Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23710

2026-07-23 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/704023 / FA RK 26-4146
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-08-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/704023 / FA RK 26-4146
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing naar Brabant afgewezen. De moeder heeft de noodzaak van de verhuizing onvoldoende onderbouwd.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.867 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 26-4146
Zaaknummer: C/09/704023
Datum beschikking: 23 juli 2026


Gezagsuitoefening



Beschikking op het op 24 april 2026 ingekomen verzoek van:




[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M.C. Wittens in ’s-Gravenhage.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. van der Heiden in Honselersdijk.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift;


de berichten met bijlage van 11 mei 2026 van de moeder;


het bericht met bijlage van 19 juni 2026 van de moeder;


het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de vader;


het bericht met bijlage van 24 juni 2026 van de moeder.




Op 25 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat en de vader bijgestaan door zijn advocaat.



Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.




Feiten


Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.


Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats].


De vader heeft [minderjarige] erkend.


Middels een aantekening in het gezagsregister op 10 mei 2024 zijn de ouders gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige].



[minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.


De ouders hebben op 7 januari 2025 een ouderschapsplan opgesteld, inhoudende:


een zorgregeling zoals beschreven in bijlage 1, in die zin dat [minderjarige] in de ene week van woensdagmiddag tot zondag 16:00 uur bij de vader is, en de andere week van woensdagmiddag tot vrijdag 16:00 uur;


een verdeling van de vakanties, verjaardagen en feestdagen in onderling overleg bij helfte;


bij een vooringenomen verhuizing toestemming nodig is van de andere ouder. Indien de verhuizing invloed heeft op de zorgregeling dan wordt de zorgverdeling opnieuw bekeken.





Verzoek en verweer
De moeder verzoekt:


vervangende toestemming te verlenen aan haar, welke de toestemming van de vader vervangt, om samen met [minderjarige] te verhuizen naar [adres] in [plaats 1], Noord-Brabant;


vervangende toestemming te verlenen aan haar, welke de toestemming van de vader vervangt, om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool [schoolnaam 1] in [plaats 1];



voorwaardelijk, indien vervangende toestemming wordt verleend om te verhuizen:


de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling te wijzen en de volgende zorgregeling vast te leggen:



[minderjarige] verblijft doordeweeks bij de moeder, waarbij partijen een driewekelijks schema hanteren waarbij [minderjarige] de eerste twee weekenden achtereen bij de vader verblijft en het derde weekend bij de moeder. De weekenden waarin [minderjarige] bij de vader verblijft gaan in op vrijdagmiddag uit school of de kinderopvang tot zondagavond 18:00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] op vrijdagmiddag naar de vader zal brengen en de vader [minderjarige] op zondagavond naar een tussen partijen afgesproken locatie in het midden zal brengen waar de moeder [minderjarige] ophaalt;


een verdeling van de vakanties waarbij [minderjarige] als volgt bij de ouders is:



- voorjaarsvakantie: de helft van de week bij de moeder, de helft van de week bij de vader;
- meivakantie: bij de vader;
- zomervakantie: twee weken aaneengesloten bij iedere ouder, en daarnaast een losse week (bijvoorbeeld 2-2-1-1);
- herfstvakantie: de helft van de week bij de moeder, de helft van de week bij de vader;
- kerstvakantie: de ene week bij de ene ouder, en de andere week bij de andere ouder;
- alle feestdagen: in onderling overleg bij helfte;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.



