Raad van State
ECLI:NL:RVS:2018:1423
2018-04-26
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201708371/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2018:1423 → ECLI:NL:RBAMS:2017:6831 niet ontvankelijk
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2017:3311 Raad van State 06-12-2017
- ECLI:NL:RVS:2018:380 Raad van State 07-02-2018
Geciteerd door (52)
- ECLI:NL:RVS:2026:5419 Raad van State 11-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5058 Raad van State 27-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21228 Rechtbank Den Haag 28-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26399 Rechtbank Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15507 Rechtbank Den Haag 26-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9966 Rechtbank Den Haag 17-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1187 Raad van State 04-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:6446 Raad van State 24-12-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:5015 Rechtbank Noord-Nederland 03-12-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4452 Rechtbank Noord-Nederland 17-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4968 Raad van State 17-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4961 Raad van State 15-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4672 Raad van State 01-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15609 Rechtbank Den Haag 19-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2290 Raad van State 21-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1828 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1215 Raad van State 19-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:932 Raad van State 07-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:5204 Raad van State 17-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:5480 Raad van State 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22930 Rechtbank Den Haag 15-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4013 Raad van State 04-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13761 Rechtbank Den Haag 28-08-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:304 Raad van State 26-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6923 Rechtbank Den Haag 10-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:3757 Raad van State 11-10-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2957 Raad van State 02-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9637 Rechtbank Den Haag 28-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9637 Rechtbank Den Haag 28-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9271 Rechtbank Den Haag 22-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1301 Raad van State 03-04-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2023:1010 Rechtbank Overijssel 21-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:996 Raad van State 16-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:996 Raad van State 16-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2354 Rechtbank Den Haag 27-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:598 Raad van State 15-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:598 Raad van State 15-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15592 Rechtbank Den Haag 09-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13309 Rechtbank Den Haag 12-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:2056 Rechtbank Den Haag 07-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15106 Rechtbank Den Haag 24-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14121 Rechtbank Den Haag 15-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14020 Rechtbank Den Haag 09-12-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:1253 Raad van State 07-05-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:1872 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-04-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10707 Rechtbank Den Haag 24-09-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:2140 Raad van State 09-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14377 Rechtbank Den Haag 26-08-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:1855 Raad van State 05-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:3818 Rechtbank Den Haag 03-04-2020
- ECLI:NL:RVS:2019:1394 Raad van State 29-04-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:1084 Raad van State 08-04-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (6.525 tekens)
201708371/1/V1.
Datum uitspraak: 26 april 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 september 2017 in zaak nr. 16/15244 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 22 september 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Verder heeft de rechtbank de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van de vreemdeling tot een bedrag van € 1.237,50.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 16 november 2017 heeft de staatssecretaris de aanvraag alsnog ingewilligd.
De vreemdeling heeft hierop een nadere reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 16 november 2017, voor zover thans van belang, de aanvraag alsnog ingewilligd. De vreemdeling heeft per brief van 17 november 2017 medegedeeld zijn hoger beroep te handhaven, omdat hij nog belang heeft bij een uitspraak over de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.
2. Met de verlening van de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft de vreemdeling bereikt wat hij met zijn hoger beroep heeft beoogd. De staatssecretaris is met het besluit van 16 november 2017 de vreemdeling geheel tegemoetgekomen. Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft hij thans onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3311), geeft de vraag of een veroordeling tot vergoeding van in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Om dezelfde reden moet de vreemdeling worden geacht evenmin belang te hebben bij een beroep tegen het besluit van 16 november 2017. Daardoor is tegen dat besluit geen beroep van rechtswege ontstaan als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, waarop nog moet worden beslist.
3. Gelet op het hiervoor overwogene zal de Afdeling het door de vreemdeling ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval grond is gelegen over te gaan tot een proceskostenveroordeling.
Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het verwerend bestuursorgaan aan de appellant is tegemoetgekomen. Indien zich een dergelijke grond voordoet, is met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk.
4.1. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanleiding bestaat de staatssecretaris in de kosten van het in beroep overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 15 februari 2017 te veroordelen. Volgens de rechtbank heeft het rapport niet tot een gegrond beroep geleid. De vreemdeling stelt dat er wel aanleiding is de staatssecretaris te veroordelen in de kosten van het iMMO-rapport.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing.
