. het ouderschapsplan te wijzigen en ten aanzien van [minderjarige] een nieuwe zorgregeling vast te stellen:
a. Primair, indien de rechtbank met de vader van mening is dat [minderjarige] in [plaats] zal
gaan opgroeien en de moeder niet in de directe omgeving van [plaats] woont: [minderjarige] verblijft in een cyclus van vijf weekenden steeds vier weekenden bij de moeder en een weekend bij de vader, in het weekend van de moeder haalt de moeder [minderjarige] op vrijdagmiddag uit school en haalt de vader [minderjarige] op zondagavond om 18:00 uur bij de moeder op, in de weken dat [minderjarige] bij de vader verblijft is er op maandag en woensdag contact tussen de moeder en [minderjarige] gedurende minimaal vijf minuten per keer waarbij de vader de moeder belt via een beeldbelverbinding op een vooraf aangekondigd tijdstip tussen 17:00 en 19:00 uur, de vakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte gedeeld met uitzondering van de zomervakantie; dan verblijft [minderjarige] in week 1, 2, 5 en 6 bij de moeder en in week 3 en 4 bij de vader;
b. Subsidiair, indien de rechtbank met de vader van mening is dat [minderjarige] in [plaats] zal gaan opgroeien en de moeder wel in de directe omgeving van [plaats] woont: conform onderstaand schema, met een wekelijks beeldbelmoment op zondag gedurende minimaal vijf minuten waarbij de ouder waar [minderjarige] verblijft de andere ouder belt via een beeldbelverbinding op een vooraf aangekondigd tijdstip tussen 17:00 en 19:00 uur en waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte verdeeld zullen worden;
Oneven weken
Even weken
Maandag
Moeder
Maandag
vader
Dinsdag
Moeder
Dinsdag
Moeder vanaf 8 uur
Woensdag
Moeder
Woensdag
Moeder
Donderdag
Vader vanaf 8 uur
Donderdag
Vader vanaf 8 uur
Vrijdag
Vader
Vrijdag
Vader tot 18 uur
Zaterdag
Vader
Zaterdag
Moeder
Zondag
vader
Zondag
Moeder
c. meer subsidiair, indien de rechtbank de verzoeken van de moeder toewijst en van oordeel is dat [minderjarige] in [plaats] zal gaan opgroeien: [minderjarige] verblijft in een cyclus van vijf weekenden steeds vier weekenden bij de vader en één weekend bij de moeder, in het weekend van de vader haalt de vader [minderjarige] op vrijdagmiddag uit school en haalt de moeder [minderjarige] op zondagavond om 18:00 uur bij de vader op, in de weken dat [minderjarige] bij de moeder verblijft is er op maandag en woensdag contact tussen de vader en [minderjarige] gedurende minimaal vijf minuten per keer waarbij de moeder de vader belt via een beeldbelverbinding op een vooraf aangekondigd tijdstip tussen 17:00 en 19:00 uur, de vakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte gedeeld met uitzondering van de zomervakantie; dan verblijft [minderjarige] in week 1, 2, 5 en 6 bij de vader en in week 3 en 4 bij de moeder;
d. dan wel een regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht.
Kosten rechtens.
4.2.
Op de stellingen van de ouders wordt hierna nader ingegaan, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling.
5Het standpunt van de Raad
5.1.
De vertegenwoordigster van de Raad benoemt dat zij tijdens de zitting vooral van de ouders heeft gehoord welke wensen en belangen zij hebben bij hun verzoeken. Zij mist echter de wensen en belangen van [minderjarige] . Het is voor [minderjarige] belangrijk dat hij goed en frequent contact heeft met zijn beide ouders. Dit is in de praktijk lastig te realiseren omdat de ouders ervoor hebben gekozen op afstand van elkaar te wonen. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat de ouders zo dicht mogelijk bij elkaar wonen. Dichterbij dan nu het geval is. De afstand [plaats] – [plaats] is te groot voor een co-ouderschap met een schoolgaand kind. School vraagt veel van jonge kinderen en dat is lastig te combineren met het vele reizen tussen de woonplaatsen van de ouders en vanuit die woonplaatsen van en naar de school. De vertegenwoordigster van de Raad voorziet dat die afstand [minderjarige] ook gaat beperken als hij ouder wordt. Zij vraagt zich af hoe de ouders het gaan organiseren als [minderjarige] na school wil spelen bij vriendjes of als hij straks naar zwemles gaat of gaat voetballen. Dit vraagt veel afstemming tussen de ouders. Al met al vindt zij dat de verhuizing, maar ook de voorgestelde zorgregelingen niet goed zijn doordacht. Zij meent daarom dat er nu qua woonplaats niets moet veranderen voor [minderjarige] . De ouders moeten eerst een oplossing zoeken voor het probleem dat zij hebben gecreëerd en moeten met elkaar in gesprek over wat daarbij in het belang is van [minderjarige] .
