Raad van State
ECLI:NL:RVS:2020:1855
2020-08-05
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201907349/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 11 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2018:1423 Raad van State 26-04-2018
- ECLI:NL:RVS:2019:1084 Raad van State 08-04-2019
Geciteerd door (142)
- ECLI:NL:RVS:2026:5743 Raad van State 28-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28712 Rechtbank Den Haag 23-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5419 Raad van State 11-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5071 Raad van State 31-08-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5066 Raad van State 31-08-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5058 Raad van State 27-08-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:4369 Raad van State 30-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21228 Rechtbank Den Haag 28-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:4107 Raad van State 15-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:4046 Raad van State 13-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3916 Raad van State 09-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3790 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3629 Raad van State 23-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3156 Raad van State 02-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2974 Raad van State 26-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2972 Raad van State 26-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2874 Raad van State 20-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2812 Raad van State 19-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2699 Raad van State 12-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2511 Raad van State 04-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2131 Raad van State 20-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2010 Raad van State 13-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1673 Raad van State 25-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1317 Raad van State 09-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1279 Raad van State 06-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1100 Raad van State 26-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:518 Raad van State 29-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:427 Raad van State 27-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:252 Raad van State 15-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:121 Raad van State 09-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:6411 Raad van State 29-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:6110 Raad van State 17-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:6113 Raad van State 17-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5935 Raad van State 09-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5724 Raad van State 27-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5788 Raad van State 27-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5392 Raad van State 06-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5391 Raad van State 06-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5390 Raad van State 06-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5290 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5297 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5288 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5117 Raad van State 23-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4968 Raad van State 17-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4961 Raad van State 15-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4961 Raad van State 15-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4888 Raad van State 13-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4780 Raad van State 07-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4745 Raad van State 03-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4672 Raad van State 01-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4181 Raad van State 01-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3945 Raad van State 20-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25977 Rechtbank Den Haag 11-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3490 Raad van State 25-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3487 Raad van State 25-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3362 Raad van State 23-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3335 Raad van State 21-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3334 Raad van State 21-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3200 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2919 Raad van State 30-06-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (5.809 tekens)
201907349/1/V1.
Datum uitspraak: 5 augustus 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 september 2019 in zaak nr. NL19.13526 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 27 september 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Wierink, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere reacties ingediend.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft de Afdeling bij brief van 30 oktober 2019 laten weten dat hij het besluit van 11 juni 2019 heeft ingetrokken en de asielaanvraag alsnog in behandeling zal nemen, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) verstreken is. De vreemdeling heeft in zijn nadere reactie medegedeeld dat hij zijn hoger beroep handhaaft, omdat hij nog belang zegt te hebben bij een uitspraak vanwege de beslistermijn van de asielaanvraag als bedoeld in artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000, de ingangsdatum van de eventueel te verlenen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.
1.1. De vreemdeling voert aan dat hij alleen al belang heeft bij handhaving van zijn hoger beroep, omdat dit besluit onrechtmatig is. Hij verwijst daarbij naar artikel 6:19, zesde lid, van de Awb. In dat artikel staat dat intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit, indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. Dit belang is echter, anders dan de vreemdeling betoogt, niet gelegen in de gestelde onrechtmatigheid van het besluit, maar in wat hij kan bereiken bij de eventuele vaststelling daarvan, namelijk dat de staatssecretaris de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich trekt. Dat heeft de vreemdeling in dit geval al bereikt.
1.2. De vreemdeling heeft ook geen belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn hoger beroep vanwege de beslistermijn van de asielaanvraag. In artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 staat dat de beslistermijn, als bedoeld in het eerste lid, aanvangt op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. De Afdeling stelt vast dat in dit geval de overdrachtstermijn is verstreken op 23 oktober 2019 en dat op dat moment de verantwoordelijkheid van Nederland dus is komen vast te staan. Bij een gegrond hoger beroep wordt de verantwoordelijkheid van Nederland vastgesteld op de dag van de uitspraak van de Afdeling. Omdat de Afdeling deze uitspraak doet na 23 oktober 2019, kan de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep daarom nooit leiden tot een eerdere vaststelling van de verantwoordelijkheid van Nederland. Dat betekent dat de beslistermijn als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 ook niet eerder zal verstrijken bij een gegrondverklaring van het hoger beroep.
