Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2021:13170

2021-11-25 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht AWB 21/1826
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2021-11-25
Publicatiedatum
2021-11-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Proceskostenveroordeling
Zaaknummer
AWB 21/1826
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Intrekking beroep, proceskostenveroordeling

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.084 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



Zaaknummer: AWB 21/1826


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam] , eiseres,

v-nummer: [nummer]
gemachtigde: mr. M. Wiersma,



en


de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde: mr. J. Visschers




Procesverloop


Bij besluit van 5 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 29 januari 2020 voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf als familie -of gezinslid bij Tesfalem Weldegergis Bahre’ afgewezen.



Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 februari 2021 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.



Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Eiseres heeft op 24 juni 2021 een nieuwe aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf als familie-of gezinslid bij Tesfalem Weldegergis Bahre’.



Verweerder heeft bij besluit van 12 oktober 2021 deze opvolgende aanvraag ingewilligd.



Eiseres heeft het beroep op 19 oktober 2021 ingetrokken met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft hierop bij schrijven van 3 november 2021 gereageerd en meegedeeld niet bereid te zijn de proceskosten te vergoeden.



De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.





Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank – bij afzonderlijke uitspraak en met toepassing van artikel 8:75 – een bestuursorgaan in de proceskosten veroordelen, indien daarom bij de intrekking van het beroep wordt verzocht en verweerder geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen.

2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is geen sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit neemt op andere gronden dan door de indiener aangevoerd of vanwege gewijzigde omstandigheden.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Immers, zoals blijkt uit hetgeen onder ‘procesverloop’ staat vermeld, heeft de inwilliging van de mvv betrekking op een nieuwe mvv-aanvraag en niet op de onderhavige aanvraag van 29 januari 2020. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is daarom kennelijk ongegrond en wordt afgewezen.




Beslissing


De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, op 25 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl










Afschrift verzonden aan partijen op:







Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.



zie onder meer de uitspraken van 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:676 en van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084.