5.2.
De vertegenwoordigster van de Raad benadrukt dat het heel belangrijk is dat [minderjarige] zo snel mogelijk naar school gaat. Op die manier kan hij sociale contacten aangaan en zich verder ontwikkelen. Zij adviseert de rechtbank om de moeder vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool in [plaats] , omdat dat de school is waar de ouders het eerder over eens waren.
6De beoordeling
Inschrijving in de brp
6.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vader zijn verzoek tot inschrijving in de brp tijdens de zitting heeft ingetrokken. De rechtbank hoeft daar dan ook geen beslissing over te nemen. De moeder heeft haar verzoek tot inschrijving in de brp gehandhaafd. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek niet valt onder de reikwijdte van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) omdat dit geen geschil is over de uitvoering van het gezag. De rechtbank legt dit hierna uit.
6.2.
De brp bevat onder meer persoonsgegevens van ingezetenen van Nederland. Om ervoor te zorgen dat de brp feitelijk juiste informatie bevat, bepaalt de Wet brp dat ingezetenen verplicht staan ingeschreven in de basisregistratie personen. Als een ingezetene verhuist, moet hij uiterlijk binnen vijf dagen na de verhuizing hiervan aangifte doen bij de gemeente waar hij naartoe verhuist.
6.3.
De Wet brp regelt ook waar de aangifte van verhuizing moet worden gedaan als de betrokkene op meerdere adressen verblijft. Dat is bij de gemeente waar de betrokkene naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten. Het gaat hier dus om een vaststelling van de feitelijke situatie. Anders dan bij het vaststellen van de hoofdverblijfplaats, biedt deze bepaling geen ruimte om rekening te houden met de belangen van het kind. Dit is ook logisch. Een van de voornaamste doelen van het brp is het geven van informatie aan de overheid om haar in staat te stellen haar taken uit te voeren. Die informatie moet dus kloppen met de feiten en niet afhankelijk zijn van enige belangenafweging.
6.4.
Voor de aangifte van de verhuizing van een minderjarige jonger dan 16 jaar rust de verplichting op zijn ouders, voogden of verzorgers. Uit deze formulering blijkt dat de wet geen onderscheid maakt tussen ouders die ouderlijk gezag hebben of niet. De verplichting bestaat gewoon en dat geldt dus ook voor personen die de minderjarige daadwerkelijk verzorgen, ook zonder dat zij gezag hebben. Ook is niet vereist dat de ouders de aangifte samen doen. De verplichting om de minderjarige in te schrijven op het adres waar hij feitelijk (het meest) verblijft rust daarmee dus op een ieder bij wie de minderjarige feitelijk (het meest) verblijft en bij zijn ouders/voogden onafhankelijk van elkaar. Het college heeft vervolgens een zelfstandige bevoegdheid om de aangifte te beoordelen. Hij toetst daarbij aan de feiten en niet aan een wens van de ouders of aan de belangen van de minderjarige. Het college is bij het nemen van haar besluit dan ook niet gebonden aan een afspraak tussen de ouders of een uitspraak van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De rechtbank verklaart de moeder daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Vervangende toestemming verhuizing
6.5.
Een ouder kan een geschil over de uitoefening van het gezamenlijk gezag aan de rechtbank voorleggen.Omdat de ouders het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen heeft de moeder voor het veranderen van de woonplaats van [minderjarige] toestemming van de vader nodig of vervangende toestemming van de rechtbank. De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt.
