Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:5743
2026-09-28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202502609/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om [persoon] en haar kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Toen de rechtbank uitspreek deed op het beroep van referent tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister van Asiel en Migratie nog geen besluit genomen op de aanvraag van 4 april 2024. Dat heeft hij bij het besluit van 28 augustus 2026 wel gedaan. Wat referent in zijn grieven aanvoert over de door de rechtbank bepaalde beslistermijn, schept daarom geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2020:1855 Raad van State 05-08-2020
- ECLI:NL:RVS:2019:665 Raad van State 28-02-2019
- ECLI:NL:RVS:2024:4296 Raad van State 24-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.408 tekens)
202502609/1/V1.
Datum uitspraak: 28 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 10 april 2025 in zaak nr. NL25.8433 in het geding tussen:
referent
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om [persoon] en haar kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 10 april 2025 heeft de rechtbank het door referent ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om voor 2 mei 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken en aan referent een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat hij die datum overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft referent, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 augustus 2026 heeft de minister de aanvraag van referent afgewezen.
Overwegingen
1. Toen de rechtbank uitspreek deed op het beroep van referent tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 4 april 2024. Dat heeft hij bij het besluit van 28 augustus 2026 wel gedaan. Wat referent in zijn grieven aanvoert over de door de rechtbank bepaalde beslistermijn, schept daarom geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3. Niettemin moet de Afdeling bezien of zij de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan referent tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). Het is vaste rechtspraak van de Afdeling om, wanneer de minister hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dit besluit alsnog neemt, dit aan te merken als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb (uitspraken van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5). De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de nareisaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
5. Het besluit van 28 augustus 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Referent heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 28 augustus 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de minister voor de behandeling als bezwaar.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij referent in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. verwijst het beroep van rechtswege tegen het besluit van 28 augustus 2026, V-294.895.4590, V-294.895.7164, V-294.895.7191, V-294.895.7218, V-294.895.7245, V-294.895.7254 en V-294.895.7290, ter behandeling als bezwaar naar de minister van Asiel en Migratie.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026
977
Datum uitspraak: 28 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 10 april 2025 in zaak nr. NL25.8433 in het geding tussen:
referent
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om [persoon] en haar kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 10 april 2025 heeft de rechtbank het door referent ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om voor 2 mei 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken en aan referent een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat hij die datum overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft referent, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 augustus 2026 heeft de minister de aanvraag van referent afgewezen.
Overwegingen
1. Toen de rechtbank uitspreek deed op het beroep van referent tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 4 april 2024. Dat heeft hij bij het besluit van 28 augustus 2026 wel gedaan. Wat referent in zijn grieven aanvoert over de door de rechtbank bepaalde beslistermijn, schept daarom geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3. Niettemin moet de Afdeling bezien of zij de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan referent tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). Het is vaste rechtspraak van de Afdeling om, wanneer de minister hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dit besluit alsnog neemt, dit aan te merken als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb (uitspraken van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5). De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de nareisaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
5. Het besluit van 28 augustus 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Referent heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 28 augustus 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de minister voor de behandeling als bezwaar.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij referent in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. verwijst het beroep van rechtswege tegen het besluit van 28 augustus 2026, V-294.895.4590, V-294.895.7164, V-294.895.7191, V-294.895.7218, V-294.895.7245, V-294.895.7254 en V-294.895.7290, ter behandeling als bezwaar naar de minister van Asiel en Migratie.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026
977