Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12339

2026-08-21 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/717414 / FA RK 26-2595
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-21
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/717414 / FA RK 26-2595
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 1:253a BW, vervangende toestemming verhuizing, gelijktijdig met verzoek voorlopige voorziening in het kader van de echtscheiding, afgewezen vanwege ontbreken noodzaak en andere belangen van de andere ouder en de minderjarigen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.329 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



Zaaknummer / rekestnummer: C/10/717414 / FA RK 26-2595




Beschikking van 21 augustus 2026 over vervangende toestemming op grond van artikel 1:253a BW




in de zaak van:





[naam 1]
, hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. C.N.M. Schep te Oud-Beijerland,



t e g e n





[naam 2]
, hierna: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. H.D. van den Berg te Dordrecht.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 31 maart 2026;


het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 24 juli 2026;


het bericht met bijlagen van de vrouw van 29 juli 2026;


het bericht met bijlagen van de man van 6 augustus 2026.





1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de man, bijgestaan door zijn advocaat;


de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .





1.3
Tijdens de zitting hebben beide advocaten een pleitnotitie overgelegd.



1.4
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 11 augustus 2026 een gesprek met de kinderrechter gehad.



1.5
De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van het verzoek bekend onder nummer C/10/717410 / FA RK 26-2593. Daarop zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.









2De vaststaande feiten


2.1
Partijen zijn op [huwelijksdag] 2012 te [plaats 4] met elkaar gehuwd.



2.2

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 te [geboorteplaats] .




2.3
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.






3De beoordeling


3.1

Verzoek tot verhuizing



3.1.1
De vrouw verzoekt – na wijziging tijdens de mondelinge behandeling– te bepalen dat zij gerechtigd is om voorlopig met de minderjarige kinderen te verhuizen naar de woning van haar ouders in [plaats 2] , om vervolgens een (eigen) woning in [plaats 2] , [plaats 3] of [plaats 4] te accepteren.



3.1.2
De man voert gemotiveerd verweer.



3.1.3
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige(n) wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder vervangende toestemming moet krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarige(n) weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak moet de rechter bij de beslissing in een geschil als dit alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen (zie ook HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).



3.1.4
Tegenover het belang van een ouder bij wie de minderjarigen hoofdverblijfplaats hebben om de gelegenheid te krijgen om met de minderjarigen elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, kunnen andere belangen van de minderjarigen of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden:


de noodzaak om te verhuizen;


de reisafstand en/of de reisduur;


een goede voorbereiding van de verhuizing;


het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;


de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;


de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de andere ouder voor en na de verhuizing;


de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;


de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg;


de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin de minderjarigen geworteld zijn in de omgeving of juist extra gewend zijn aan verhuizingen.





3.1.5
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om met de minderjarigen te mogen verhuizen afwijzen en legt hierna uit waarom.



