Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22376

2026-08-10 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.17865 en NL25.20330
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-10
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
NL25.17865 en NL25.20330
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

MK Jemen. De rechtbank gaat in deze uitspraak in op het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen (WBV 2025/20), en de vraag of het op dat beleid gebaseerde standpunt van de minister, dat zich in Sana’a een relatief hoger niveau van willekeurig geweld voordoet, houdbaar is. Hierbij betrekt de rechtbank het gebied van terugkeer in Jemen en de humanitaire omstandigheden, en de wijze waarop deze zijn betrokken in de beoordeling van de minister. Eiser krijgt geen gelijk.

Citeert (33)

Geciteerd door (4)

Volledige tekst

Volledige tekst (41.383 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummers: NL25.17865 en NL25.20330


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[naam] ,

V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),



en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigden: mr. N. Mikolajczyk en mr. M. Weerman).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw., Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank gaat in deze uitspraak in op het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20, en de vraag of het op dat beleid gebaseerde standpunt van de minister, dat zich in Sana’a een relatief hoger niveau van willekeurig geweld voordoet, houdbaar is. Hierbij betrekt de rechtbank het gebied van terugkeer in Jemen en de humanitaire omstandigheden, en de wijze waarop deze zijn betrokken in de beoordeling van de minister.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen gelijk krijgt. Het beroep is gegrond omdat de minister de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.




Procesverloop


2. Eiser heeft op 10 februari 2023 een aanvraag ingediend voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep op 24 september 2024 gegrond verklaard. Eisers tweede beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is door de zittingsplaats Zwolle op 10 februari 2025 gegrond verklaard. Op 16 april 2025 heeft eiser voor de derde keer beroep (NL25.17865) ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.



2.2.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 april 2025 afgewezen als ongegrond.



2.3.
Eiser heeft beroep (NL25.20330) ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 9 mei 2025, 21 januari 2026 en 10 april 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend.



2.4.
De minister heeft op 21 januari 2026 en 3 april 2026 een verweerschrift ingediend.



2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 april 2026 gelijktijdig op zitting behandeld, tezamen met de beroepen van eisers meerderjarige broer (NL25.17863 en NL25.20329). Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn broer (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.




Beoordeling door de rechtbank



Reikwijdte beroep




3. Op 16 april 2025 heeft eiser een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 10 februari 2023 (NL25.17865). Op 24 april 2025 heeft de minister op de asielaanvraag van eiser beslist en dit besluit toegevoegd aan het dossier in het hiervoor genoemde zaaknummer. Eiser heeft vervolgens op 1 mei 2025 afzonderlijk beroep ingesteld tegen het besluit van 24 april 2025 (NL25.20330).



3.1.
Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit. Eiser had dus niet opnieuw een beroepschrift hoeven in te dienen. Het latere beroep (NL25.20330) is daarom onverschuldigd ingediend.




Beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit


4. Niet in geschil is dat de minister niet binnen de door zittingsplaats Zwolle in de uitspraak van 10 februari 2025 opgelegde nadere beslistermijn alsnog een besluit op de asielaanvraag van eiser heeft genomen. Omdat de minister, nadat eiser een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen had ingesteld, alsnog een besluit heeft genomen op eisers aanvraag, heeft eiser geen belang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal het opvolgend beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren.



4.1.
De rechtbank overweegt dat, wanneer de minister hangende het beroep in verband met het niet tijdig nemen van een besluit, alsnog een besluit neemt, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding van de bij eisers in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit opgekomen proceskosten.




Beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit

5. Met het besluit van 24 april 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met dat besluit. Daarom toetst de rechtbank dat besluit hierna aan de hand van de door de eiser ingediende beroepsgronden.



Het asielrelaas



6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft en dat hij tot de Arabische bevolkingsgroep behoort. Hij is geboren in Saoedi-Arabië en is daar grotendeels opgegroeid. Later woonde hij enige tijd met zijn moeder, broer en zus in Jemen. Samen met zijn ouders, broer en zus is eiser met een Frans visum vanuit Saoedi-Arabië naar Frankrijk gereisd. Vanuit Frankrijk is het gezin doorgereisd naar Nederland. Zijn ouders en zus zijn vervolgens teruggekeerd naar Saoedi-Arabië. Eiser heeft verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Jemen vanwege een gebrek aan de belangrijkste levensvoorzieningen, de angst voor verplichte rekrutering en de oorlog in het algemeen.