6.6.
Bij de beantwoording van de vraag of de moeder toestemming dient te krijgen om met [minderjarige] naar [plaats] te verhuizen, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat iedere ouder het recht heeft om zijn of haar leven met een kind in te richten op de manier die hem of haar goed lijkt. Daaronder valt ook de vrijheid om op een andere plek te gaan wonen. De rechtbank brengt alle omstandigheden in kaart en maakt dan een belangenafweging. De belangen van [minderjarige] zijn daarbij een eerste overweging. Dit neemt niet weg dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.
6.7.
Volgens vaste rechtspraak weegt de rechtbank - onder meer - de volgende omstandigheden en belangen af:
de noodzaak om te verhuizen;
de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;
de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin het kind geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
Conclusie
6.8.
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor de verhuizing af. De moeder heeft de noodzaak om te verhuizen naar [plaats] niet onderbouwd en de gevolgen voor [minderjarige] zijn groot. De afstand tussen [plaats] en [plaats] maakt het onmogelijk voor [minderjarige] om zijn beide ouders frequent te kunnen blijven zien. De rechtbank oordeelt dan ook dat het belang van [minderjarige] om frequent contact te hebben met zijn beide ouders zwaarder weegt dan de wens van de moeder om met [minderjarige] en haar partner een nieuwe toekomst op te bouwen in [plaats] . De rechtbank legt hierna verder uit waarom zij tot deze conclusie komt en gaat daarbij in op de voor haar beslissing relevante omstandigheden en belangen.
Inhoudelijke beoordeling
6.9.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat de moeder al een aantal jaar met [minderjarige] in [plaats] woont. De vader woont in [plaats] . [minderjarige] verblijft een deel van de tijd bij de moeder en een deel van de tijd bij de vader. Tussen de ouders is in geschil vanaf wanneer er sprake is van een co-ouderschapsregeling en de redenen die daaraan ten grondslag liggen. Vaststaat dat de co-ouderschapsregeling uit het ouderschapsplan in ieder geval vanaf juli 2025 wordt uitgevoerd. De moeder wil nu met [minderjarige] verhuizen naar [plaats] . De reden hiervoor is dat zij stelt dat zij haar huurwoning in [plaats] niet langer kon betalen en daardoor nu met [minderjarige] moet inwonen bij haar moeder. Dit terwijl haar partner in [plaats] een grote woning heeft waar zij met [minderjarige] kan wonen. Zij heeft sinds 2024 een relatie met haar partner. Volgens de moeder voert de vader feitelijk de co-ouderschapsregeling niet uit en brengt hij [minderjarige] een groot deel van de tijd naar zijn moeder. De vader is volgens de moeder niet in staat de co-ouderschapsregeling zelf uit te voeren. Ook wil de moeder dat [minderjarige] in [plaats] naar school gaat. [minderjarige] is inmiddels vier jaar oud maar gaat op dit moment niet naar school omdat de ouders geen overeenstemming hebben over waar hij naar school moet gaan. De vader is het niet eens met de voorgenomen verhuizing van de moeder. [minderjarige] heeft in [plaats] zijn bestaande en vertrouwde netwerk. Met een eventuele verhuizing zal [minderjarige] zijn vertrouwde omgeving verliezen en kan de zorgregeling gelet op de reistijd niet meer worden uitgevoerd. De vader wil dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij hem heeft en dat hij in [plaats] naar school gaat.
- Noodzaak om te verhuizen
6.10.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor [minderjarige] en de moeder niet ideaal is dat zij nu inwonen bij oma (mz), ziet zij niet de noodzaak om te verhuizen naar [plaats] . De moeder stelt dat zij de huur van haar woning in [plaats] heeft moeten opzeggen omdat zij de kosten daarvan niet langer kon dragen. Die stelling heeft zij echter niet onderbouwd. Ook ontbreekt de onderbouwing van haar stellingen dat zij niet in aanmerking komt voor sociale huur of een urgentieverklaring en dat zij ook niet de financiële middelen heeft om particulier te huren of een woning te kopen. De rechtbank volgt daarom ook niet de conclusie dat er sprake zou zijn van financieel onvermogen om een eigen woning te kunnen huren of kopen in [plaats] . De vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, waar de moeder naar verwijst, gaat daarom evenmin op.