3.1.6
Het belang van de vrouw bij een verhuizing naar [plaats 2] , [plaats 3] of [plaats 4] lijkt vooral te zijn ingegeven door haar stellige wens sinds 5 mei 2025 om na de scheiding een nieuwe start te maken in de regio waar zij zich het prettigst voelt. De achtergrond die de vrouw daartoe heeft geschetst, is als volgt. De vrouw is in de regio [plaats 4] opgegroeid. Zij heeft daar dertig jaar gewoond en tot 2019 gewerkt. Voorafgaand aan het huwelijk met de man is de vrouw in de [plaats 1] gaan wonen om daar een gezamenlijke toekomst op te bouwen, waar de man toen al woonde. Tijdens het huwelijk heeft zij haar carrière, inkomen en netwerk opzij gezet voor het gezin en de onderneming van de man. Inmiddels is de relatie met de man geëindigd en wordt de vrouw geconfronteerd met de gevolgen van de huwelijkse voorwaarden die partijen hebben gesloten, die volgens haar een koude uitsluiting inhouden. Doordat de echtelijke woning tot het eigendom van de man behoort en de vrouw tot rondom de feitelijke breuk werkzaamheden in de onderneming van de man verrichte, moet de vrouw zich heroriënteren op haar toekomst wat wonen en werken betreft. In de optiek van de vrouw zijn haar kansen en vooruitzichten in de regio [plaats 4] het best. Omdat de vrouw al sinds 3 oktober 2010 in de regio [plaats 4] staat ingeschreven voor een sociale huurwoning, heeft zij al diverse keren op nummer 1 gestaan en komt zij binnen de kortste keren in aanmerking voor een woning daar. Tot die tijd kunnen de vrouw en de minderjarigen, die sinds de feitelijke breuk hoofdzakelijk bij de vrouw zijn geweest, een zelfstandige etage in de woning van haar ouders in [plaats 2] betrekken. De vrouw zou namelijk per direct willen verhuizen, zodat de minderjarigen vanaf het nieuwe schooljaar van 2026/2027 in de nieuwe woonplaats kunnen starten. Verder komt de verhuiswens van de vrouw voort uit de omstandigheid dat zij in de regio [plaats 4] kunnen terugvallen op een sociaal vangnet, omdat haar familie- en kennissenkring zich voornamelijk daar bevindt.



3.1.7
Hoewel de wens en behoefte van de vrouw om haar leven na de scheiding in de voor haar vertrouwde en bekende omgeving te kunnen inrichten begrijpelijk en invoelbaar is, is dit onvoldoende om een noodzaak om te verhuizen vast te stellen. Niet is gesteld of gebleken dat er andere specifieke omstandigheden zijn die maken dat de vrouw op korte termijn alleen in de regio [plaats 4] kan gaan wonen. Wat wel vaststaat, is dat de echtelijke woning op enig moment zal worden verkocht en dat de vrouw en de minderjarigen dus uit die vertrouwde woning zullen moeten verhuizen. Omdat in de voorlopige voorzieningenprocedure de toevertrouwing van de minderjarigen en het uitsluitend gebruiksrecht van de echtelijke woning aan de vrouw zijn toegewezen, zal zij niet op stel en sprong hoeven te verhuizen, maar wel in de (nabije) toekomst. Uit de stukken is gebleken dat de vrouw een zeer goede positie heeft om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning in [plaats 4] . Tegelijkertijd heeft de vrouw echter onvoldoende aangetoond dat zij in de [plaats 1] in diezelfde (nabije) toekomst geen woning kan bemachtigen. Anders gezegd: de vrouw kan voorlopig nog in de echtelijke woning blijven wonen en op termijn, als zij uit de echtelijke woning moet verhuizen, zal zij mogelijk net zo veel kans hebben om in [plaats 4] als in de [plaats 1] in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning.



3.1.8

De vrouw heeft in de stukken slechts drie resultaten laten zien van haar pogingen om een sociale huurwoning in de regio [plaats 1] te vinden. Uit deze pogingen blijkt dat zij een keer is geëindigd op positie 43 van 425, een keer op positie 179 van 605 (productie 4) en een keer op positie 134 van 527 (productie 18).
Haar beschrijving bij de twee resultaten in productie 4 luidt: “Gereageerd sociale huurwoningen, maar 2 stuks die passen bij mijn profiel (11 maanden tijd)”. Het is echter onduidelijk welke zoekfilters de vrouw heeft aangezet, en of zij met minder of andere zoekfilters wellicht meer resultaten zou hebben gehad die nog steeds passend zijn. Bovendien heeft de man aangevoerd dat de vrouw, sinds 2020, staat ingeschreven bij [woningbouwcorporatie] , de woningbouwvereniging in de [plaats 1] . Zij heeft volgens de man twee registratienummers. Het ene inschrijfnummer begint met 2020, en het andere nummer met 2023, waarbij de rechtbank op basis van de stelling van de man en gezien productie 4, waarin als inschrijfdatum 16 april 2023 staat vermeld, ervan uitgaat dat die begincijfers het jaartal van inschrijving aanduiden. Uit productie 4 en 18 blijkt dat de vrouw uitsluitend heeft gereageerd met haar inschrijfnummer uit 2023. De vrouw heeft het bestaan van het inschrijfnummer uit 2020 echter niet betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat het voor haar en [woningbouwcorporatie] een raadsel is hoe het kan dat zij twee inschrijfnummers heeft, omdat dit normaal gesproken niet mogelijk is, zo heeft [woningbouwcorporatie] tegen haar gezegd. Daarmee is niet gesteld of gebleken dat de vrouw niet met haar inschrijfnummer uit 2020 kan reageren. Aangezien de vrouw met haar inschrijfnummer uit 2023 bij [woningbouwcorporatie] weliswaar een slechtere positie heeft dan met haar inschrijving in regio [plaats 4] , maar met een positie van 53/425, 179/605 en 134/527 toch al een eind gevorderd is op de wachtlijst voor een woning in de [plaats 1] , is de verwachting dat de vrouw met een inschrijfnummer uit 2020 een aanzienlijk betere positie kan hebben bij [woningbouwcorporatie] , gerechtvaardigd.




