Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28039
2025-12-11
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.52002 en NL25.52003
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
asiel. beroep ongegrond. colombiaanse nationaliteit. bedreigingen door los costenos ongeloofwaardig. kennelijk ongegrond, terugkeerbesluit en inreisverbod
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2011:5075 Raad van State 03-05-2011
- ECLI:NL:RV8:2011:BR6660
- ECLI:NL:RVS:2017:2053 Raad van State 31-07-2017
- ECLI:NL:RVS:2019:755 Raad van State 11-03-2019
- ECLI:NL:RVS:2018:2169 Raad van State 04-07-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.268 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.52002 (beroep) en NL25.52003 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 10 februari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Van Wezel als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bedreigd is door de criminele groepering Los Costeños in zijn land van herkomst. Eiser had in Colombia zijn eigen onderneming en hij is bedreigd omdat hij extra inkomsten had. Eiser heeft aangifte gedaan van deze bedreiging. Eiser verbleef bij een vriendin tot zijn vertrek naar Nederland. Hij ging daar in eerste instantie heen met toeristische doeleinden, maar toen hij daar was aangekomen is hij overtuigd door zijn tante om asiel aan te vragen in Nederland. Bij terugkeer naar Colombia vreest eiser om opnieuw afgeperst te worden of om zelfs vermoord te worden.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; en
de bedreigingen door Los Costeños.
3.1.
Verweerder vindt eisers eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd om dit asielmotief te onderbouwen. Verweerder heeft daarom getoetst of eiser dit asielmotief anderszins aannemelijk heeft gemaakt, maar dit is niet het geval. Eiser heeft niet samenhangend en aannemelijk verklaard en verweerder werpt eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat hij daar geen goede verklaring voor heeft. Het geloofwaardig geachte asielmotief is volgens verweerder onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Ten eerste dient hetgeen wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast worden beschouwd. Verder vindt eiser dat het bestreden besluit niet rust op een draagkrachtige motivering. Eiser heeft de documenten overgelegd die van hem in alle redelijkheid verwacht konden worden en daarmee heeft hij zijn relaas volledig onderbouwd. Ook vindt eiser dat nu verweerder niet uitdrukkelijk heeft gemotiveerd waarom de bedreiging niet heeft plaatsgevonden, het op grond van jurisprudentie van de Afdeling geloofwaardig geacht moet worden. Verweerder gaat ook voorbij aan het feit dat er een hoge mate van corruptie is, dat uit het ambtsbericht blijkt dat afpersers vaak niet traceerbaar zijn en er sprake is van een hoge mate van straffeloosheid omdat mensen geen aangifte durven te doen. Verder is het logisch dat alleen eiser is benaderd door de criminele groep nu hij de inkomsten op zijn rekening kreeg en zijn collega niet. De asielaanvraag is ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard nu hem onjuist is verweten dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig als mogelijk heeft ingediend. Vervolgens is het inreisverbod van twee jaar dat verweerder op grond van de kennelijk ongegrondverklaring heeft uitgevaardigd onzorgvuldig tot stand gekomen nu verweerder de relatie van eiser met een Poolse vrouw niet heeft meegewogen in zijn beoordeling.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Herhaald en ingelast