6.11.
Een verhuizing van de moeder en [minderjarige] naar [plaats] zou betekenen dat de reistijd van de woning van de vader naar de woning van de moeder verdubbelt (volgens de routeplanner van minimaal 28 naar minimaal 62 minuten). De rechtbank is van oordeel dat de moeder als gezaghebbende ouder actief had moeten zoeken naar minder ingrijpende alternatieven dan een verhuizing naar een woning op grote afstand van de woning van de vader. Zij heeft niet aangetoond dat zij dit heeft gedaan. Ook uit de tijdlijn blijkt dat zij niet serieus heeft gezocht naar woningen in [plaats] . De moeder heeft op 1 juli 2026 voor het eerst haar plannen om te verhuizen naar [plaats] met de vader besproken. Tijdens de zitting heeft zij aangegeven dat haar vanaf augustus duidelijk werd dat [plaats] niet meer de juiste plek voor hen was omdat de vader zijn toestemming om [minderjarige] in te schrijven op de school in [plaats] had ingetrokken.
- Contact tussen [minderjarige] en de vader en geboden alternatieven
6.12.
De rechtbank leidt uit het dossier en hetgeen tijdens de zitting is besproken af dat de ouders het niet eens zijn over de rol die de vader tot juli 2025 speelde in het leven van [minderjarige] . De ouders zijn het er wel over eens dat [minderjarige] vanaf juli 2025 volgens het ouderschapsplan de helft van de tijd bij de vader verblijft. Dit betekent ook dat [minderjarige] er, in elk geval vanaf dat moment, aan gewend is om ook de vader veel te zien. De moeder vindt dat de verhuizing geen enorme impact zal hebben op het contact tussen [minderjarige] en de vader omdat [minderjarige] veel bij oma (vz) verblijft in de tijd dat hij bij de vader hoort te zijn. Zelfs als de lezing van de moeder wordt gevolgd en [minderjarige] deels door oma (vz) wordt opgevangen, betekent dat nog steeds dat [minderjarige] en de vader per 14 dagen 11 dagen fysiek contact met elkaar hebben. Als de moeder zou verhuizen naar [plaats] zal dat veelvuldige contact worden beperkt. De weekendregeling die de moeder voorstelt beperkt het contact zelfs tot 3 van de 14 dagen. De rechtbank acht dat niet in het belang van [minderjarige] . Een ruimere zorgregeling is in die situatie ook praktisch niet haalbaar gelet op de reisafstand tussen [plaats] en [plaats] .
6.13.
Het voorstel van de moeder om het contactverlies te compenseren in de vakanties acht de rechtbank onvoldoende. Dit geldt ook voor het voorstel om de vader en [minderjarige] 2 maal per week te laten videobellen. De rechtbank is het met de vader eens dat een dergelijke regeling niet het frequente en structurele contact kan compenseren dat [minderjarige] en de vader nu hebben.
- De leeftijd van [minderjarige] en de mate waarin hij geworteld is in zijn omgeving
6.14.
De rechtbank concludeert dat [minderjarige] moet vertrekken uit zijn vertrouwde omgevingen als hij met de moeder zou verhuizen naar [plaats] . Zij stelt namelijk vast dat [minderjarige] binding heeft met zowel [plaats] als [plaats] . Hij komt al vanaf jonge leeftijd in beide plaatsen en heeft daar ook familie en, al dan niet via de ouders of het kinderdagverblijf, een sociaal netwerk. De rechtbank heeft ook het vertrouwen dat [minderjarige] zou kunnen aarden in [plaats] . Dat leidt zij af uit de toelichting van de ouders tijdens de zitting. De rechtbank neemt daarbij van de ouders aan dat [minderjarige] een sociale jongen is die gemakkelijk contact maakt met anderen.
6.15.