3.1.9
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van een noodzaak om te verhuizen, waardoor alleen de wens en behoefte van de vrouw daartoe overblijven. Dit belang van de vrouw weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen andere belangen van de minderjarigen en de man, die zijn gelegen in behoud van de omgeving waarin de minderjarigen zijn opgegroeid en (laagdrempelige) contactmogelijkheden tussen de minderjarigen en de man.



3.1.10
Het is een feit van algemene bekendheid dat verbreking van de continuïteit van woon- en sociale leefomgeving voor een kind ingrijpend is, zeker omdat er al zoveel verandert in het leven van kinderen met scheidende ouders. Vaststaat wel dat de vrouw en de minderjarigen op enig moment hoe dan ook zullen moeten verhuizen, omdat de echtelijke woning die eigendom is van de man zal worden verkocht. Voor een verhuizing van [plaats 1] naar [plaats 2] , [plaats 3] of [plaats 4] zal er voor de minderjarigen echter meer gaan veranderen dan alleen het huis waarin zij wonen. De minderjarigen zijn geboren en getogen in de [plaats 1] , waardoor al hun bezigheden en sociale contacten tot nu toe op de [plaats 1] zijn geconcentreerd. Een verhuizing zal betekenen dat hun school en plaats van activiteiten zullen veranderen. Naar inschatting van de rechtbank zal voor [minderjarige 1] de impact relatief meevallen. Zij zal met ingang van het schooljaar 2026/2027 de overgang van de basisschool naar de middelbare school maken. Dat is dus hoe dan ook een grote verandering. Daar komt bij dat zij is gaan kijken bij een school in [plaats 5] én [plaats 4] , en stellig meent dat de school in [plaats 4] leuker is dan de school in [plaats 5] . Het is voor de rechtbank duidelijk dat [minderjarige 1] haar zinnen, net als haar moeder, heeft gezet op een toekomst in [plaats 4] . [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zitten echter nog een tijdje op de basisschool. De vrouw heeft zich georiënteerd op andere basisscholen in de regio [plaats 4] en laten zien dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] daar kunnen starten op 31 augustus 2026. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn er echter niet van op de hoogte dat met deze procedure de mogelijkheid bestaat dat hun woonplaats en school gaan veranderen. Voor hen zal de impact van deze verandering, gezien hun leeftijd, het feit dat zij op dit moment nog van niets weten en het korte tijdsbestek tussen de datum van deze beschikking en de start van het nieuwe schooljaar op 31 augustus 2026, veel groter zijn dan voor [minderjarige 1] . Hoewel (jonge) kinderen over het algemeen flexibel zijn, is de rechtbank met deze plotselinge verandering en korte voorbereidingstijd bezorgd om de impact voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .



