Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21902
2026-07-15
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
AWB 25/2428 en 25/2431
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
‘Verzoek om proceskostenveroordeling. De rechtbank wijst het verzoek af. De rechtbank is van oordeel dat de minister met het besluit om aan eiseres een mvv te verlenen, niet tegemoet is gekomen aan het beroep en verzoek van eiseres in het kader van het visum kort verblijf.’
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2013:676 Raad van State 31-07-2013
- ECLI:NL:RVS:2019:1084 Raad van State 08-04-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.122 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 25/2428 (beroep) en AWB 25/2431 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 in de zaken tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedag] 1979, van Marokkaanse nationaliteit, verzoekster/eiseres (hierna: eiseres)
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het verzoek van eiseres om een veroordeling van de minister in de proceskosten. De rechtbank wijst dit verzoek af. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Met een besluit van 30 januari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing kennelijk ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Naar aanleiding van een andere aanvraag heeft de minister op 19 mei 2026 aan eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) verleend. Hierop heeft eiseres het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en daarbij verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten die zij in het kader van het beroep, het verzoek om een voorlopige voorziening en het bezwaar heeft moeten maken. Ook heeft eiseres verzocht om vergoeding van de griffierechten die zij heeft betaald.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank doet met toestemming van partijen zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is geen sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit neemt op andere gronden dan door de indiener aangevoerd of vanwege gewijzigde omstandigheden.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister met het besluit om aan eiseres een mvv te verlenen, niet tegemoet is gekomen aan het beroep en verzoek van eiseres in het kader van het visum kort verblijf. Voor een visum kort verblijf gelden immers andere toe- en afwijzingsgronden dan voor een mvv. Het besluit van de minister over het visum kort verblijf is niet gewijzigd. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling daarom af.
Conclusie en gevolgen
6. De minister hoeft de kosten die eiseres voor het beroep, het verzoek om een voorlopige voorziening en het bezwaar in het kader van het visum kort verblijf heeft moeten maken, niet te vergoeden. Ook hoeft de minister de griffierechten die eiseres heeft betaald, niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie onder meer de uitspraken van 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:676 en van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 25/2428 (beroep) en AWB 25/2431 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 in de zaken tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedag] 1979, van Marokkaanse nationaliteit, verzoekster/eiseres (hierna: eiseres)
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het verzoek van eiseres om een veroordeling van de minister in de proceskosten. De rechtbank wijst dit verzoek af. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Met een besluit van 30 januari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing kennelijk ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Naar aanleiding van een andere aanvraag heeft de minister op 19 mei 2026 aan eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) verleend. Hierop heeft eiseres het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en daarbij verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten die zij in het kader van het beroep, het verzoek om een voorlopige voorziening en het bezwaar heeft moeten maken. Ook heeft eiseres verzocht om vergoeding van de griffierechten die zij heeft betaald.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank doet met toestemming van partijen zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is geen sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit neemt op andere gronden dan door de indiener aangevoerd of vanwege gewijzigde omstandigheden.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister met het besluit om aan eiseres een mvv te verlenen, niet tegemoet is gekomen aan het beroep en verzoek van eiseres in het kader van het visum kort verblijf. Voor een visum kort verblijf gelden immers andere toe- en afwijzingsgronden dan voor een mvv. Het besluit van de minister over het visum kort verblijf is niet gewijzigd. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling daarom af.
Conclusie en gevolgen
6. De minister hoeft de kosten die eiseres voor het beroep, het verzoek om een voorlopige voorziening en het bezwaar in het kader van het visum kort verblijf heeft moeten maken, niet te vergoeden. Ook hoeft de minister de griffierechten die eiseres heeft betaald, niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie onder meer de uitspraken van 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:676 en van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084.