1.3. De vreemdeling voert verder tevergeefs aan dat de eventueel te verlenen verblijfsvergunning met een eerdere ingangsdatum zou kunnen worden verstrekt. Krachtens artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen. Het moment van vergunningverlening heeft daarom geen invloed op de ingangsdatum. Daarbij is een eventuele vergunningverlening een onzekere toekomstige gebeurtenis.
1.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, geeft de vraag of de staatssecretaris moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten, onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1423).
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.1. Vervolgens moet worden bezien of de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het procesbelang, reden zijn om de staatssecretaris de proceskosten te laten vergoeden. Daarvoor kan reden zijn als de staatsecretaris geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen of als het procesbelang anderszins door zijn toedoen is vervallen.
2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084, is geen sprake van tegemoetkomen als de staatssecretaris een asielaanvraag in behandeling neemt vanwege het verstrijken van de overdrachtstermijn, omdat dit een veranderde omstandigheid is die zich ten tijde van het besluit niet voordeed. Daarom bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020
488-850.
Datum uitspraak: 5 augustus 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 september 2019 in zaak nr. NL19.13526 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 27 september 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Wierink, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere reacties ingediend.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft de Afdeling bij brief van 30 oktober 2019 laten weten dat hij het besluit van 11 juni 2019 heeft ingetrokken en de asielaanvraag alsnog in behandeling zal nemen, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) verstreken is. De vreemdeling heeft in zijn nadere reactie medegedeeld dat hij zijn hoger beroep handhaaft, omdat hij nog belang zegt te hebben bij een uitspraak vanwege de beslistermijn van de asielaanvraag als bedoeld in artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000, de ingangsdatum van de eventueel te verlenen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.
1.1. De vreemdeling voert aan dat hij alleen al belang heeft bij handhaving van zijn hoger beroep, omdat dit besluit onrechtmatig is. Hij verwijst daarbij naar artikel 6:19, zesde lid, van de Awb. In dat artikel staat dat intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit, indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. Dit belang is echter, anders dan de vreemdeling betoogt, niet gelegen in de gestelde onrechtmatigheid van het besluit, maar in wat hij kan bereiken bij de eventuele vaststelling daarvan, namelijk dat de staatssecretaris de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich trekt. Dat heeft de vreemdeling in dit geval al bereikt.
1.2. De vreemdeling heeft ook geen belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn hoger beroep vanwege de beslistermijn van de asielaanvraag. In artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 staat dat de beslistermijn, als bedoeld in het eerste lid, aanvangt op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. De Afdeling stelt vast dat in dit geval de overdrachtstermijn is verstreken op 23 oktober 2019 en dat op dat moment de verantwoordelijkheid van Nederland dus is komen vast te staan. Bij een gegrond hoger beroep wordt de verantwoordelijkheid van Nederland vastgesteld op de dag van de uitspraak van de Afdeling. Omdat de Afdeling deze uitspraak doet na 23 oktober 2019, kan de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep daarom nooit leiden tot een eerdere vaststelling van de verantwoordelijkheid van Nederland. Dat betekent dat de beslistermijn als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 ook niet eerder zal verstrijken bij een gegrondverklaring van het hoger beroep.
1.3. De vreemdeling voert verder tevergeefs aan dat de eventueel te verlenen verblijfsvergunning met een eerdere ingangsdatum zou kunnen worden verstrekt. Krachtens artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen. Het moment van vergunningverlening heeft daarom geen invloed op de ingangsdatum. Daarbij is een eventuele vergunningverlening een onzekere toekomstige gebeurtenis.
1.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, geeft de vraag of de staatssecretaris moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten, onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1423).
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.1. Vervolgens moet worden bezien of de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het procesbelang, reden zijn om de staatssecretaris de proceskosten te laten vergoeden. Daarvoor kan reden zijn als de staatsecretaris geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen of als het procesbelang anderszins door zijn toedoen is vervallen.
2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084, is geen sprake van tegemoetkomen als de staatssecretaris een asielaanvraag in behandeling neemt vanwege het verstrijken van de overdrachtstermijn, omdat dit een veranderde omstandigheid is die zich ten tijde van het besluit niet voordeed. Daarom bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020
488-850.