Raad van State
ECLI:NL:RVS:2019:665
2019-02-28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201809491/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 16 mei 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2010:BM9389 Raad van State 21-04-2010
- ECLI:NL:RVS:2017:3311 Raad van State 06-12-2017
- ECLI:NL:RVS:2015:1753 Raad van State 03-06-2015
Geciteerd door (59)
- ECLI:NL:RVS:2026:5743 Raad van State 28-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5680 Raad van State 23-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5160 Raad van State 02-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5071 Raad van State 31-08-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5066 Raad van State 31-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22376 Rechtbank Den Haag 10-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22370 Rechtbank Den Haag 10-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22370 Rechtbank Den Haag 10-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22376 Rechtbank Den Haag 10-08-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:4369 Raad van State 30-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3916 Raad van State 09-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2699 Raad van State 12-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2131 Raad van State 20-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1977 Raad van State 09-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1673 Raad van State 25-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1279 Raad van State 06-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1187 Raad van State 04-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1802 Rechtbank Den Haag 03-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:6238 Raad van State 24-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5297 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5316 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5240 Raad van State 31-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5001 Raad van State 20-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4968 Raad van State 17-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4961 Raad van State 15-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4780 Raad van State 07-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4781 Raad van State 07-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4745 Raad van State 03-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4672 Raad van State 01-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3487 Raad van State 25-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3490 Raad van State 25-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3334 Raad van State 21-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2290 Raad van State 21-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2115 Raad van State 12-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1828 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5082 Rechtbank Den Haag 27-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1215 Raad van State 19-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:932 Raad van State 07-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1463 Rechtbank Den Haag 06-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:5204 Raad van State 17-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:5022 Raad van State 05-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4296 Raad van State 24-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:3819 Raad van State 18-10-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3757 Raad van State 11-10-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2957 Raad van State 02-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5605 Rechtbank Den Haag 19-04-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:776 Raad van State 17-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:598 Raad van State 15-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:133 Raad van State 17-01-2023
- ECLI:NL:RVS:2022:3017 Raad van State 19-10-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:3016 Raad van State 19-10-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:3019 Raad van State 19-10-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:3022 Raad van State 19-10-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:3015 Raad van State 19-10-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2195 Raad van State 29-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2021:2719 Raad van State 02-12-2021
- ECLI:NL:RVS:2020:2832 Raad van State 01-12-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:2780 Raad van State 23-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2019:4172 Rechtbank Den Haag 17-04-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (7.408 tekens)
201809491/1/V1.
Datum uitspraak: 28 februari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2018 in zaak nr. 18/1878 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 mei 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
De vreemdeling heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dit bezwaar heeft hij beroep ingesteld.
Bij besluit van 24 april 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T. Thissen, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de grieven 1 en 4 klaagt de vreemdeling, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte het beroep louter gericht heeft geacht tegen het besluit van 24 april 2018. De vreemdeling voert aan dat hij het beroep mede heeft gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Hij voert aan dat de rechtbank voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar de staatssecretaris ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten.
1.1. Niet in geschil is dat de staatssecretaris niet tijdig een besluit op bezwaar heeft genomen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de vreemdeling inderdaad en tijdig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van dat besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM9389), moet de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaren, indien een vreemdeling, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling over te gaan, geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep. Omdat de staatssecretaris alsnog een besluit op bezwaar heeft genomen, heeft de vreemdeling geen belang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. De rechtbank heeft dus nagelaten het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
1.2. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het belang bij het beroep, grond is gelegen over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3311) kan een dergelijke grond zijn gelegen in de omstandigheid dat het desbetreffende bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Indien zich een dergelijke grond voordoet, is krachtens artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat wanneer de staatssecretaris hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar alsnog zodanig besluit neemt, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb (uitspraak van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1753). Voor het antwoord op de vraag of een proceskostenveroordeling is aangewezen, wordt vervolgens geen onderscheid gemaakt tussen degenen die hun beroep intrekken en om een proceskostenveroordeling krachtens artikel 8:75a van de Awb vragen en degenen die hun beroep handhaven. De vreemdeling heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet ingetrokken, maar gehandhaafd, terwijl de staatssecretaris door het nemen van het besluit van 24 april 2018 de vreemdeling tegemoet is gekomen. Daarom is krachtens artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling in dit geval aangewezen. De rechtbank heeft dus ten onrechte geen termen aanwezig geacht om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De grieven slagen in zoverre.
2. Hetgeen de vreemdeling overigens in het hogerberoepschrift aanvoert en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar opgekomen proceskosten. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd.
4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. Voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten wordt krachtens artikel 2, eerste lid, onder a, van en bijlage C bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met het zeer lichte gewicht van deze zaak een wegingsfactor toegekend van 0,25.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2018 in zaak nr. 18/1878, voor zover zij heeft nagelaten het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar opgekomen proceskosten;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk;
IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Verheij w.g. Schuurman
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019
282-910.
Datum uitspraak: 28 februari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2018 in zaak nr. 18/1878 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 mei 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
De vreemdeling heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dit bezwaar heeft hij beroep ingesteld.
Bij besluit van 24 april 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T. Thissen, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de grieven 1 en 4 klaagt de vreemdeling, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte het beroep louter gericht heeft geacht tegen het besluit van 24 april 2018. De vreemdeling voert aan dat hij het beroep mede heeft gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Hij voert aan dat de rechtbank voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar de staatssecretaris ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten.
1.1. Niet in geschil is dat de staatssecretaris niet tijdig een besluit op bezwaar heeft genomen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de vreemdeling inderdaad en tijdig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van dat besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM9389), moet de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaren, indien een vreemdeling, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling over te gaan, geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep. Omdat de staatssecretaris alsnog een besluit op bezwaar heeft genomen, heeft de vreemdeling geen belang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. De rechtbank heeft dus nagelaten het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
1.2. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het belang bij het beroep, grond is gelegen over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3311) kan een dergelijke grond zijn gelegen in de omstandigheid dat het desbetreffende bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Indien zich een dergelijke grond voordoet, is krachtens artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat wanneer de staatssecretaris hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar alsnog zodanig besluit neemt, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb (uitspraak van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1753). Voor het antwoord op de vraag of een proceskostenveroordeling is aangewezen, wordt vervolgens geen onderscheid gemaakt tussen degenen die hun beroep intrekken en om een proceskostenveroordeling krachtens artikel 8:75a van de Awb vragen en degenen die hun beroep handhaven. De vreemdeling heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet ingetrokken, maar gehandhaafd, terwijl de staatssecretaris door het nemen van het besluit van 24 april 2018 de vreemdeling tegemoet is gekomen. Daarom is krachtens artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling in dit geval aangewezen. De rechtbank heeft dus ten onrechte geen termen aanwezig geacht om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De grieven slagen in zoverre.
2. Hetgeen de vreemdeling overigens in het hogerberoepschrift aanvoert en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar opgekomen proceskosten. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd.
4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. Voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten wordt krachtens artikel 2, eerste lid, onder a, van en bijlage C bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met het zeer lichte gewicht van deze zaak een wegingsfactor toegekend van 0,25.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2018 in zaak nr. 18/1878, voor zover zij heeft nagelaten het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar opgekomen proceskosten;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk;
IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Verheij w.g. Schuurman
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019
282-910.