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele verwijzing naar wat eerder door hem is aangevoerd in de zienswijze, onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de bedreigingen door Los Costeños ongeloofwaardig vinden. Verweerder mocht constateren dat eiser zijn verklaringen niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. Eiser heeft ten aanzien van de bedreigingen documenten overgelegd zoals de schriftelijke bedreiging van Los Costeños, screenshots van WhatsApp-communicatie en stukken omtrent zijn aangifte. Eiser beroept zich erop dat deze documenten voldoende zijn om zijn relaas volledig te onderbouwen. Echter mocht verweerder stellen dat de overgelegde documenten geen originele documenten zijn en dat deze documenten de verklaringen van eiser daarom niet volledig kunnen onderbouwen. Verweerder mocht dit vinden nu deze e-mails en WhatsApp-berichten niet afkomstig zijn van een objectief verifieerbare bron en deze niet op echtheid zijn te controleren. Met betrekking tot de e-mails over de aangifte mocht verweerder ook vinden dat de aangifte enkel is gebaseerd op verklaringen van eiser zelf en dat de aangifte geen objectieve onderbouwing is van de gestelde feiten. Bovendien heeft eiser ook niet de originele aangifte overgelegd maar enkel e-mails over de aangifte. Verweerder heeft daarom het asielmotief mogen doortoetsen aan artikel 31, zesde lid, van de Vw. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder vervolgens aan eiser mocht tegenwerpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over het tweede asielmotief. Verweerder mocht hierbij betrekken dat eiser de stand van zaken van zijn aangifte niet heeft gevolgd. Zo heeft eiser in zijn nader gehoor hiervoor de reden gegeven dat hij niks meer met zijn aangifte te maken wilde hebben en dat hij rustig wilde worden omdat het zulke stressvolle weken waren geweest. Dat eiser vervolgens in zijn zienswijze hierover iets heel anders aanvoert, te weten dat hij niet meer naar zijn aangifte heeft gekeken omdat het toch geen zin had, maakt zijn relaas op dit punt al om die reden niet aannemelijk. Daarnaast mocht verweerder vinden dat van eiser verwacht mag worden dat hij zijn ingediende aangifte in de gaten houdt nu dit de kern van zijn asielrelaas raakt. Ook nu deze informatie nodig is voor de onderbouwing van zijn asielaanvraag. Dat eiser niet verder heeft geïnformeerd naar de aangifte omdat uit het ambtsbericht blijkt dat het afpersen van een persoon vrij anoniem kan door het gebruik van moderne technologieën wordt niet gevolgd. Verweerder mocht vinden dat dit geen verschoonbare reden is voor het niet volgen van de aangifte nu de manier waarop afpersers te werk gaan geen invloed heeft op de stand van zaken van de aangifte. Ook de stelling van eiser dat er geen verdere ontwikkeling is geweest over de aangifte nu eiser geen e-mails heeft ontvangen wordt niet gevolgd door de rechtbank nu eiser eerder zelf heeft verklaard dat hij niet meer naar de aangifte heeft willen kijken. Ook mocht verweerder vinden dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de politie corrupt is en dat hij geen bescherming kan krijgen in Colombia. Verweerder mag daarom op grond van de vreemdelingencirculaire aannemen dat de autoriteiten in Colombia in het algemeen bescherming bieden. Het betoog van eiser dat hij met de overgelegde stukken heeft aangetoond dat er sprake is van corruptie binnen de politie verandert het oordeel van de rechtbank niet. De overgelegde bronnen gaan namelijk enkel in op de traceerbaarheid van afpersers en in de overgelegde stukken wordt niet verder ingegaan op de corruptie van de politie. Ook heeft eiser stukken overgelegd die gaan over de straffeloosheid van mensen die geen aangifte hebben gedaan. Het beroep van eiser dat hieruit blijkt dat het geen zin heeft om bescherming in te roepen in Colombia slaagt ook niet nu deze stukken niet van toepassing zijn op eiser, omdat hij juist wel aangifte heeft gedaan.
8.1.
Ook mocht verweerder bij zijn beoordeling betrekken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom specifiek hij werd bedreigd door Los Costeños vanwege zijn hoge inkomsten. Zo heeft eiser verklaard dat hij ondernemer was in Colombia en vier keer het minimumloon verdiende. Eiser werkte samen met zijn collega Yordan Avila en samen deelden zij het maandelijkse inkomen van het bedrijf. Verweerder mocht het bevreemdend vinden dat alleen eiser is bedreigd nu eiser heeft verklaard dat zij de winst samen deelden en dat er geen geld op de bankrekening bleef staan. Verweerder mocht vinden dat de enkele stelling van eiser dat Yordan niet werd benaderd omdat hij zijn geld ontvangt op Paypal, noch daargelaten dat dit niet is onderbouwd, onvoldoende uitleg is om aan te nemen dat Los Costeños hem niet zou kunnen benaderen.