Het bestreden besluit



7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst.


7.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat eiser uit Jemen komt is op zichzelf niet genoeg om een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Volgens de minister is in heel Jemen, en dus ook voor de stad Sana’a, sprake van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Het is daarom aan eiser om op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken waarom specifiek hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Volgens de minister is eiser daarin niet geslaagd. Hiervoor acht de minister van belang dat eiser gedurende zijn korte verblijf in Jemen niet is benaderd door de Houthi-strijdkrachten en dat hij niet past in het profiel van de mannen die zich bij de Houthi-beweging aansluiten. Ook heeft eiser onbelemmerd toegang gehad tot onderwijs en geen problemen ondervonden als gevolg van het gebrek aan basisvoorzieningen. Ten slotte kan eiser volgens de minister niet als alleenstaande minderjarige worden aangemerkt, omdat in Jemen adequate opvang voor hem aanwezig is.



Aanvullende motivering van het bestreden besluit




8. De minister heeft met het verweerschrift van 8 april 2026 een aanvullende motivering van het bestreden besluit ingediend. Gelet hierop kleeft aan dat besluit een motiveringsgebrek.




8.1.
Het beroep is reeds daarom gegrond en het besluit van 24 april 2025 moet worden vernietigd. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van dat besluit, waarbij de inhoud van het verweerschrift van 8 april 2026 en het verhandelde op zitting worden meegewogen, in stand kunnen blijven.



Zienswijze herhaald en ingelast



9. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.



Processueel



10. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het landenbeleid is gewijzigd en de Afdeling een uitspraak heeft gedaan over de veiligheidssituatie in Jemen. Er is daarom sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die van invloed zijn op de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas. Eiser voert aan dat de beoordeling van het risico dat eiser loopt in de zin van artikel 15c, aanhef en onder c, van de Kri anders is. De minister had daarom, gelet op artikel 3.119 van het Vb, een nieuw voornemen moeten uitbrengen en eiser in de gelegenheid moeten stellen daarop zijn zienswijze te geven.



10.1.
De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat in deze zaak geen sprake is van een situatie waarin na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden bekend zijn geworden, die anders beoordeeld of gewogen moeten worden. In deze zaak was de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 aanleiding voor de rechtbank om de minister te verzoeken een reactie te geven. Dit betreft ontwikkelingen van na het bestreden besluit van 24 april 2025, waarop artikel 3.119 van het Vb niet van toepassing is.



Werkinstructie (WI) 2024/6





11. Eiser voert aan dat de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het recht. Door enkel te toetsen aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw en geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, heeft de minister in strijd gehandeld met het Unierecht, het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser onder andere verwezen naar de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 18 februari 2025, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie. Eiser is van mening dat, zelfs als zou moeten worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, de minister het asielrelaas van eiser ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Ook wijst eiser op uitspraken van de zittingsplaatsen Amsterdam, Den Haag en Groningen.




11.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 8 augustus 2025 twee uitspraken gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank oordeelt in onderhavige zaak echter dat er geen grond is voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kri, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2014/10. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4, vijfde lid, van de Kri, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat doet de rechtbank hieronder. De algemene verwijzing van eiser naar uitspraken van de verschillende zittingsplaatsen is geen reden om deze werkwijze te verlaten.



15c-situatie in Jemen en Sana’a





Juridisch kader

12. De rechtbank zal, alvorens de beroepsgronden te bespreken, eerst het beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.




12.1.
Als gevolg van het arrest X en Y van het Hof van Justitie en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 over dit arrest, neemt de minister voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3 van de Vw verschillende gradaties van willekeurig geweld aan. De drie gradaties zijn:



uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;


relatief hoger niveau van willekeurig geweld;


relatief lager niveau van willekeurig geweld.