3.1.11

Verder is de omstandigheid dat partijen en de minderjarigen deelnemen aan een precair hulpverleningstraject bij Zicht op de Toekomst van bijzonder belang.
Tot juni 2026 is bijna een jaar lang uitvoering gegeven aan een voorlopige zorgregeling, waarbij er elke zondag contact is geweest tussen de minderjarigen en de man.
Vanaf juni 2026 is, in verband met onveiligheid tijdens de contactmomenten, gestart met begeleide contactmomenten bij Zicht op de Toekomst, waarbij partijen beiden handreikingen krijgen om op een positieve manier bij te dragen aan het verbeteren van de band en het contactherstel tussen de minderjarigen en de man. Daarbij heeft de man in de ene week een contactmoment met [minderjarige 1] en in de andere week met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , telkens apart van elkaar (één-op-één-momenten).
Dat partijen er beiden volmondig achter staan dat dit traject wordt doorgezet en hun inzet zo groot is, is knap en biedt de hoop dat het traject positief verloopt. Tegelijkertijd bevindt het traject zich nog in een kwetsbare (begin)fase en is er nog een lange weg te gaan. Het is op dit moment onzeker welke gevolgen een verhuizing naar een andere regio zal hebben op het contact tussen de minderjarigen en de man, zowel tijdens het traject als daarna wat betreft de mogelijkheden tot een zorgregeling in de toekomst.
Aan de ene kant heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de toezegging van de vrouw dat zij zich ook vanuit de regio [plaats 4] zal (kunnen) blijven inzetten voor de contactmomenten die op dit moment in [plaats 5] plaatsvinden, omdat – zoals verwoord door Zicht op de Toekomst – haar inzet er zeker is.
Aan de andere kant wordt het resultaat waar naar toe wordt gewerkt door een verhuizing naar [plaats 4] wel aan zekere banden gelegd. De doordeweekse en spontante contactmomenten die de man graag wil, zijn dan nauwelijks meer mogelijk. Daarbij vraagt de rechtbank zich af wat de stellige wens van de vrouw om terug te verhuizen naar de omgeving waarin zij zelf is opgegroeid, die zij al sinds de scheidingsmelding in mei 2025 koestert, doet in de dynamiek binnen het gezin, nu de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft verteld dat zij en de minderjarigen elk vrij moment dat zij hebben doorbrengen in [plaats 2], en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens het kindgesprek hebben verteld hoe ontzettend fijn zij het daar hebben. In het licht van het verslag van Zicht op de Toekomst dat door de man is ingediend als productie F, heeft de rechtbank grote zorgen als het gaat over deze uitspraken van de vrouw en de minderjarigen. In dat verslag is opgenomen dat ‘wordt gezien dat de kinderen vast zitten in een zwart-wit overtuiging en denkwijze’ ( [plaats 1] is slecht, en [plaats 3] is goed’), ‘in contact met vader zijn de kinderen respectloos’, en ‘bij de kinderen is ouderverstoting zichtbaar wat centraal staat tijdens de contactmomenten’. De rechtbank heeft goed gehoord dat de vrouw ervan is geschrokken dat de term ‘ouderverstoting’ wordt gebruikt, en dat het vanuit haar perspectief – op basis van haar negatieve herinneringen aan de dynamiek tussen de man en de minderjarigen tijdens het huwelijk, die zij heeft opgeschreven in haar ‘moederdossier’ maar die door de man zijn betwist – zo is dat het de kinderen zijn die de man als ouder verstoten, en dus niet de vrouw die de man als ouder wegduwt. Toch kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat die stellige wens van de vrouw om te verhuizen naar de regio [plaats 4], door de minderjarigen mogelijk wordt begrepen als of vertaald naar een verhuizing bij de man vandaan. De rechtbank is bezorgd dat de minderjarigen de wens van de vrouw op die manier hebben overgenomen, waardoor een verhuizing voor hen de gevoelsmatige afstand tot de man – die er nu al is, maar bij Zicht op de Toekomst getracht wordt zorgvuldig te verkleinen – mogelijk, onbewust en onbedoeld, juist vergroot.
Daar komt bij dat partijen op dit moment niet in staat zijn tot overleg samen, waardoor een figuurlijke én letterlijke afstand tussen hen als ouders, die worden geacht in het belang van hun kinderen samen te kunnen werken, momenteel totaal niet te overbruggen valt.




