Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:9636

2026-07-03 Civiel recht; Personen- en familierecht C/15/379729
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-07-03
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/15/379729
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vervangende toestemming voor verhuizing met dochter naar Litouwen en inschrijving dochter op adres en school in Litouwen. Aanpassing zorgregeling. Vorderingen vader met verbod tot betreden voormalige echtelijke woning zonder zijn toestemming toegewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.421 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: C/15/379729 / KG ZA 26-390




Vonnis in kort geding van 3 augustus 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. H.M.A. over de Linden,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats 1],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.L. Scheltens.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 15
- de aanvullende producties 8 en 9 van de vader- de mondelinge behandeling van 27 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Voor de mondelinge behandeling op 27 juli 2026 zijn verschenen: de vader, bijgestaan door mr. Over de Linden en de moeder, bijgestaan door mevrouw [tolk], tolk in de Russische taal en mr. Scheltens.



1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2], de minderjarige kinderen van partijen, naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover op 20 juli 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter.

[minderjarige 2] heeft ook zelf een brief gestuurd naar de kinderrechter. Die brief is in behandeling bij de kinderrechter in deze rechtbank onder zaaknummer C/15/380023. Met [minderjarige 2] is tijdens haar gesprek met de kinderrechter afgesproken dat de brief ook wordt gevoegd in het dossier van het onderhavige kort geding en dat zij in de zaak van haar brief afzonderlijk door de kinderrechter wordt geïnformeerd over de afloop.




1.4.
Tenslotte is vonnis bepaald.




2De feiten


2.1.
Partijen zijn voormalig echtelieden. De echtscheiding is uitgesproken bij beschikking van 7 januari 2026 van de rechtbank Amsterdam.



2.2.
Uit het huwelijk tussen partijen zijn twee, thans nog minderjarige, kinderen geboren, te weten:



[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [plaats 2] (Rusland),



[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [plaats 2] (Rusland).





2.3.

Op 11 november 2025 hebben partijen over hun echtscheiding afspraken gemaakt in een convenant en in een ouderschapsplan.
In het convenant is onder meer bepaald: “Het streven is dat de vrouw binnen 4

maanden na ondertekening van het convenant eigen woonruimte kan betrekken.


Mocht de vrouw aantoonbaar voldoende inspanning hebben verricht en is het


vinden van een eigen woonruimte desondanks nog niet gelukt, dan zullen partijen


deze afspraaktermijn in onderling overleg verlengen.”





2.4.
In het ouderschapsplan is een co-ouderschapsregeling overeengekomen, waarbij de kinderen in de oneven weken bij de moeder verblijven en in de even weken bij de vader. Het wisselmoment is maandag uit school. Voorafgaande aan de ondertekening van het ouderschapsplan door partijen op 11 november 2025, hebben de kinderen in een kindverklaring aangegeven in te stemmen met het ouderschapsplan.



2.5.
Van de voormalig echtelijke woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 1] (hierna: de woning) waren partijen gezamenlijk eigenaar. Op 7 april 2026 heeft de moeder haar aandeel in de woning overgedragen aan de vader.



2.6.
De moeder heeft een zelfstandige woning gevonden in Litouwen. Zij heeft daar ook een dienstbetrekking gevonden. Zij wenst met [minderjarige 2] op korte termijn naar Litouwen te verhuizen. Partijen hebben hierover meerdere keren gesproken. Aanvankelijk werd daarbij gesproken over 1 juli 2026. De vader heeft echter geen toestemming gegeven.



2.7.

In een bericht van 4 juli jl. heeft de vader onder meer geschreven aan de moeder:

(…) Wat betreft [minderjarige 2]: ik ben bereid om mee te werken aan haar verhuizing naar Litouwen, maar uitsluitend nadat we hierover samen afspraken hebben gemaakt via de mediator. (…)

De mediation tussen partijen is na één gesprek door moeder beëindigd, zonder dat partijen nadere afspraken hebben gemaakt.