12.2.
Het uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld betreft de situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een burger alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon.



12.3.
Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister het hoogste niveau van willekeurig geweld (voorheen: ‘meest uitzonderlijke situatie’). In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld (voorheen: ‘minder uitzonderlijke gradatie’). In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.



12.4.
In paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc staat welke elementen de minister in elk geval en in samenhang weegt bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Bij deze beoordeling moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen:



de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;


de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;


de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;


de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;


de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; en,


de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.





12.5.
De Afdeling is in de uitspraak van 16 juli 2025 ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen niet langer sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken, namelijk:



slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;


de recente confrontaties;


het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en


de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.





12.6.
Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het AAB Jemen 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te maken met inachtneming van dit nieuwe Ambtsbericht. In de Kamerbrief van 8 oktober 2025 heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht van april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 de wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. De wijzigingen zijn opgenomen in WBV 2025/20.



Gevolgen gewijzigd landenbeleid


13. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit van 24 april 2025 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in het WBV 2024/9. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 kan dat besluit, zoals hiervoor al overwogen, geen standhouden. De minister heeft erkend dat de humanitaire omstandigheden niet in het bestreden besluit zijn betrokken en heeft op dat punt de motivering aangevuld. De rechtbank zal, zoals hiervoor al is overwogen, het beroep daarom gegrond verklaren en het besluit van 24 april 2025 vernietigen en beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.



Aanvullende motivering in verweerschriften


14. De minister stelt zich in de verweerschriften op het standpunt dat in de stad Sana’a sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Dit gold in WBV 2024/9 voor Jemen als geheel en is voor Sana’a ongewijzigd gebleven bij de introductie van het huidige landgebonden asielbeleid voor Jemen in WBV 2025/20 op 15 oktober 2025. In de Kamerbrief van 8 oktober 2025 heeft de minister de wijziging van het landenbeleid voor Jemen toegelicht, naar aanleiding van het AAB Jemen 2025 en de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Bij de Kamerbrief zijn twee bijlagen gevoegd: de beslisnota en de bijlage over artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. De minister is op basis van die stukken van mening dat geen sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri.



Is de beoordeling van de veiligheidssituatie volledig?


15. Eiser voert ten eerste aan dat de minister met het gewijzigde landenbeleid een te beperkte invulling heeft gegeven aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Volgens eiser is onvoldoende rekening gehouden met onder andere de slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieven, de recente confrontaties tussen strijdende partijen, het verhoogde percentage ontheemden en de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen van strijdende partijen. Eiser verwijst daarbij naar uitspraken van verschillende zittingsplaatsen.



15.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister in voldoende mate alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen die van belang zijn voor de beoordeling van de mate van willekeurig geweld in Jemen, meer specifiek in de stad Sana’a. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 17 juni 2026. Daarin is in rechtsoverwegingen 11.2 en 11.3 geoordeeld dat de minister alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc en genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank kan zich met deze overwegingen verenigen. De minister is in voldoende mate op de humanitaire omstandigheden ingegaan. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het zorgelijk is dat veel mensen in Jemen afhankelijk zijn van humanitaire hulp zowel in het door de regering gecontroleerde gebied als in Houthi-gebied, maar dat uit het AAB Jemen 2025 ook volgt dat met name de Houthi’s oorlog bewust gebruikten om de humanitaire situatie te verslechteren in frontlinies, regio’s onder eigen controle en indien mogelijk regeringsgebieden. Sana’a wordt in het AAB niet genoemd als een van de provincies die het meest met voedselonzekerheid kampen. De minister heeft erop gewezen dat hij bij zijn beoordeling niet alleen de aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking heeft betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden en op welke wijze deze beïnvloed werden door methoden van oorlogsvoering. Zo is onder andere betrokken hoe deze methoden van invloed waren op de voedselproductie en infrastructuur. Daarbij komt dat de minister ook nog is nagegaan of er sindsdien relevante wijzigingen in de veiligheidssituatie van Sana’a zijn geweest. Zoals volgt uit het arrest CF en DN moeten de relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en dat heeft de minister conform de opdracht van de Afdeling van 16 juli 2025 in voldoende mate gedaan. Onder verwijzing naar overweging 10.4 van de uitspraak van zittingsplaats Arnhem vat de rechtbank de term ‘globaal’ aldus op dat de 15-beoordeling allesomvattend moet zijn, in die zin dat alle omstandigheden moeten worden betrokken.