3.1.12

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat het in het kader van de weging van belangen niet onredelijk is om van de vrouw te verlangen dat zij voorlopig in de echtelijke woning blijft wonen en vanuit die thuisbasis meer pogingen blijft ondernemen om alsnog een woning (en eventueel werk) in de [plaats 1] te vinden. De rechtbank betrekt daarbij dat de vrouw het uitsluitend gebruiksrecht van de woning heeft gekregen, waarmee haar stellingen dat haar woonsituatie onhoudbaar is geworden door onaangekondigd binnentreden van de man en het niet mogen ontvangen van haar ouders in die woning, ook niet als achtervang voor de minderjarigen – voor zover de man die stellingen niet heeft betwist – inmiddels achterhaald zijn door de voorlopige voorzieningenbeschikking. Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat van de man – gelet op de financiële afspraken in de huwelijkse voorwaarden qua werk en wonen – kan worden gevergd dat de echtelijke woning voorlopig onverkocht blijft, bijvoorbeeld tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zoals gebruikelijk in veel echtscheidingsprocedures. Niet is gesteld of gebleken dat de man de bouw van de woning op het perceel van zijn ouders of de aankoop van de woning van zijn ouders binnenkort moet financieren met de opbrengst van de echtelijke woning. Daarmee draagt de man bij aan zijn wens om de minderjarigen in de [plaats 1] te houden.
De rechtbank heeft van beide partijen de wensen ten aanzien van de echtelijke woning gehoord, namelijk de wens van de vrouw om deze te verlaten en de wens van de man om tot verkoop te kunnen overgaan, maar deze wensen wegen niet op tegen de belangen die gediend zijn bij het verblijf van de minderjarigen in de [plaats 1] .




3.1.13
Samengevat is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat er op dit moment een noodzaak is om te verhuizen naar [plaats 2] , [plaats 3] of [plaats 4] . Haar wens en behoefte om te verhuizen wegen niet op tegen het belang van de man en de minderjarigen dat zij bij elkaar in de buurt blijven wonen en het belang van de minderjarigen, vooral van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , dat hun leefwereld niet te snel verandert.



3.1.14
Alle belangen tegen elkaar afwegend, wordt het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing afgewezen.



3.1.15
Omdat haar verzoek over de verhuizing wordt afgewezen, worden ook haar verzoeken over inschrijving bij scholen, de huisarts en de tandarts afgewezen. Het verzoek van de vrouw dat de minderjarigen in de Basisregistratie Personen worden ingeschreven op het adres van de vrouw, wordt bij gebrek aan belang afgewezen omdat in de voorlopige voorzieningenprocedure is bepaald dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw.



Kindbrief





3.1.16
Met de minderjarige [minderjarige 1] is afgesproken dat zij een brief krijgt waarin staat wat er is beslist en waarom. De kinderrechter zal de volgende tekst een aantal dagen na afgifte van de beschikking per e-mail aan de minderjarige sturen.



‘Beste [minderjarige 1] ,





Wij hebben elkaar op 11 augustus 2026 gesproken. Met deze brief laat ik je weten wat ik heb beslist en waarom.


Ik heb beslist dat jullie niet mogen verhuizen naar de omgeving [plaats 4] . Dat betekent dus dat je voorlopig met mama, [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het huis in [plaats 1] blijft wonen en dat je in [plaats 5] naar school gaat.





