Raad van State
ECLI:NL:RVS:2018:2169
2018-07-04
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201801023/1/V2
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 december 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2018:2168 Raad van State 04-07-2018
- ECLI:NL:RVS:2018:2170 Raad van State 04-07-2018
- ECLI:NL:RVS:2018:2168 Raad van State 04-07-2018
Geciteerd door (144)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24582 Rechtbank Den Haag 28-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22376 Rechtbank Den Haag 10-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22379 Rechtbank Den Haag 10-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22370 Rechtbank Den Haag 10-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20781 Rechtbank Den Haag 24-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3733 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12774 Rechtbank Den Haag 20-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12627 Rechtbank Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13150 Rechtbank Den Haag 15-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16916 Rechtbank Den Haag 06-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24347 Rechtbank Den Haag 28-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10838 Rechtbank Den Haag 17-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9078 Rechtbank Den Haag 09-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8447 Rechtbank Den Haag 08-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5837 Rechtbank Den Haag 18-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4751 Rechtbank Den Haag 09-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3416 Rechtbank Den Haag 20-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3374 Rechtbank Den Haag 20-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2997 Rechtbank Den Haag 03-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1411 Rechtbank Den Haag 28-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1032 Rechtbank Den Haag 23-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:891 Rechtbank Den Haag 21-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:739 Rechtbank Den Haag 19-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27809 Rechtbank Den Haag 19-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27111 Rechtbank Den Haag 17-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27966 Rechtbank Den Haag 15-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:28039 Rechtbank Den Haag 11-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23118 Rechtbank Den Haag 05-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23053 Rechtbank Den Haag 04-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21748 Rechtbank Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21526 Rechtbank Den Haag 14-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21426 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20205 Rechtbank Den Haag 31-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:28015 Rechtbank Den Haag 20-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:28016 Rechtbank Den Haag 20-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19179 Rechtbank Den Haag 15-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18959 Rechtbank Den Haag 15-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18197 Rechtbank Den Haag 02-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17562 Rechtbank Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17412 Rechtbank Den Haag 23-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16648 Rechtbank Den Haag 08-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:26400 Rechtbank Den Haag 03-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:26398 Rechtbank Den Haag 21-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13462 Rechtbank Den Haag 23-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13238 Rechtbank Den Haag 21-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12621 Rechtbank Den Haag 14-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13685 Rechtbank Den Haag 11-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12025 Rechtbank Den Haag 08-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12301 Rechtbank Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24791 Rechtbank Den Haag 23-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19746 Rechtbank Den Haag 20-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9605 Rechtbank Den Haag 30-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9493 Rechtbank Den Haag 28-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8655 Rechtbank Den Haag 16-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8462 Rechtbank Den Haag 14-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8458 Rechtbank Den Haag 14-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7253 Rechtbank Den Haag 29-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7254 Rechtbank Den Haag 29-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24380 Rechtbank Den Haag 25-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7130 Rechtbank Den Haag 18-04-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (6.027 tekens)
201801023/1/V2.
Datum uitspraak: 4 juli 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 januari 2018 in zaak nr. NL17.15450 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 26 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaken ECLI:NL:RVS:2018:2168 en ECLI:NL:RVS:2018:2170 ter zitting behandeld op 26 april 2018, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. F.S. Schoot, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. H. van der Wal, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij is geboren als man, maar zich vrouw voelt en zich als vrouw kleedt. De Afdeling zal daarom vrouwelijke aanduidingen gebruiken.
Zij heeft verklaard dat zij meerdere malen is aangehouden door de politie en meerdere waarschuwingsbrieven heeft ontvangen. Ook heeft zij verklaard dat aan haar boetes zijn opgelegd en dat de autoriteiten haar hebben bedreigd met gevangenschap.
1.1. De staatssecretaris heeft geloofwaardig geacht dat de vreemdeling transgender is. De staatssecretaris heeft ook de door de vreemdeling ondervonden problemen geloofwaardig geacht.
De staatssecretaris klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar ondervonden problemen een zo ernstige beperking van haar bestaansmogelijkheden opleveren dat het voor haar onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Cuba te functioneren. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar problemen verband houden met haar genderidentiteit en dat deze niet zwaarwegend genoeg zijn om als vervolging in vluchtelingrechtelijke zin aan te merken.
1.2. De in deze grief opgeworpen vraag heeft de Afdeling bij uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2018:2168, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Wat voor het overige is aangevoerd, hoeft geen bespreking. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, overweegt de Afdeling als volgt.
Beroepsgronden
3. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte de op 22 november 2017 ingediende aanvullingen en correcties op het nader gehoor niet heeft meegewogen bij het voornemen, evenals informatie uit in de zienswijze vermelde bronnen. De vreemdeling heeft niet onderkend dat de staatsecretaris in het besluit van 18 december 2017 is ingegaan op wat zij in de aanvullingen en correcties heeft vermeld. De vreemdeling heeft niet gemotiveerd waarom deze reactie van de staatssecretaris tekortschiet. De staatssecretaris is verder ook ingegaan op de door de vreemdeling in de zienswijze aangehaalde landeninformatie, voor zover deze te herleiden is. De beroepsgrond faalt.
