Raad van State
ECLI:NL:RVS:2019:1084
2019-04-08
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201806051/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2019:1084 → ECLI:NL:RBLIM:2018:6999 niet ontvankelijk
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 8 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2018:1423 Raad van State 26-04-2018
- ECLI:NL:RVS:2012:BX1816 Raad van State 18-07-2012
Geciteerd door (75)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25030 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24335 Rechtbank Den Haag 11-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21228 Rechtbank Den Haag 28-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21902 Rechtbank Den Haag 15-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21098 Rechtbank Den Haag 22-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3024 Rechtbank Den Haag 13-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25977 Rechtbank Den Haag 11-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19176 Rechtbank Den Haag 03-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5663 Rechtbank Den Haag 03-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2610 Rechtbank Den Haag 21-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22930 Rechtbank Den Haag 15-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19567 Rechtbank Den Haag 15-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13761 Rechtbank Den Haag 28-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11939 Rechtbank Den Haag 24-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:23053 Rechtbank Den Haag 18-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2572 Raad van State 26-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2573 Raad van State 26-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2574 Raad van State 26-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2534 Raad van State 21-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8602 Rechtbank Den Haag 03-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2981 Rechtbank Den Haag 06-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2540 Rechtbank Den Haag 28-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:656 Raad van State 19-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:654 Raad van State 19-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:982 Rechtbank Den Haag 25-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:947 Rechtbank Den Haag 11-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4635 Rechtbank Den Haag 03-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18106 Rechtbank Den Haag 20-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16697 Rechtbank Den Haag 03-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6898 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-10-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3489 Raad van State 14-09-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2544 Raad van State 03-07-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2511 Raad van State 28-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2270 Raad van State 13-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2116 Raad van State 31-05-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1604 Raad van State 25-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3817 Rechtbank Den Haag 23-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:366 Raad van State 30-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:365 Rechtbank Den Haag 06-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14081 Rechtbank Den Haag 22-12-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:5391 Rechtbank Midden-Nederland 15-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15592 Rechtbank Den Haag 09-11-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2575 Raad van State 05-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14468 Rechtbank Den Haag 06-07-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:7322 Rechtbank Den Haag 22-06-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:4591 Rechtbank Den Haag 12-05-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:806 Raad van State 21-03-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:658 Raad van State 03-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11528 Rechtbank Den Haag 28-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:17121 Rechtbank Den Haag 23-12-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:2725 Raad van State 03-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:13170 Rechtbank Den Haag 25-11-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:17006 Rechtbank Den Haag 06-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10213 Rechtbank Den Haag 14-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:9999 Rechtbank Den Haag 08-09-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:1778 Raad van State 09-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:8797 Rechtbank Den Haag 04-08-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:1253 Raad van State 07-05-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:288 Raad van State 11-02-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:182 Raad van State 27-01-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (3.738 tekens)
201806051/1/V3.
Datum uitspraak: 8 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 juli 2018 in zaak nr. NL18.10957 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 20 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat te Velp, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 24 januari 2019 heeft de staatssecretaris het besluit van 8 juni 2018 ingetrokken en de asielaanvraag van de vreemdeling alsnog in behandeling genomen.
De vreemdeling heeft een nadere reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Nadat de vreemdeling hoger beroep heeft ingesteld in deze zaak, heeft de staatssecretaris haar asielaanvraag bij besluit van 24 januari 2019 alsnog in behandeling genomen, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) verstreken is. De vreemdeling heeft in haar nadere reactie medegedeeld dat zij haar hoger beroep handhaaft, omdat zij nog belang zegt te hebben bij een uitspraak over de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.
1.1. Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk. Zij heeft namelijk onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep, omdat zij heeft bereikt wat zij met haar hoger beroep beoogt doordat de staatssecretaris haar asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen. De vraag of de staatssecretaris moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten, geeft onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1423).
1.2. Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris toch tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. In dat geval kan de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Awb worden veroordeeld in de proceskosten. Van tegemoetkomen is geen sprake als een in beroep bestreden besluit is gewijzigd wegens veranderde omstandigheden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816).
In dit geval heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling alsnog in behandeling genomen vanwege het verstrijken van de overdrachtstermijn. Dat is een veranderde omstandigheid die zich ten tijde van het besluit van 8 juni 2018 niet voordeed. De staatssecretaris is met het besluit van 24 januari 2019 dan ook niet tegemoetgekomen aan de vreemdeling. Daarom bestaat geen aanleiding om hem tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.
w.g. Verheij w.g. Van Leeuwen
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2019
373-848.
Datum uitspraak: 8 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 juli 2018 in zaak nr. NL18.10957 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 20 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat te Velp, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 24 januari 2019 heeft de staatssecretaris het besluit van 8 juni 2018 ingetrokken en de asielaanvraag van de vreemdeling alsnog in behandeling genomen.
De vreemdeling heeft een nadere reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Nadat de vreemdeling hoger beroep heeft ingesteld in deze zaak, heeft de staatssecretaris haar asielaanvraag bij besluit van 24 januari 2019 alsnog in behandeling genomen, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) verstreken is. De vreemdeling heeft in haar nadere reactie medegedeeld dat zij haar hoger beroep handhaaft, omdat zij nog belang zegt te hebben bij een uitspraak over de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.
1.1. Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk. Zij heeft namelijk onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep, omdat zij heeft bereikt wat zij met haar hoger beroep beoogt doordat de staatssecretaris haar asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen. De vraag of de staatssecretaris moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten, geeft onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1423).
1.2. Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris toch tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. In dat geval kan de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Awb worden veroordeeld in de proceskosten. Van tegemoetkomen is geen sprake als een in beroep bestreden besluit is gewijzigd wegens veranderde omstandigheden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816).
In dit geval heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling alsnog in behandeling genomen vanwege het verstrijken van de overdrachtstermijn. Dat is een veranderde omstandigheid die zich ten tijde van het besluit van 8 juni 2018 niet voordeed. De staatssecretaris is met het besluit van 24 januari 2019 dan ook niet tegemoetgekomen aan de vreemdeling. Daarom bestaat geen aanleiding om hem tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.
w.g. Verheij w.g. Van Leeuwen
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2019
373-848.