Met deze beslissing krijg je eindelijk de duidelijkheid waar je al zo lang terecht op zit te wachten. Maar ik weet dat je helemaal niet blij bent met deze beslissing. Misschien word je er zelfs boos en verdrietig van. Dat zou ik heel erg vervelend vinden want dat is natuurlijk nooit mijn bedoeling. Ik ga je zo goed mogelijk proberen uit te leggen waarom ik heb beslist wat ik heb beslist.





Tijdens het gesprek heb ik aangegeven dat ik niet alleen naar jouw wens luister maar dat er ‘1000 dingen’ zijn die ik moet afwegen bij zo’n grote beslissing en dat ik moet beslissen waarvan ik denk dat het voor jou, [minderjarige 2] en [minderjarige 3] het beste is. Dat heb ik gedaan. Heel kort gezegd vind ik dat jullie niet ‘moeten’ verhuizen, jullie ‘willen’ heel erg graag verhuizen. Tenminste, in ieder geval jij en mama willen heel graag verhuizen. Maar ik moet ook rekening houden met je broertjes en je vader. En als ik dan alles afweeg, dan is ‘willen’, ook als dat ‘super-echt-heel-erg-graag-willen is’, niet genoeg. Ik vind dat jullie eerst ‘super-echt-heel-erg-‘ moeten proberen om in de [plaats 1] te blijven. Waar jullie altijd hebben gewoond en waar jullie altijd naar school zijn gegaan. En hebben geleefd. En ik denk dat dat moet lukken en dat dat uiteindelijk ook echt voor iedereen het fijnst is.





Wat betekent dit nou voor jou? Je blijft dus voorlopig met mama en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in jullie ‘oude’ huis wonen. Ik heb beslist dat papa daar niet meer mag komen zonder toestemming. Het huis zal over een tijdje wel te koop worden gezet en dan moeten jullie alsnog verhuizen. Ik hoop dat mama dan een geschikt huis in de [plaats 1] kan vinden. Al die tijd ga jij in [plaats 5] naar school.

Ik heb ook beslist over het contact met papa. Je ouders zijn het erover eens dat het voorlopig blijft zoals het is en daar ben ik het helemaal mee eens. Je ziet je vader om de week ongeveer een uur bij Zicht op de Toekomst. Ik heb ook beslist dat als de mensen van Zicht op de Toekomst vinden dat het beter voor jou is om langer contact te hebben of vaker of ergens anders of zonder iemand erbij, dan vind ik dat goed en belangrijk. Dat zal denk ik met kleine stapjes gaan. En jij kunt bij Zicht op de Toekomst vertellen wat voor jou belangrijk is daarbij.





Je ziet hierboven ‘voorlopig’ en ‘een tijdje’ staan. Dat is best vaag. Want hoe lang duurt dit nou allemaal nog? Dat heeft met de scheiding van je ouders te maken. Dat kan nog best wel even duren. Denk aan een jaar of iets langer. Dus zolang verwacht ik dat je ook nog wel in het huis zal blijven wonen en misschien nog wel iets langer. Maar ik heb geen glazen bol, ik weet het ook niet precies. Ik hoop eigenlijk dat papa en mama goede afspraken kunnen gaan maken over jullie toekomst. En als het niet lukt dan zal de rechtbank beslissen. Als je dan weer met de rechter wilt komen praten, dan kan dat. Je krijgt als het goed is vanzelf een uitnodiging.






[minderjarige 1] , ik snap het heel goed als je teleurgesteld, boos en verdrietig bent. Dat mag ook. Maar ik hoop heel erg dat je het ook heel erg naar je zin gaat krijgen op school in [plaats 5] . Ik weet zeker dat dat ook op de school in [plaats 5] kan. En ik kan me voorstellen dat het fijn is om op school te kijken of er een coach of mentor is die jou in het begin wat extra kan helpen om je draai te vinden. Ik wens je heel veel succes én geluk!





Groet van de kinderrechter.’







3.2

Proceskosten



3.2.1
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.







4De beslissing


De rechtbank:



4.1
wijst de verzoeken van de vrouw af;



4.2
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.









Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 21 augustus 2026.














































Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.