Is sprake van het hoogste niveau van willekeurig geweld?

16. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) van 6 januari 2026, waarin verschillende bronnen worden aangehaald. Ook verwijst eiser naar recente landeninformatie, zoals samengesteld door VWN op 7 november 2025 en 5 januari 2026, waaruit blijkt dat de veiligheidssituatie opnieuw is verslechterd.




16.1.
De minister stelt dat eiser afkomstig is uit Sana’a stad. De Houthi’s hebben volgens het AAB 2025 voornamelijk mijnen gelegd langs frontlinies. De frontlinies zijn echter ver van de stad Sana’a verwijderd gebleven. Wel had Sana’a voor het bestand van 2022 te maken met grote aantallen luchtaanvallen, uitgevoerd door Saoedi-Arabië. Na het bestand voerde Saoedi-Arabië geen luchtaanvallen meer uit. In het eerste kwartaal van 2024 kreeg de stad te maken met luchtaanvallen van de internationale coalitie. In juli en december 2024 raakten ook Israëlische luchtaanvallen doelen in Sana’a. In 2023 en 2024 bleven de door ACLED in Sana’a geregistreerde aantallen gevechten minimaal. De geregistreerde incidenten van ‘explosies en geweld op afstand’ in 2024 betroffen zonder uitzondering luchtaanvallen van de internationale coalitie of Israël.



16.2.
De minister heeft vervolgens navraag gedaan of de situatie in Sana’a stad recent is gewijzigd. Uit cijfers van ACLED is gebleken dat in Sana’a stad tussen 1 maart 2025 en 16 januari 2026 sprake is geweest van zeventien incidenten die door ACLED als ‘battles’ worden aangemerkt. Deze zeventien incidenten zagen op gerichte aanslagen op Houthi personeel, onenigheid over de afdracht van belastingen aan de Houthi’s dan wel pogingen van de Houthi’s om land te verkrijgen van een stam. Bij deze gerichte incidenten zijn - voor zover bekend - vijf slachtoffers gevallen. Deze slachtoffers kunnen dan ook niet aangemerkt worden als slachtoffers als gevolg van willekeurig geweld. In de categorie ‘Violence against civilians’ vonden 83 incidenten plaats, waarbij - naar bekend - twee slachtoffers zijn gevallen. Voorts vonden in de categorie ‘explosions/remote violence’ vijf incidenten plaats waarbij Houthi’s en burgers betrokken waren. Voor zover bekend is daarbij één slachtoffer gevallen. Daarnaast vonden in de genoemde periode 156 luchtaanvallen plaats van de zijde van de Amerikaanse luchtmacht en 25 luchtaanvallen van de zijde van de Israëlische luchtmacht. Hoewel bij luchtaanvallen burgers het risico kunnen lopen slachtoffer te worden van willekeurig geweld, zijn hierbij - voor zover bekend - geen dodelijke slachtoffers gevallen. Gelet hierop meent de minister dat niet is gebleken van recente wezenlijke wijzingen in de veiligheidssituatie van Sana’a. Vervolgens stelt de minister zich op het standpunt dat in 2024 een lichte verbetering heeft plaatsgevonden voor wat betreft de toegankelijkheid van humanitaire hulp volgens ACAPS. Hoewel intimidaties plaatsvinden, blijkt uit het Ambtsbericht wel dat in Jemen mensenrechtenorganisaties actief zijn. Hieruit volgt dat de humanitaire hulp niet non-existent is of dat de hulp niet in zijn geheel geweigerd wordt.