3Het geschil


3.1.
De vader vordert samengevat dat de voorzieningenrechter de moeder veroordeelt om binnen 2 weken na de datum van dit vonnis:(i) de (voormalig gezamenlijke) woning te verlaten en daar niet meer terug te keren, ook niet om de kinderen te bezoeken, spullen op te halen of anderszins tenzij de vader daartoe uitdrukkelijk schriftelijke toestemming heeft gegeven, (ii) haar persoonlijke spullen voor zover deze zich nog in de woning bevinden mee te nemen, (iii) de huissleutels van de woning aan de vader over te dragen, (iv) zich uit te schrijven uit de gemeentelijke basisadministratie op het adres van de woning, (v) haar beautysalon onder de naam [bedrijf] uit te schrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel op het adres van de woning, en dat de voorzieningenrechter:(vi) de vader een machtiging verleent om de moeder eigenhandig uit de woning of de tuin gelegen op het adres [adres] te ([postcode]) [plaats 1] te verwijderen met behulp van politie en justitie indien de moeder weigert, (vii) bepaalt dat het kind [minderjarige 2] niet wordt uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie van [gemeente] en niet wordt ingeschreven in Litouwen, (viii) het kind [minderjarige 2] niet van school wordt uitgeschreven en niet op een school in Litouwen wordt ingeschreven, (ix) beide kinderen ([minderjarige 2] en [minderjarige 1]) niet langer dan de afgesproken vakantieperiode buiten Nederland verblijven, (x) in geval er kosten zijn gemaakt ten aanzien van de verwijdering van de moeder uit de woning of te voorkomen dat zij de woning zal betreden, de vader deze kosten integraal kan verhalen op de moeder. Dit geldt ook voor kosten voor het verwijderen en opruimen van persoonlijke bezittingen van de moeder indien niet opgehaald binnen 2 weken na de datum van dit vonnis.Een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure.



3.2.
De vader legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de moeder onrechtmatig handelt jegens hem. Hij stelt dat de moeder van plan is samen met de kinderen terug te keren in de woning na de vakantie met de kinderen in Litouwen. Hij is het hier niet mee eens en stelt dat hij daarom een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Hij wijst er op dat in het convenant is afgesproken dat de moeder binnen 4 maanden een andere woning gevonden had moeten hebben, te rekenen vanaf 11 november 2025 en dat die termijn inmiddels verstreken is, dat zij haar aandeel in de woning ook al aan hem heeft overgedragen en dat hij haar inmiddels ook de overbedelingssom van € 218.000,- heeft uitbetaald. Volgens hem heeft de moeder niet voldoende haar best gedaan om een andere woning te vinden in Nederland, alleen in Litouwen. Zij heeft niet langer recht in de woning te verblijven.



3.3.
De moeder voert verweer. Zij voert aan dat zij helemaal niet bij de vader wil wonen en dat zij ook geen spullen meer heeft in de woning. Zij erkent dat zij nog wel ingeschreven staat op het adres van de woning, dat ook haar bedrijf daar nog op ingeschreven staat en dat zij nog de sleutels in haar bezit heeft, maar zegt toe dat zij dit op korte termijn in orde zal maken. Volgens de moeder heeft zij al vanaf begin dit jaar aan de vader laten weten dat zij met [minderjarige 2] in Litouwen wil gaan wonen en had de vader daar aanvankelijk ook geen bezwaar tegen en stemde hij daarmee in, waarna zij alles is gaan voorbereiden. Inmiddels heeft zij woning, werk en school geregeld, maar heeft de vader zijn toestemming weer ingetrokken. Hij wil nu alleen instemmen als de moeder instemt met een wijziging (verlaging) van de door hem te betalen alimentatie. Hiermee heeft de moeder niet ingestemd en zij wijst er op dat de vader tot op heden in het geheel nog geen kinderalimentatie heeft betaald.