De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vader zelfstandig verzocht:



aan hem vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [minderjarige] op de basisschool [schoolnaam 2] in [plaats 2];


aan hem vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [minderjarige] op de sportvereniging [clubnaam] in [plaats 2];



voorwaardelijk, voor in het geval dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen:


te bepalen dat [minderjarige] vier aaneengesloten weekenden per vijf weken van vrijdag uit school tot zondag 18:30 uur bij de vader zal verblijven;


te bepalen dat [minderjarige] alle vrije dagen (waaronder studiedagen en feestdagen) bij de vader zal verblijven, met uitzondering van de feestdagen in de kerstvakantie die in de vakantieweek van de moeder vallen;


te bepalen dat de vakanties in onderling overleg bij helfte worden verdeeld;


te bepalen dat de moeder bij de uitvoering van de reguliere zorgregeling en de vastgelegde verdeling van de vrije dagen en vakanties, verantwoordelijk is voor het halen en brengen van [minderjarige] van en naar de vader;


een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.


De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.




Beoordeling


Vervangende toestemming verhuizing


Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen op verzoek van de ouders geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.



Uit vaste jurisprudentie volgt – onder meer de Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901 – dat bij de beslissing over vervangende toestemming voor de verhuizing van de kinderen alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen en tegen elkaar af worden gewogen. Dit kan er ook toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van de kinderen. Het gaat dan onder andere om:



het recht en belang van de verhuizende ouder en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;


de noodzaak om te verhuizen;


de mate waarin de verhuizing is doorgedacht en voorbereid;


de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;


de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;


de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in vertrouwde omgeving;


de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;


de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;


de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin hij is geworteld in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;


de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.




De rechtbank benadrukt dat bovenstaande opsomming niet is bedoeld als bepaling van criteria waaraan afzonderlijk moet worden voldaan, maar dat voor de beoordeling een belangenafweging moet worden gemaakt met inachtneming van genoemde omstandigheden.




Inhoudelijke beoordeling

De moeder wil graag vervangende toestemming om met [minderjarige] naar [plaats 1] verhuizen. Zij voert daartoe het volgende aan. De moeder heeft al langere tijd de wens om met haar partner samen te wonen en een gezinsleven op te bouwen. Ze hebben een stabiele relatie en zijn onlangs verloofd geraakt. De mogelijkheid heeft zich voorgedaan waarbij de moeder en haar partner het huis van zijn ouders kunnen kopen in [plaats 1]. Volgens de moeder is het een groot huis, met veel groen en ruimte voor een eventuele gezinsuitbreiding. Een dergelijke woning te kopen in de regio van [plaats 3] is voor de moeder niet financieel haalbaar. Bovendien kan haar partner vanwege zijn eigen bedrijf niet naar deze regio verhuizen. De moeder kan gaan werken in het bedrijf van haar partner waardoor zij een betere inkomenspositie krijgt en tegelijkertijd flexibel blijft voor [minderjarige]. Daarnaast is de moeder op dit moment in de weekenden al vaak in [plaats 1] met [minderjarige]. Zij vindt het dan ook belangrijk dat [minderjarige] kan opgroeien in twee huizen in plaats van drie. In [plaats 1] is bovendien een groot netwerk beschikbaar waar de moeder en [minderjarige] op kunnen rekenen.



De vader is het niet eens met de verhuizing naar [plaats 1]. Momenteel is [minderjarige] iedere woensdagmiddag tot en met vrijdagmiddag, alsmede om het weekend en de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader. Deze zorgregeling wordt al ruim twee jaar uitgevoerd en verloopt goed. Bij een verhuizing naar [plaats 1] zal de vader alleen in het weekend contact hebben met [minderjarige] en niet meer betrokken zijn bij het dagelijkse doordeweekse leven. Bovendien bevinden de woning van de vader, zijn bedrijf, de opvang van [minderjarige] en de toekomstige basisschool in [plaats 2] zich op dit moment op korte afstand van elkaar. De vader heeft hierdoor flexibiliteit met betrekking tot de zorg voor [minderjarige]. Daarnaast wonen zowel zijn familie als de familie van de moeder in de omgeving van Den Haag en [plaats 2], waardoor er goed contact is met beide families. Met een verhuizing naar [plaats 1] zal dit contact aanzienlijk minder worden. De vader betwist dan ook het grote netwerk in [plaats 1] waar de moeder het over heeft, nu dit alleen de familie van de partner van de moeder zou zijn. De vader vindt het in het belang van [minderjarige] dat hij kan blijven wonen in zijn huidige en vertrouwde omgeving met twee ouders die bij elkaar in de buurt wonen.