4. De vreemdeling heeft verder betoogd dat wat zij heeft verklaard over haar genderidentiteit haar privéleven raakt dat door artikel 8 van het EVRM wordt beschermd. Dit betoog is een herhaling van wat zij in de zienswijze heeft aangevoerd en waarop de staatssecretaris in het besluit gemotiveerd heeft gereageerd. De vreemdeling heeft niet gemotiveerd waarom deze reactie van de staatssecretaris tekortschiet. Reeds hierom faalt de beroepsgrond.
5. De vreemdeling heeft ten slotte betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte ambtshalve heeft geweigerd krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in Cuba behandeling ontving voor haar HIV-besmetting en dat mag worden verondersteld dat zij deze behandeling bij terugkeer opnieuw krijgt. De vreemdeling heeft gesteld dat dit niet zeker is, maar heeft dat niet onderbouwd. Hiermee heeft zij het standpunt van de staatssecretaris onvoldoende weerlegd. De beroepsgrond faalt.
6. Gelet op het voorgaande en omdat er geen verdere beroepsgronden meer zijn die bespreking behoeven, moet het beroep ongegrond worden verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 januari 2018 in zaak nr. NL17.15450;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Engelhart, griffier.
w.g. Verheij w.g. Engelhart
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018
643.
Datum uitspraak: 4 juli 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 januari 2018 in zaak nr. NL17.15450 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 26 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaken ECLI:NL:RVS:2018:2168 en ECLI:NL:RVS:2018:2170 ter zitting behandeld op 26 april 2018, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. F.S. Schoot, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. H. van der Wal, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij is geboren als man, maar zich vrouw voelt en zich als vrouw kleedt. De Afdeling zal daarom vrouwelijke aanduidingen gebruiken.
Zij heeft verklaard dat zij meerdere malen is aangehouden door de politie en meerdere waarschuwingsbrieven heeft ontvangen. Ook heeft zij verklaard dat aan haar boetes zijn opgelegd en dat de autoriteiten haar hebben bedreigd met gevangenschap.
1.1. De staatssecretaris heeft geloofwaardig geacht dat de vreemdeling transgender is. De staatssecretaris heeft ook de door de vreemdeling ondervonden problemen geloofwaardig geacht.
De staatssecretaris klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar ondervonden problemen een zo ernstige beperking van haar bestaansmogelijkheden opleveren dat het voor haar onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Cuba te functioneren. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar problemen verband houden met haar genderidentiteit en dat deze niet zwaarwegend genoeg zijn om als vervolging in vluchtelingrechtelijke zin aan te merken.
1.2. De in deze grief opgeworpen vraag heeft de Afdeling bij uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2018:2168, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Wat voor het overige is aangevoerd, hoeft geen bespreking. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, overweegt de Afdeling als volgt.
Beroepsgronden
3. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte de op 22 november 2017 ingediende aanvullingen en correcties op het nader gehoor niet heeft meegewogen bij het voornemen, evenals informatie uit in de zienswijze vermelde bronnen. De vreemdeling heeft niet onderkend dat de staatsecretaris in het besluit van 18 december 2017 is ingegaan op wat zij in de aanvullingen en correcties heeft vermeld. De vreemdeling heeft niet gemotiveerd waarom deze reactie van de staatssecretaris tekortschiet. De staatssecretaris is verder ook ingegaan op de door de vreemdeling in de zienswijze aangehaalde landeninformatie, voor zover deze te herleiden is. De beroepsgrond faalt.
4. De vreemdeling heeft verder betoogd dat wat zij heeft verklaard over haar genderidentiteit haar privéleven raakt dat door artikel 8 van het EVRM wordt beschermd. Dit betoog is een herhaling van wat zij in de zienswijze heeft aangevoerd en waarop de staatssecretaris in het besluit gemotiveerd heeft gereageerd. De vreemdeling heeft niet gemotiveerd waarom deze reactie van de staatssecretaris tekortschiet. Reeds hierom faalt de beroepsgrond.
5. De vreemdeling heeft ten slotte betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte ambtshalve heeft geweigerd krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in Cuba behandeling ontving voor haar HIV-besmetting en dat mag worden verondersteld dat zij deze behandeling bij terugkeer opnieuw krijgt. De vreemdeling heeft gesteld dat dit niet zeker is, maar heeft dat niet onderbouwd. Hiermee heeft zij het standpunt van de staatssecretaris onvoldoende weerlegd. De beroepsgrond faalt.
6. Gelet op het voorgaande en omdat er geen verdere beroepsgronden meer zijn die bespreking behoeven, moet het beroep ongegrond worden verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 januari 2018 in zaak nr. NL17.15450;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Engelhart, griffier.
w.g. Verheij w.g. Engelhart
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018
643.