16.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zich in Jemen, en dus ook in de stad Sana’a, niet de hoogste gradatie van de mate van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw voordoet. Dat de minister voor Jemen, en dus ook voor de stad Sana’a, een lager niveau aanneemt komt de rechtbank niet onjuist voor. Dat eiser verwijst naar de uitspraak van 25 november 2025 van de zittingsplaats Rotterdam maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. In die uitspraak oordeelde de rechtbank dat de bijlage bij de 15c-beoordeling dateert van voor de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en niet inzichtelijk was hoe in dat kader rekening kon worden gehouden met het beoordelingskader zoals volgt uit die Afdelingsafspraak. Omdat sprake was van een kennelijke fout in de datering van de beslisnota, is die veronderstelling onjuist. Ook eisers verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 23 april 2025 gaat niet op, nu uit die uitspraak volgt dat de rechtbank in die zaak van oordeel was dat de minister in zijn beoordeling niet alle relevante omstandigheden voldoende in aanmerking had genomen. In de onderhavige zaak is de rechtbank van oordeel dat de minister dit juist wel gedaan heeft. Eiser heeft verder ook niet concreet onderbouwd dat uit de algemene informatie die hij heeft overgelegd blijkt dat er sprake is van verergering van willekeurig geweld tegen de burgerbevolking, noch in welke mate of in hoeverre de informatie op hem persoonlijk van toepassing is.



16.4.
Bovenstaande betekent dat eiser op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk moet maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers.



Verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld

17. Zoals volgt uit het arrest X en Y en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3. van de Vc moet eiser bij lagere niveaus van willekeurig geweld aan de hand van zijn persoonlijke individuele situatie en omstandigheden aannemelijk maken dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.




17.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een groter risico loopt dan anderen. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat de situaties die eiser heeft ingebracht deel uitmaken van de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie. De minister heeft in het bestreden besluit eveneens de jonge leeftijd van eiser betrokken en gesteld dat eiser kan terugvallen op zijn familie en dat hij uit een welgestelde familie komt. Gedurende eisers verblijf in Jemen is hij naar school geweest en woonde hij in het huis van zijn opa. Niet is gebleken dat eiser op enig moment belemmerd is geweest in zijn bestaansmogelijkheden, noch dat dat in de toekomst het geval zal zijn. De minister heeft in de beoordeling ook betrokken dat de omstandigheid dat eiser een kind is nog niet betekent dat hij in die hoedanigheid gerekruteerd zal worden door de Houthi’s. De bronnen waar eiser naar verwijst maken melding van de kinderen van kwetsbare groepen die zich aansluiten uit economisch oogpunt. Gebleken is dat eiser geen kind is dat valt onder één van deze kwetsbare groepen en dat zich zal aansluiten vanwege economische motieven. Ook is de minister ingegaan op de sociale positie van eiser in Jemen en heeft hij hierbij overwogen dat eiser kan terugvallen op zijn familie die in Sana‘a verblijft, dat niet is gebleken dat (zijn) welgestelde familie(s) een bijdrage moet(en) leveren in de vorm van mankracht, dat eiser toegang heeft tot basisvoorzieningen in Jemen en dat ook niet is gebleken dat eiser een verhoogd risico loopt omdat hij enige tijd heeft verbleven in Saudi-Arabië.



Conclusie 15c-beoordeling


18. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister inzichtelijk heeft gemaakt hoe de elementen uit het arrest CF en DN in onderlinge samenhang hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen, meer specifiek Sana’a, geen sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. De minister heeft op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Ook heeft de minister voldoende onderzocht en gemotiveerd op welke wijze de individuele omstandigheden van eiser niet leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld bij terugkeer naar Jemen.



Buitenschuldbeleid



19. Eiser voert aan dat er geen adequate opvang is in Jemen, omdat zijn ouders en zus in Saudi-Arabië wonen. De minister heeft eiser ten onrechte niet gehoord over de omstandigheden waarin hij wordt opgevangen in het land van herkomst. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eisers ouders weer voor hem zouden kunnen gaan zorgen. Bovendien is er geen sprake van een traceerbaar adres in Jemen van de ouders van eiser. In Nederland is bovendien Nidos voogd van eiser. De minister kan daarom niet stellen dat zijn oudere broer bij terugkeer de zorgtaken op zich kan nemen. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser naar het arrest TQ en relevante jurisprudentie.