3.4.
In reconventie vordert de moeder dat de voorzieningenrechter: (i) de door de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 7 januari 2026 en het daaraan gehechte ouderschapsplan vastgestelde zorgregeling wijzigt in die zin dat er voor de vader slechts recht op contact met [minderjarige 2] zal bestaan gedurende maximaal een week gedurende de herfstvakantie, maximaal een week gedurende de Kerst- of voorjaarsvakantie en maximaal drie weken gedurende de zomervakantie, waarbij de exacte invulling door de ouders in onderling overleg zal moeten gebeuren en voorzover [minderjarige 2] daar aan toe is en er mee akkoord gaat, (ii) vervangende toestemming verleent voor de verhuizing van [minderjarige 2] naar Litouwen op de kortst mogelijke termijn, waarbij de toestemming van de voorzieningenrechter die van de vader vervangt en (iii) vervangende toestemming verleent om [minderjarige 2] bij de gemeente [plaats 3] te Litouwen op het nieuwe adres in te schrijven, waarbij de toestemming van de voorzieningenrechter die van de vader vervangt, met compensatie van de proceskosten.



3.5.
De vader voert verweer op de gronden die hij in conventie heeft aangevoerd.



3.6.
Op de stellingen van partijen gaat de voorzieningenrechter hierna, voor zover relevant voor de beslissing, nader in.





4De beoordeling



in conventie en in reconventie





Spoedeisend belang




4.1.
Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven.



4.2.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechter neemt een beslissing die hij in het belang van het kind wenselijk vindt. Alvorens te beslissen moet de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders beproeven.



4.3.
Op de zitting is gebleken dat een vergelijk tussen de ouders niet mogelijk is.



Toegang tot de woning en ophalen spullen





4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vader onvoldoende belang heeft bij het door hem gevorderde gebod om de woning te verlaten aangezien de moeder helemaal niet in de woning wil verblijven. Dit deel van de vordering wordt afgewezen. Ook de vordering om de moeder te veroordelen haar spullen op te halen uit de woning wordt afgewezen omdat de moeder heeft verklaard dat zij geen spullen meer heeft in de woning die zij wenst op te halen. Dit betekent dat voor zover er nog spullen van de moeder in de woning zijn, de vader daarmee kan doen wat hij wil. Zijn vordering om voorzover hij voor het afvoeren van spullen kosten moet maken deze integraal op de moeder te mogen verhalen wordt afgewezen. Hij heeft onvoldoende onderbouwd om wat voor spullen het dan gaat en dat er een noodzaak bestaat om voor het afvoeren daarvan kosten te maken.



4.5.
De vader heeft nog gevorderd dat het de moeder wordt verboden de woning te betreden zonder zijn schriftelijke toestemming. Dit deel van zijn vordering kan worden toegewezen met dien verstande dat de vereiste toestemming niet schriftelijk hoeft te worden gegeven. De moeder heeft haar aandeel in de eigendom van de woning aan de vader overgedragen en de vader heeft haar de overwaarde vergoed. Dit betekent dat de woning nu volledig eigendom van de vader is. Daaruit volgt dat de moeder de woning niet meer mag betreden zonder toestemming van de vader. Daarbij zal niet worden bepaald dat de moeder de kinderen niet in de woning mag bezoeken. Dit dienen partijen in onderling overleg naar het moment te beoordelen. Ook dan blijft het echter aan de vader om de moeder toestemming te geven. Op dit moment beschikt de moeder nog over de sleutels van de woning. Zij zal worden veroordeeld om die sleutels aan de vader af te geven. Ook zal zij worden veroordeeld om zowel zichzelf als haar eenmanszaak te laten uitschrijven van het adres van de woning. Omdat de moeder heeft verklaard dat zij dit op korte termijn zal regelen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden als prikkel tot nakoming. Dat deel van de vordering wordt afgewezen.



4.6.
De vordering van de vader om hem machtiging te verlenen om de vrouw eigenhandig uit de woning of de tuin te mogen verwijderen met behulp van politie en justitie wordt afgewezen. De vader heeft zijn belang bij de gevorderde machtiging onvoldoende onderbouwd. Gelet op hetgeen hierna in reconventie zal worden overwogen en beslist, is er voor de moeder ook geen reden meer om naar de woning terug te keren.