8.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij zijn beoordeling mocht betrekken dat na de gestelde bedreigingen op 16 januari 2024 er niets meer is gebeurd. Eiser heeft verklaard dat hij afgezien van het pamflet, één telefoongesprek en enkele WhatsApp-berichten niets meer heeft vernomen van Los Costeños. Hoewel eiser heeft verklaard dat hij een nieuwe simkaart heeft aangeschaft en daardoor niet meer bedreigd kon worden via zijn telefoon, heeft eiser ook verklaard dat Los Costeños alles weet. Verweerder mocht het daarom bevreemdend vinden dat nu Los Costeños onder andere het adres van zijn woning wist dat eiser ook daar geen bedreigingen meer heeft ontvangen. Hierbij mocht verweerder ook betrekken dat de moeder van eiser en zijn collega nog altijd veilig in Colombia verblijven. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij niet terug wil keren naar Colombia omdat het daar gevaarlijk is en dat men risico loopt op straat te worden beschoten. Verweerder mocht vinden dat dit enkel een algemene verklaring is en hieruit niet blijkt dat er nog sprake is van een persoonlijke dreiging van Los Costeños.
8.3.
Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder niet aan de bedreiging zelf heeft getoetst. Eiser voert aan dat verweerder bij zijn beoordeling niet ingaat op de geloofwaardigheid van de bedreiging zelf en dat de gronden van verweerder enkel betrekking hebben op de nasleep van de bedreiging. Eiser verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling waaruit blijkt dat wanneer het relaas niet uitdrukkelijk ongeloofwaardig is beoordeeld dat het geloofwaardig geacht moet worden. Echter overweegt de rechtbank dat verweerder in het voornemen uitdrukkelijk heeft vermeld dat de bedreigingen van eiser ongeloofwaardig wordt geacht. Vervolgens geeft verweerder verschillende redenen op waarom de bedreigingen niet geloofwaardig wordt geacht. Dat deze redenen niet zien op de bedreigingen zelf, doet niets af aan de geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank overweegt dat het voldoende is dat verweerder de omstandigheden om de bedreigingen heen als ongeloofwaardig heeft beoordeeld, zoals het motief van de bedreiging en het verloop na de bedreiging. Verweerder mocht gelet daarop de bedreigingen zelf daarom ongeloofwaardig mocht vinden. De verwijzing van eiser naar de jurisprudentie van de Afdeling slaagt gelet op het voorgaande niet. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser onvoldoende samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn bedreigingen door Los Costeños.
9. Verweerder mocht ook aan eiser tegenwerpen dat hij niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag in Nederland heeft ingediend. De rechtbank gaat uit van het feit dat eiser op 1 februari 2024 Nederland in is gereisd en hij pas op 6 februari 2024 asiel heeft aangevraagd, nu dit niet betwist is door eiser. Verweerder heeft in het bestreden besluit de datum gecorrigeerd van 5 februari 2024 naar 6 februari 2024 maar dit verandert niets aan het oordeel van verweerder nu beide data niet vallen binnen de gestelde termijn van 48 uur. Het betoog van eiser dat hij wilde bijkomen van de vlucht, dat hij niet wist hoe de asielprocedure werkte en hij de tijd heeft genomen om dit uit te zoeken, wordt niet gevolgd door de rechtbank. Dit zijn geen verschoonbare redenen voor het feit dat eiser zich pas meerdere dagen na het verstrijken van de termijn heeft gemeld bij de autoriteiten.