Dit betekent echter niet dat de rechtbank de situatie waarin [minderjarige] nu zit, waarin hij veelvuldig heen en weer moet pendelen tussen [plaats] , [plaats] en [plaats] , goed vindt voor [minderjarige] . De rechtbank acht het, net als de Raad, in het belang van [minderjarige] dat de ouders goed nadenken over wat voor [minderjarige] de beste plaats is om op te groeien, hij contact kan hebben met beide ouders en waar de ouders hem een stabiele basis kunnen bieden die hij nodig heeft.
Hoofdverblijfplaats
6.16.
Een ouder kan een geschil over de uitoefening van het gezamenlijk gezag aan de rechtbank voorleggen.De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
6.17.
De rechtbank ziet in hetgeen volgt uit het dossier en is toegelicht tijdens de zitting geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen naar de vader zoals hij verzoekt. Zeker niet nu zij het verzoek om vervangende toestemming om te mogen verhuizen afwijst. De moeder heeft tijdens de zitting toegezegd dat zij (verder) gaat zoeken naar een woning in [plaats] als zij geen toestemming krijgt om te mogen verhuizen naar [plaats] . De rechtbank is het bovendien met de vertegenwoordigster van de Raad eens dat zo lang de ouders niet hebben geprobeerd om samen te komen tot afspraken over waar [minderjarige] op zal groeien en over een zorgregeling die in het belang is van [minderjarige] , de (woon)situatie moet blijven zoals hij nu is. De rechtbank wijst het verzoek van de vader daarom af.
Wijziging zorgregeling
6.18.
Omdat de rechtbank zowel het verzoek van de moeder om met [minderjarige] te mogen verhuizen naar [plaats] , als het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen naar de vader in [plaats] afwijst, komt zij niet toe aan de inhoudelijke behandeling van hun voorwaardelijke verzoeken tot het wijzigen van de zorgregeling.
6.19.
De rechtbank hecht er wel aan om de ouders enkele adviezen mee te geven. Zo adviseert zij hen met klem om acht te slaan op hetgeen de vertegenwoordigster van de Raad tijdens de zitting heeft opgemerkt als zij nieuwe afspraken maken over de zorgregeling. Zijn start op de basisschool gaat veel van [minderjarige] vragen en dat is lastig te combineren met het vele reizen van en naar de woningen van de ouders. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat de ouders daar rekening mee houden. De rechtbank meent dat het ouders bovendien zou helpen als zij daarbij ook ter harte nemen wat de vertegenwoordigster van de Raad heeft opgemerkt over de sociale verplichtingen van een schoolgaand kind. Die vereisen dat de ouders met elkaar (blijven) afstemmen over de invulling van die verplichtingen en dus ook dat zij vooraf afspreken hoe zij dat gaan doen. De zwemles en/of de voetbaltraining in de woonplaats van de ene ouder gaan immers ook door als [minderjarige] bij de andere ouder is.
6.20.
Ten overvloede: de vader heeft tijdens de zitting bij herhaling benadrukt dat hij het belangrijk vindt dat er sprake is van ‘gelijkwaardig ouderschap’. Hij meent dat de moeder hem buiten spel zet door de zorgregeling te willen beperken, maar ook door hem niet meer te informeren over waar zij is met [minderjarige] . De rechtbank geeft de vader mee dat het door hem gewenste ‘gelijkwaardig ouderschap’ ook betekent dat hij erop vertrouwt dat de moeder goed voor [minderjarige] zorgt als hij bij haar is en dat hij niet van haar moet verwachten dat zij hem op elk door hem gewenst moment informeert over waar zij en [minderjarige] zijn of wat zij aan het doen zijn. De rechtbank geeft de moeder mee dat zij de vader hierbij kan helpen door de zorgen van de vader op voorhand weg te nemen door hem te laten weten waar zij met [minderjarige] verblijft als [minderjarige] bij haar is.
Vervangende toestemming inschrijving school
6.21.
Een ouder kan een geschil over de uitoefening van het gezamenlijk gezag aan de rechtbank voorleggen.De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
6.22.