Verhuizing van moeder met [minderjarige 2] naar Litouwen





4.7.
Het geschil tussen partijen draait feitelijk voornamelijk over de vraag of de moeder met [minderjarige 2] naar Litouwen mag verhuizen of niet. De vader vordert dat het de moeder verboden wordt om [minderjarige 2] uit te laten schrijven van het adres van de woning en bij haar school en haar in te schrijven op een adres en school in Litouwen. Het gezin is bijna 11 jaar geleden naar Nederland is gekomen vanuit Rusland toen [minderjarige 2] 2 jaar oud was. Zij is in Nederland opgegroeid en gaat hier naar school. Een verhuizing is voor [minderjarige 2] niet alleen zeer ingrijpend, maar betekent ook dat de eind vorig jaar in het ouderschapsplan overeengekomen co-ouderschapsregeling niet kan worden nagekomen.



4.8.
De moeder voert aan dat de vader aanvankelijk toestemming heeft gegeven voor de verhuizing van [minderjarige 2] naar Litouwen, maar dat hij het niet eens is met de hoogte van de alimentatie die hij moet betalen en daarom nu zijn toestemming weigert. [minderjarige 2] wil zelf echter ook graag naar Litouwen verhuizen en heeft in voorbereiding daarop ook al toelatingsexamen gedaan op het gymnasium in [plaats 3], waar zij is toegelaten. [minderjarige 2] wil beslist niet bij haar vader blijven wonen omdat zij bang is voor hem. De moeder erkent dat zij had ingestemd met het voorstel van de vader tot een co-ouderschapsregeling in het ouderschapsplan, maar dat heeft zij alleen gedaan om de echtscheidingsprocedure zo snel mogelijk te laten verlopen en achter de rug te hebben. De moeder heeft benadrukt dat een co-ouderschapsregeling niet haar wens is en ook niet de wens van de kinderen. Ook de kinderen hebben toen verklaard ermee in te stemmen om de spanning van de echtscheidingsprocedure zo snel mogelijk achter de rug te hebben, aldus de moeder. In reconventie vordert de moeder dat haar vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige 2] naar Litouwen te verhuizen.



4.9.

[minderjarige 2] en haar broer [minderjarige 1] hebben ieder afzonderlijk hun mening gegeven in een gesprek met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft verteld dat zij graag met haar moeder wil verhuizen naar Litouwen omdat zij daar familie en vrienden heeft. De mensen die zij in Nederland achterlaat kan zij in de vakanties bezoeken als zij naar Nederland komt. Ook heeft zij verklaard dat zij in Litouwen al toegelaten is op een school en dat zij daar ook naar een dansschool kan. Verder heeft [minderjarige 2] aangegeven dat zij zeker niet bij haar vader wil blijven wonen omdat hij vaak agressief is en schreeuwt en soms ook een tik geeft. Om er zeker van te zijn dat de kinderrechter weet dat zij echt zelf wil verhuizen, heeft zij ook een kindbrief gestuurd naar de kinderrechter. Die brief is bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/15/380023. Die procedure wordt los van het onderhavige kort geding met [minderjarige 2] afgehandeld, maar een kopie van de brief is in overleg met [minderjarige 2] ook aan het dossier in dit kort geding toegevoegd. Uit die brief blijkt dat het plan was dat zij met haar moeder vanaf 1 juli 2026 naar Litouwen zou verhuizen en dat haar vader daar niet tegen was, maar dat het haar vader en moeder niet is gelukt om daarover in juni afspraken te maken waarna haar vader haar geen toestemming wilde geven.



4.10.