4.3. De kosten van het iMMO-rapport komen voor vergoeding in aanmerking, omdat de vreemdeling dit rapport in redelijkheid heeft kunnen laten opstellen om zijn asielrelaas te staven. De vreemdeling heeft drie littekens toegeschreven aan elementen uit zijn asielrelaas die de staatssecretaris niet geloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn littekens door het iMMO te laten onderzoeken.
Volgens het iMMO-rapport heeft het onderzoek vier uur geduurd, wat de Afdeling niet onaannemelijk acht, en waren bij het onderzoek twee artsen en een GZ-psycholoog betrokken. De Afdeling hanteert een forfaitair bedrag van € 121,95 en € 93,60 per uur voor respectievelijk artsen en psychologen. Zij zal de kosten voor het iMMO-rapport daarom vaststellen op € 1.350,00, vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting.
5. Nu de staatssecretaris met het besluit van 16 november 2017 de vreemdeling tegemoet is gekomen, dient hij op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van in beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.851,00 (zegge: achttienhonderdeenenvijftig euro), waarvan € 501,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 1.350,00 kosten van deskundigen betreft; dit laatste bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.
w.g. Verheij w.g. Groeneweg
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2018
32-862.
Datum uitspraak: 26 april 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 september 2017 in zaak nr. 16/15244 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 22 september 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Verder heeft de rechtbank de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van de vreemdeling tot een bedrag van € 1.237,50.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 16 november 2017 heeft de staatssecretaris de aanvraag alsnog ingewilligd.
De vreemdeling heeft hierop een nadere reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 16 november 2017, voor zover thans van belang, de aanvraag alsnog ingewilligd. De vreemdeling heeft per brief van 17 november 2017 medegedeeld zijn hoger beroep te handhaven, omdat hij nog belang heeft bij een uitspraak over de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.
2. Met de verlening van de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft de vreemdeling bereikt wat hij met zijn hoger beroep heeft beoogd. De staatssecretaris is met het besluit van 16 november 2017 de vreemdeling geheel tegemoetgekomen. Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft hij thans onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3311), geeft de vraag of een veroordeling tot vergoeding van in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Om dezelfde reden moet de vreemdeling worden geacht evenmin belang te hebben bij een beroep tegen het besluit van 16 november 2017. Daardoor is tegen dat besluit geen beroep van rechtswege ontstaan als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, waarop nog moet worden beslist.
3. Gelet op het hiervoor overwogene zal de Afdeling het door de vreemdeling ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval grond is gelegen over te gaan tot een proceskostenveroordeling.
Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het verwerend bestuursorgaan aan de appellant is tegemoetgekomen. Indien zich een dergelijke grond voordoet, is met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk.
4.1. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanleiding bestaat de staatssecretaris in de kosten van het in beroep overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 15 februari 2017 te veroordelen. Volgens de rechtbank heeft het rapport niet tot een gegrond beroep geleid. De vreemdeling stelt dat er wel aanleiding is de staatssecretaris te veroordelen in de kosten van het iMMO-rapport.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing.
4.3. De kosten van het iMMO-rapport komen voor vergoeding in aanmerking, omdat de vreemdeling dit rapport in redelijkheid heeft kunnen laten opstellen om zijn asielrelaas te staven. De vreemdeling heeft drie littekens toegeschreven aan elementen uit zijn asielrelaas die de staatssecretaris niet geloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn littekens door het iMMO te laten onderzoeken.
Volgens het iMMO-rapport heeft het onderzoek vier uur geduurd, wat de Afdeling niet onaannemelijk acht, en waren bij het onderzoek twee artsen en een GZ-psycholoog betrokken. De Afdeling hanteert een forfaitair bedrag van € 121,95 en € 93,60 per uur voor respectievelijk artsen en psychologen. Zij zal de kosten voor het iMMO-rapport daarom vaststellen op € 1.350,00, vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting.
5. Nu de staatssecretaris met het besluit van 16 november 2017 de vreemdeling tegemoet is gekomen, dient hij op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van in beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.851,00 (zegge: achttienhonderdeenenvijftig euro), waarvan € 501,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 1.350,00 kosten van deskundigen betreft; dit laatste bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.
w.g. Verheij w.g. Groeneweg
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2018
32-862.