19.1.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser nog in contact staat met zijn ouders. Uit het arrest TQ volgt dat de zorgplicht van ouders voor hun minderjarige kinderen inhoudt, dat zij ervoor moeten zorgen dat er op enige wijze opvang voor het kind in het land van herkomst aanwezig is. Uit dit arrest volgt ook dat de minister de situatie van een niet-begeleide minderjarige algemeen en grondig moet beoordelen, rekening houdend met het belang van het kind, en zich ervan moet overtuigen dat adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, voordat hij een terugkeerbesluit uitvaardigt. De Afdeling heeft hierbij overwogen dat de omstandigheid dat ouders zich in een ander land dan het land van herkomst bevinden, niet in de weg staat aan voornoemde zorgplicht van de ouders voor het kind. Ondanks dat eiser geen niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, omdat hij in Nederland verblijft bij zijn meerderjarige broer die ook feitelijk de zorg voor hem draagt, heeft de minister voldoende onderzoek verricht naar de opvangmogelijkheden van eiser in Jemen. Zo is onder andere overwogen dat eisers broer en ook andere familie in Jemen aanwezig is die eerder zorg hebben gedragen voor eiser. Eisers broer heeft aangegeven dat hij de zorgtaken voor eiser in Jemen zal voortzetten. Ook heeft de minister betrokken dat eiser in contact staat met zijn ouders en dat zijn ouders op een traceerbaar adres verblijven in Saudi-Arabië. Daarbij kunnen de ouders van eiser op legale wijze Saudi-Arabië in- en uitreizen. Eisers broer heeft namelijk verklaard dat eisers ouders eerder op de Filipijnen en in China hebben gestudeerd, terwijl eiser en zijn broer op dat moment in Jemen verbleven. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij, samen met zijn moeder, zus en broer, eerder in Jemen is geweest. Ook heeft eiser verklaard dat zijn ouders samen met hem naar Frankrijk en Nederland zijn gereisd en daarna zijn teruggekeerd naar Saudi-Arabië. Op basis van deze verklaringen heeft de minister mogen concluderen dat de ouders van eiser deze reisbewegingen op legale wijze hebben gemaakt en heeft hij mogen veronderstellen dat zij ook in de toekomst op legale wijze Saudi-Arabië legaal kunnen uitreizen. Eiser heeft de stelling dat dit niet (meer) mogelijk is, niet nader onderbouwd.



19.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden heeft overwogen dat voor eiser bij terugkeer naar Jemen adequate opvang aanwezig is. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld stelt dat de broer van eiser zorgtaken op zich kan nemen, ondanks dat Nidos in Nederland de formele voogdij heeft over eiser. De enkele stelling van eiser dat zijn broer in Jemen niet voor hem zou kunnen zorgen, maakt dit niet anders. Ook de stelling van eiser dat in de besluitvorming onvoldoende is betrokken dat zijn ouders onrechtmatig in Saudi-Arabië verblijven, maakt het voorgaande niet anders omdat deze stelling niet is onderbouwd. Dat deze omstandigheid is genoemd in de brief van Nidos is hiervoor onvoldoende, omdat het onduidelijk is van wie deze brief afkomstig is. Het beroep van eiser op het arrest TQ en de genoemde jurisprudentie slaagt dan ook niet, waardoor ook geen schending van de hoorplicht heeft plaatsgevonden.



Artikel 3 van het EVRM




20. Eiser doet een beroep op de algemene onveilige situatie in Jemen. Hij stelt dat hij bij terugkeer naar Jemen in een situatie van materiele deprivatie terecht zal komen. Ook stelt eiser dat eenieder bij terugkeer een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.




20.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser terecht zal komen in een situatie van materiële deprivatie of in slechte humanitaire omstandigheden als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Zoals ook hierboven is overwogen, heeft eiser in het verleden kunnen terugvallen op zijn familie die woonachtig is in Jemen en mag worden verondersteld dat dit in de toekomst niet anders zal zijn. Daarbij is mede van belang dat eiser heeft verklaard dat hij gedurende zijn verblijf in Jemen naar school is gegaan en in het huis van zijn opa heeft verbleven. Ook is gebleken dat eiser toegang heeft gehad tot onderwijs, gezondheidszorg en/of primaire levensbehoeften.