[minderjarige 1] verhuist niet mee naar Litouwen, maar ook hij heeft de kinderrechter laten weten wat hij er van vindt. Hij vindt het goed als [minderjarige 2] met hun moeder naar Litouwen verhuist. Hij heeft verklaard dat hij wel herkent wat [minderjarige 2] allemaal schrijft en dat hij contact kan houden met zijn moeder en [minderjarige 2] via videobellen en door ze in de vakanties op te zoeken. Hij wil hier in Nederland zijn school afmaken en zal volgend jaar eindexamen doen, maar hij wil niet bij zijn vader blijven wonen. Hij hoopt op een plek in het kader van begeleid wonen. Als dat niet lukt, zijn er mensen die hem tijdelijk kunnen en willen opvangen. De vader reageert vaak onvoorspelbaar en [minderjarige 1] is altijd op zijn hoede voor wat zijn vader zal doen, vooral sinds hij zijn zusje in bescherming ging nemen. Na zijn eindexamen wil hij gaan studeren aan de TU Delft of aan de universiteit in [plaats 3] in Litouwen, afhankelijk van de woonsituatie dan. Hij wil geen vaste omgangsregeling met zijn vader , maar naar hem toegaan als hij dat zelf wil. Hij heeft indertijd ingestemd met de co-ouderschapsregeling omdat de scheiding dan het snelst geregeld zou zijn. Hij vindt het wel goed om op het adres van de vader ingeschreven te blijven zodat hij daar zijn post kan halen, maar hij wil niet dat zijn vader hem dan gaat lastig vallen. Volgens [minderjarige 1] zegt zijn vader vaak slechte dingen over zijn moeder en dat vindt hij niet fijn.



4.11.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Met betrekking tot [minderjarige 1] ligt er geen vordering voor ter beoordeling, maar de moeder heeft verklaard dat zij voor een oplossing voor [minderjarige 1] in gesprek is met Jeugdzorg en Veilig Thuis. Op dit moment wil en zal [minderjarige 1] in ieder geval niet meeverhuizen naar Litouwen. De verhuizing betreft dus alleen [minderjarige 2].



4.12.
Toewijzing van een vordering tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met een minderjarige, in dit geval met de moeder naar Litouwen, heeft zeer verstrekkende gevolgen en betekent in de praktijk dat de minderjarige op korte termijn met de moeder zal verhuizen naar Litouwen hetgeen de omgang met de vader bemoeilijkt en het co-ouderschap onmogelijk maakt. Toewijzing van een vordering met dergelijke verstrekkende gevolgen is in kort geding in beginsel alleen mogelijk als in voldoende mate komt vast te staan dat deze vordering ook in een bodemprocedure zal worden toegewezen.



4.13.

Over vervangende toestemming voor een verhuizing heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 25 april 2008 bepaald dat uit de omstandigheid dat in art. 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.
Dit betekent dat de mening van [minderjarige 2] (en in mindere mate ook van [minderjarige 1]) wel meegewogen wordt maar niet per definitie van doorslaggevend belang is.




4.14.
In dit kort geding zijn de volgende omstandigheden van belang.



4.15.
Het gaat om een verhuizing van de moeder met [minderjarige 2] (13 jaar oud) naar Litouwen. De moeder is oorspronkelijk afkomstig uit Litouwen en het gezin heeft vele vakanties doorgebracht in Litouwen, zodat het in Litouwen niet onbekend is voor [minderjarige 2]. De familie van moeder woont daar. Hoewel het gezin ongeveer 11 jaar geleden van Rusland naar Nederland is gekomen, bestaat er voor de moeder in Nederland nog steeds een taalbarrière waardoor zij moeilijk aan werk kan komen. Tijdens het huwelijk had zij alleen eigen inkomsten door (parttime) als schoonheidsspecialist in haar eigen bedrijf werkzaam te zijn. Zij heeft uit dit bedrijf slechts een beperkte omzet van circa € 5.000,- bruto. In Litouwen kan zij administratief werk gaan verrichten waardoor zij haar inkomenspositie kan verbeteren. Op basis van haar huidige inkomsten zal het voor haar nagenoeg onmogelijk zijn om in aanmerking te komen voor een huurwoning gelet op de eisen die verhuurders stellen aan het inkomen van een potentiële huurder. Ook een koopwoning behoort niet tot de mogelijkheden voor de moeder. Weliswaar heeft zij een overbedelingssom van circa € 218.000,- ontvangen van de man, maar met dat bedrag is het voor haar niet mogelijk een woning te kopen in de regio [gemeente] die ook geschikt is voor de kinderen. Op basis van haar beperkte inkomen uit eigen onderneming zal zij bovendien geen hypotheek krijgen. Dit betekent dat de moeder niet op korte termijn in Nederland geschikte woonruimte zal vinden voor haar en de kinderen. Omdat de vader haar niet langer wil toelaten tot de woning heeft de moeder dan ook geen woonplek in Nederland. De moeder zou haar inkomenspositie mogelijk kunnen verbeteren door meer klanten te gaan behandelen, maar het werven van meer klanten zal veel tijd kosten. Bovendien betaalt de administratieve baan in Litouwen beter. Bij die stand van zaken en met haar achtergrond is haar keuze om na de echtscheiding terug te keren naar Litouwen een logische keuze. In Litouwen heeft zij een huis gevonden en een baan op de administratie van een bank. Zij wenst dat [minderjarige 2] met haar mee verhuist naar Litouwen.