De rechtbank stelt voorop dat de moeder in beginsel het recht en de vrijheid heeft om haar leven (opnieuw) in te richten, maar dat dit recht wordt begrensd door de belangen van [minderjarige] en het belang van de vader om op dezelfde manier voor [minderjarige] te kunnen blijven zorgen.



Hoewel de rechtbank begrijpt dat het een goede kans is voor de moeder en haar partner om het huis van zijn ouders in [plaats 1] te kopen, acht de rechtbank het onwenselijk dat hierdoor de afstand tussen de vader en [minderjarige] zodanig wordt, dat aan de zorgregeling zoals die nu is, niet langer uitvoering kan worden gegeven. De moeder heeft weliswaar een alternatieve zorgregeling aangeboden maar de rechtbank is van oordeel dat deze gelet op de reisafstand en de jonge leeftijd van [minderjarige], niet in zijn belang is. Bovendien is de vader bij een verhuizing naar [plaats 1] niet meer bij het doordeweekse leven van [minderjarige] betrokken, zoals school, vriendjes, sporten of zwemles. De door de moeder verzochte vervangende toestemming voor de verhuizing lijkt met name ingegeven door haar wens om samen te gaan wonen met haar partner. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat zij uitgebreid en lang gezocht heeft naar een alternatieve koopwoning in de omgeving van [plaats 3] en [plaats 2]. De argumenten van de moeder geven volgens de rechtbank daarom onvoldoende reden om aan te nemen dat een verhuizing naar [plaats 1] noodzakelijk is en dat dit belang zwaarder moet wegen dan het belang van de vader en [minderjarige] op onverminderd contact.



Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de moeder verzochte toestemming om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen, afwijzen. De daarmee samenhangende verzoeken van de moeder voor vervangende toestemming inschrijving op de basisschool in [plaats 1] en de wijziging van de zorgregeling, zal de rechtbank eveneens afwijzen.




Vervangende toestemming inschrijving basisschool en sportvereniging [plaats 2]

De vader stelt dat uit het ouderschapsplan blijkt dat de ouders hadden afgesproken dat [minderjarige] naar de basisschool De [schoolnaam 2] in [plaats 2] zou gaan. Hoewel [minderjarige] voor deze school al is ingeschreven, vreest de vader dat de moeder haar toestemming zal intrekken. Hetzelfde geldt volgens de vader voor de inschrijving van [minderjarige] bij de sportvereniging. De ouders hebben weliswaar besproken dat [minderjarige] op voetbal en tennis zou gaan, nadat hij klaar zou zijn met zwemles, maar de vader is bang dat de moeder hier niet meer aan mee wil werken nu zij niet mag verhuizen naar [plaats 1].



De rechtbank zal de verzoeken van de vader tot inschrijving van [minderjarige] op de basisschool en bij de sportvereniging in [plaats 2] afwijzen. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat beide ouders aangegeven dat de communicatie goed verloopt en zij elkaar op de hoogte houden over [minderjarige]. De mogelijke verhuizing van de moeder naar [plaats 1] was het hete hangijzer tussen de ouders. Nu de rechtbank daar een beslissing over heeft genomen, gaat de rechtbank ervan uit dat de ouders hun goede verstandhouding zullen doorzetten en gezamenlijk gezagsbeslissingen zullen nemen over [minderjarige]. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de bezwaren van de vader, temeer nu hij geen andere argumenten heeft aangedragen waaruit blijkt dat de ouders hier niet samen uit zullen komen.




Beslissing
De rechtbank:


wijst de verzoeken van de ouders af.










Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 23 juli 2026.