Slotsom

21. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.





Conclusie en gevolgen


22. Het onverschuldigd ingediende beroep (NL25.20330) zal niet-ontvankelijk worden verklaard.


22.1.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit (NL25.17865) is niet-ontvankelijk, omdat de minister alsnog op de asielaanvraag heeft beslist. Omdat het beroep terecht is ingediend heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 467,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt met wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 934,-).



22.2.
Het beroep NL25.17865 dat gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb ook is gericht tegen het besluit van 24 april 2025, is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. Het besluit van 24 april 2025 zal worden vernietigd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook hiervoor een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.401,- (0,5 punt voor het indienen van aanvullende gronden van beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 22 april 2026, met wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 934,-).





Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep NL25.20330 niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep NL25.17865 voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep NL25.17865 voor zover gericht tegen het besluit van 24 april 2025 gegrond;


vernietigt het besluit van 24 april 2025;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzitter, en mr. A.G.D. Overmars en
mr. L.J. van der Veen, leden, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier.



De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Vreemdelingenwet 2000.


Verwijzingen in deze uitspraak naar regelgeving betreffen steeds de tekst van vóór 12 juni 2026.


NL24.25267 en NL24.25268.


NL24.50659 en NL24.50660.


Algemene wet bestuursrecht.


Tenzij het alsnog genomen besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. Vgl.: ECLI:NL:RBDHA:2023:11453 en ECLI:NL:RBDHA:2023:11456.


ECLI:NL:RVS:2010:BM9389 en ECLI:NL:RVS:2019:665.


ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2 en ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5.


ECLI:NL:RVS:2025:3487.


Kwalificatierichtlijn, 2011/95/EU.


ECLI:NL:RVS:2018:2169 en ECLI:NL:RVS:2022:1028.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.


Vreemdelingenbesluit 2000.


Inmiddels vervangen door WI 2026/16.


Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


ECLI:NL:RBDHA:2025:2170.


Hof van Justitie van de Europese Unie.


ECLI:NL:RBDHA:2025:2514.


ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.


ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.


Ibid.


ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41.


ECLI:NL:RVS:2024:2927.


Zie WBV 2016/18 en (laatstelijk) WBV 2022/26.


Vreemdelingencirculaire 2000.


Onder andere gebaseerd op het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472. Zie ook het arrest Sufi en Elmi van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD0000831907.


Algemeen Ambtsbericht Jemen van 18 april 2025.


Kamerstukken 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.


Zittingsplaats Rotterdam, ECLI:NL:RBDHA:2026:22462, zittingsplaats Roermond, ECLI:NL:RBDHA:2026:25445 en zittingsplaats Utrecht, ECLI:NL:RBDHA:2025:6989.


ECLI:NL:RBDHA:2026:17061.


ECLI:EU:C:2021:472.


Aanvullende gronden van 21 januari 2026, p. 27.


AAB Jemen, april 2025, p. 14, 20 en 22.


Armed Conflict Location and Event Data.


AAB Jemen, april 2025, p. 33.


Briefverweer van 21 januari 2026, p. 4.


Attack, Abduction/forced disappearance.


Assessment Capacities Project.


AAB Jemen, april 2025, onder andere pagina 88 en pagina 101.


ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.


Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:22462, onder 20.


ECLI:NL:RBDHA:2025:6989.


Hof van Justitie, 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94, punt 42.


Bestreden besluit, p. 6.


Bestreden besluit, p. 8 – 10.


Hof van Justitie, 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.


ECLI:NL:RVS:2022:1530, ECLI:NL:RVS:2023:114 en ECLI:NL:RBDHA:2023:14096.


ECLI:NL:RVS:2012:BW7803.


Bestreden besluit, p. 11.


Aanmeldgehoor broer eiser van 28 februari 2023, p. 11.


Nader gehoor, 29 maart 2024, p. 5.


Aanmeldgehoor AMV, 28 februari 2023, p. 14.