4.16.
Uit de overgelegde stukken (berichten tussen partijen) blijkt dat partijen vanaf begin dit jaar regelmatig met elkaar over die verhuizing hebben gesproken, dat de vader aanvankelijk geen bezwaar maakte tegen een verhuizing van [minderjarige 2] met de moeder naar Litouwen en dat daarover ook met [minderjarige 2] werd gesproken. Dit blijkt onder meer uit een recent bericht van de vader 4 juli 2026 waarin hij de moeder meedeelt dat hij bereid is mee te werken aan een verhuizing van [minderjarige 2] naar Litouwen. Daaraan verbindt hij wel de voorwaarde dat partijen afspraken maken bij de mediator. De mediation is geen succes geworden. De moeder wenst niet in te stemmen met verlaging van het overeengekomen bedrag van de kinderalimentatie. Weliswaar heeft de vader ter zitting ontkend dat hij een financieel motief heeft waarop zijn bezwaar tegen de verhuizing is gebaseerd, maar hij heeft wel meerdere keren herhaald dat het leven in Litouwen 30-40% goedkoper is dan in Nederland en dat de moeder met het geld dat zij van hem krijgt mooi wil leven in Litouwen. Partijen hebben in het ouderschapsplan afspraken gemaakt over de hoogte van de kinderalimentatie. Als de vader het met die afspraak niet langer eens is, zal hij - nu partijen daarover niet in onderling overleg tot andere afspraken kunnen komen - in een bodemprocedure wijziging van het overeengekomen bedrag moeten verzoeken. Hij kan die wijziging niet eenzijdig afdwingen door verlaging van het bedrag als voorwaarde te stellen voor het geven van zijn toestemming voor de verhuizing van [minderjarige 2]. Dergelijke gedragingen zijn ook niet in het belang van [minderjarige 2] te achten. Daar komt bij dat de moeder heeft verklaard dat de vader de overeengekomen onderhoudsbijdrage tot nu toe nog helemaal niet heeft betaald. De vader heeft dit niet weersproken.



4.17.

Ter zitting heeft de vader aangegeven dat hij niet wil dat [minderjarige 2] naar Litouwen verhuist omdat het onderwijs in Nederland beter is dan het onderwijs in Litouwen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat hij dit argument niet eerder als bezwaar naar voren heeft gebracht. Hij heeft dit betoog ook niet met bewijsstukken onderbouwd, zodat hieraan voorbij gegaan wordt, nog daargelaten dat de kwaliteit van het onderwijs niet de enige factor is die voor het welzijn van kinderen van belang is of kan zijn.
Ook heeft hij nog aangevoerd dat [minderjarige 2] geen Litouws spreekt, zodat het voor haar moeilijk wordt op school. De moeder heeft evenwel verklaard dat de lessen die [minderjarige 2] gaat volgen in het Russisch worden gegeven zodat dit voor [minderjarige 2] goed te volgen is, vooral omdat het gezin thuis ook Russisch sprak. Daarnaast zal [minderjarige 2] ook Litouws gaan leren.




4.18.
Op grond van al het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter de vervangende toestemming op basis van die omstandigheden zal verlenen. De moeder heeft een concreet en uitgewerkt plan dat ook in de belangen van de minderjarige dochter voorziet, die dochter wenst de verhuizing zelf ook en hetgeen de vader daar tegen over stelt, weegt daar niet tegen op. Bij deze stand van zaken kan de vereiste toestemming ook nu in dit kort geding worden gegeven.