De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] , hoewel hij al vanaf [geboortedag] 2025 (toen hij 4 werd) naar de basisschool had gemogen, nog altijd niet naar school gaat. De rechtbank leidt uit het dossier en hetgeen tijdens de zitting is besproken af dat de ouders zich bewust zijn van de gevolgen die dit heeft voor [minderjarige] zijn ontwikkeling. En hoewel de moeder heeft toegelicht dat zij de leerachterstand die [minderjarige] hierdoor oploopt probeert te beperken door [minderjarige] thuisonderwijs te geven, constateert de rechtbank ook dat noch de moeder, noch de vader hierbij de belangen van [minderjarige] echt vooropstelt en doorpakt. In plaats daarvan stellen zij zich zeer afwachtend op en verwijten zij de ander dat [minderjarige] nog niet bij een basisschool is aangemeld. Net als de vertegenwoordigster van de Raad neemt de rechtbank dit de ouders kwalijk. De rechtbank meent dat de ouders, door [minderjarige] thuis te houden van de basisschool omdat zij het niet eens kunnen worden, hun eigen belangen voor laten gaan op de belangen van [minderjarige] .
6.23.
Om de impasse te doorbreken en ervoor te zorgen dat [minderjarige] alsnog zo spoedig mogelijk kan starten met school, verleent de rechtbank de moeder vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op Protestant – Christelijke basisschool (PCBS) [school] in [plaats] . Het primaire verzoek van de moeder en het verzoek van de vader wijst zij dus af. De rechtbank leest in het dossier terug dat de ouders goed hebben nagedacht over hun keuze voor deze school en waarom het in het belang van [minderjarige] zou zijn om hem juist hier in te schrijven. Daarbij is overwogen dat deze school in hetzelfde [instelling] zit als de kinderopvang waar [minderjarige] nu naartoe gaat. Ook ligt de school vlakbij de snelweg waardoor hij goed bereikbaar is voor beide ouders. De vader heeft eerder ook toestemming gegeven om [minderjarige] in te schrijven op deze school. Hij heeft tijdens de zitting desgevraagd bevestigd dat hij alsnog toestemming zou geven als moeder in [plaats] zou blijven wonen.. Hoewel de rechtbank deze toezegging op zichzelf positief vindt, ziet zij ook het risico dat de vader die toezegging niet nakomt als hij het idee krijgt dat de moeder toch niet in [plaats] zou blijven wonen. Dit terwijl de rechtbank het van groot belang vindt dat er prioriteit wordt gegeven aan [minderjarige] , aan zijn ontwikkeling en aan zijn belang om op de kortst mogelijke termijn naar school te kunnen. Dit maakt dat de rechtbank ieder risico wil uitsluiten en vervangende toestemming verleent.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.24.
Omdat de rechtbank het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te mogen verhuizen naar [plaats] afwijst, komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijke verzoek van de vader om de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
6.25.
De rechtbank zal de beslissing over de basisschool in [plaats] wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals de moeder verzoekt. Dit betekent dat de beslissing moeten worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Proceskosten
6.26. Gelet op de (familie)relatie tussen de ouders bepaalt de rechtbank dat ieder van de ouders de eigen proceskosten betaalt.
7De beslissing
De rechtbank:
7.1.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek om:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 te [plaats] ,
in te schrijven in de Basisregistratie Personen op het adres in [plaats] ;
7.2.
verleent vervangende toestemming aan de moeder om [minderjarige] in te schrijven op de Protestant – Christelijke basisschool (PCBS) [school] in [plaats] ;
7.3.
verklaart de beslissing onder 7.2. uitvoerbaar bij voorraad.
7.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
7.5.
wijst af het meer en anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. van der Lee (voorzitter), D.S.M. Bak en E.L. de Jongh, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Beumer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen.
Artikel 2.2 Wet brp.
Artikel 2.39 Wet brp. Ook is aangifte tot vier weken voor de verhuizing mogelijk.
Artikel 1.1, aanhef en onder o, ten 1o Wet basisregistratie personen.
Kamerstukken II, 2011-2012, 33 219, nr. 3, p. 4.
Artikel 2.48, aanhef en onder a Wet brp.
Artikel 1:253a BW.
Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901.
Rechtbank Midden-Nederland 1 juli 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4301, r.o. 3.4.
Artikel 1:253a BW.
Artikel 1:253a BW.