10. Verweerder heeft de bedreigingen van Los Costeños gelet op voorgaande overwegingen ongeloofwaardig kunnen vinden.
Kennelijk ongegrond, terugkeerbesluit en inreisverbod
11. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen het mogelijk was. Gelet op wat is overwogen in rechtsoverweging 9 ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder ten onrechte eisers asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
12. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat de oplegging van het inreisverbod onzorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk niet dat verweerder bij het uitvaardigen van het inreisverbod de relatie van eiser met de Poolse vrouw heeft meegewogen in zijn beoordeling.
12.1.
De rechtbank ziet echter aanleiding om het geconstateerde gebrek te passeren, omdat eiser erdoor niet in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft hier namelijk ter zitting wel een standpunt over gegeven en de rechtbank volgt verweerder hierin. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hij in de aangevoerde omstandigheden geen reden ziet om af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat er niet voldoende is aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van een relatie tussen eiser en de Poolse vrouw. De foto’s en de tickets die eiser heeft overgelegd zijn daarvoor niet voldoende. Er is dan ook geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, die maakt dat het inreisverbod onrechtmatig is. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat, al zou er wel sprake zijn van een relatie, de partner van eiser hem in Colombia kan opzoeken. Na twee jaar wordt het inreisverbod opgeheven en dan kan eiser zelf weer naar Polen komen om zijn partner op te zoeken en eventueel een verblijfsvergunning aan te vragen in Polen. De rechtbank overweegt dat verweerder mocht vinden dat hij geen reden ziet voor toepassing van zijn bevoegdheid om af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.
14. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
15. Omdat de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit heeft gepasseerd, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten van eiser te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,-.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw.
Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Zie ook artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw.
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
Artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw
ABRS 03-05-2011 ECLI:NL:RVS:2011:5075 201010502/1/V2 ro 2.1.4; ABRS 31-08-2011
ECLI:NL:RV8:2011:BR6660 ro 2.2.4; ABRS 31-07-2017 ECLI:NL;RVS:2017:2052 201700669/1/V1 ro 2.2; ABRS 31-07-2017 ECLI:NL:RVS:2017:2053 201700680/1/V1 ro 2.2; ABRS 11-03-2019 ECLI:NL:RVS:2019:755 201810206/1/V2 ro 3.1
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, r.o. 3.
Verslag van het nader gehoor, pagina 22.
Vreemdelingencirculaire C7/10.5.1.
Verslag van het nader gehoor, p.16.
Verslag van het nader gehoor, p. 17.
Verslag van het nader gehoor, p. 14.
Verslag van het nader gehoor, p. 13.
Verslag van het nader gehoor, p. 5 en 13.
Verslag van het nader gehoor, p. 28.
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw
Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
Vreemdelingencirculaire A4/2.2.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.52002 (beroep) en NL25.52003 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 10 februari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Van Wezel als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bedreigd is door de criminele groepering Los Costeños in zijn land van herkomst. Eiser had in Colombia zijn eigen onderneming en hij is bedreigd omdat hij extra inkomsten had. Eiser heeft aangifte gedaan van deze bedreiging. Eiser verbleef bij een vriendin tot zijn vertrek naar Nederland. Hij ging daar in eerste instantie heen met toeristische doeleinden, maar toen hij daar was aangekomen is hij overtuigd door zijn tante om asiel aan te vragen in Nederland. Bij terugkeer naar Colombia vreest eiser om opnieuw afgeperst te worden of om zelfs vermoord te worden.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; en
de bedreigingen door Los Costeños.
3.1.