4.19.
Uit de voorgaande beslissing volgt dat het door de vader gevorderde verbod om [minderjarige 2] te laten uitschrijven van het adres en van haar school in Nederland wordt afgewezen. De vordering van de moeder om vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] in te schrijven op het adres en op de school in [plaats 3] (Litouwen) zal worden toegewezen.



Aanpassing zorgregeling





4.20.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat de vervangende toestemming om met [minderjarige 2] naar Litouwen te verhuizen aan de moeder zal worden verleend, bestaat er ook noodzaak om de overeengekomen co-ouderschapsregeling uit het ouderschapsplan voorlopig te wijzigen. De door de moeder gevorderde wijziging, waarbij de vader [minderjarige 2] in ieder geval in de herfst- en kerstvakantie en de zomervakantie kan zien, zal worden toegewezen op de wijze als hierna te vermelden. De voorzieningenrechter zal daarbij echter ook bepalen dat de vader eenmaal per week via videobellen contact met [minderjarige 2] mag hebben.



4.21.
De vordering van de man om te bepalen dat de beide kinderen niet langer dan de afgesproken vakantieperiode buiten Nederland verblijven wordt afgewezen bij gebrek aan belang. Voor wat betreft [minderjarige 1] geldt dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat gevreesd moet worden dat [minderjarige 1] niet tijdig naar Nederland zal terugkeren na een vakantieperiode. Ook uit de eigen verklaring van [minderjarige 1] blijkt niet dat daarvoor gevreesd moet worden.



Proceskosten





4.22.
Omdat partijen voormalig echtelieden zijn, zullen de proceskosten zowel in conventie als in reconventie worden gecompenseerd.





5De beslissing


De voorzieningenrechter




in conventie




5.1.
bepaalt dat de moeder de woning niet meer mag betreden zonder uitdrukkelijke toestemming van de vader,



5.2.
veroordeelt de moeder om binnen twee weken na de datum van dit vonnis de huissleutels van de woning aan de man over te dragen,



5.3.
veroordeelt de moeder om zich binnen twee weken na de datum van dit vonnis uit te laten schrijven uit de gemeentelijke basisadministratie van het adres van de woning,



5.4.
veroordeelt de moeder om binnen twee weken na de datum van dit vonnis haar beautysalon onder de naam ‘[bedrijf]’ uit te schrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel op het adres van de woning,



in reconventie





5.5.

wijzigt voorlopig de door de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 7 januari 2026 en het daaraan gehechte document ouderschapsplan vastgestelde zorgregeling in die zin dat de vader slechts recht op omgang met [minderjarige 2] heeft gedurende maximaal een week
gedurende de herfstvakantie, maximaal een week gedurende de Kerst- of voorjaarvakantie en maximaal drie weken gedurende de zomervakantie, waarbij steeds de exacte invulling door partijen in onderling overleg moet worden vastgesteld, waarbij ook de wensen van [minderjarige 2] worden meegewogen,




5.6.
bepaalt dat de vader voorts tenminste eenmaal per week via videobellen contact met [minderjarige 2] mag hebben,



5.7.
verleent de moeder vervangende toestemming voor de verhuizing van [minderjarige 2] naar Litouwen op de kortst mogelijke termijn, waarbij deze toestemming de toestemming van de vader vervangt,



5.8.
verleent de moeder vervangende toestemming om [minderjarige 2] bij de gemeente [plaats 3] te Litouwen op het nieuwe adres in te schrijven, waarbij deze toestemming de toestemming van de vader vervangt,



5.9.
verleent de moeder vervangende toestemming om [minderjarige 2] in te schrijven op het Santaros-Gymnasium te [plaats 3] in Litouwen, waarbij deze toestemming de toestemming van de vader vervangt,



in conventie en in reconventie voorts





5.10.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.11.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.12.
wijst af het meer of anders gevorderde.











Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026.















































1155




ECLI:NL:HR:2008:BC5901