Verweerder vindt eisers eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd om dit asielmotief te onderbouwen. Verweerder heeft daarom getoetst of eiser dit asielmotief anderszins aannemelijk heeft gemaakt, maar dit is niet het geval. Eiser heeft niet samenhangend en aannemelijk verklaard en verweerder werpt eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat hij daar geen goede verklaring voor heeft. Het geloofwaardig geachte asielmotief is volgens verweerder onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Ten eerste dient hetgeen wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast worden beschouwd. Verder vindt eiser dat het bestreden besluit niet rust op een draagkrachtige motivering. Eiser heeft de documenten overgelegd die van hem in alle redelijkheid verwacht konden worden en daarmee heeft hij zijn relaas volledig onderbouwd. Ook vindt eiser dat nu verweerder niet uitdrukkelijk heeft gemotiveerd waarom de bedreiging niet heeft plaatsgevonden, het op grond van jurisprudentie van de Afdeling geloofwaardig geacht moet worden. Verweerder gaat ook voorbij aan het feit dat er een hoge mate van corruptie is, dat uit het ambtsbericht blijkt dat afpersers vaak niet traceerbaar zijn en er sprake is van een hoge mate van straffeloosheid omdat mensen geen aangifte durven te doen. Verder is het logisch dat alleen eiser is benaderd door de criminele groep nu hij de inkomsten op zijn rekening kreeg en zijn collega niet. De asielaanvraag is ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard nu hem onjuist is verweten dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig als mogelijk heeft ingediend. Vervolgens is het inreisverbod van twee jaar dat verweerder op grond van de kennelijk ongegrondverklaring heeft uitgevaardigd onzorgvuldig tot stand gekomen nu verweerder de relatie van eiser met een Poolse vrouw niet heeft meegewogen in zijn beoordeling.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Herhaald en ingelast
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele verwijzing naar wat eerder door hem is aangevoerd in de zienswijze, onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de bedreigingen door Los Costeños ongeloofwaardig vinden. Verweerder mocht constateren dat eiser zijn verklaringen niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. Eiser heeft ten aanzien van de bedreigingen documenten overgelegd zoals de schriftelijke bedreiging van Los Costeños, screenshots van WhatsApp-communicatie en stukken omtrent zijn aangifte. Eiser beroept zich erop dat deze documenten voldoende zijn om zijn relaas volledig te onderbouwen. Echter mocht verweerder stellen dat de overgelegde documenten geen originele documenten zijn en dat deze documenten de verklaringen van eiser daarom niet volledig kunnen onderbouwen. Verweerder mocht dit vinden nu deze e-mails en WhatsApp-berichten niet afkomstig zijn van een objectief verifieerbare bron en deze niet op echtheid zijn te controleren. Met betrekking tot de e-mails over de aangifte mocht verweerder ook vinden dat de aangifte enkel is gebaseerd op verklaringen van eiser zelf en dat de aangifte geen objectieve onderbouwing is van de gestelde feiten. Bovendien heeft eiser ook niet de originele aangifte overgelegd maar enkel e-mails over de aangifte. Verweerder heeft daarom het asielmotief mogen doortoetsen aan artikel 31, zesde lid, van de Vw. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder vervolgens aan eiser mocht tegenwerpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over het tweede asielmotief. Verweerder mocht hierbij betrekken dat eiser de stand van zaken van zijn aangifte niet heeft gevolgd. Zo heeft eiser in zijn nader gehoor hiervoor de reden gegeven dat hij niks meer met zijn aangifte te maken wilde hebben en dat hij rustig wilde worden omdat het zulke stressvolle weken waren geweest. Dat eiser vervolgens in zijn zienswijze hierover iets heel anders aanvoert, te weten dat hij niet meer naar zijn aangifte heeft gekeken omdat het toch geen zin had, maakt zijn relaas op dit punt al om die reden niet aannemelijk. Daarnaast mocht verweerder vinden dat van eiser verwacht mag worden dat hij zijn ingediende aangifte in de gaten houdt nu dit de kern van zijn asielrelaas raakt. Ook nu deze informatie nodig is voor de onderbouwing van zijn asielaanvraag. Dat eiser niet verder heeft geïnformeerd naar de aangifte omdat uit het ambtsbericht blijkt dat het afpersen van een persoon vrij anoniem kan door het gebruik van moderne technologieën wordt niet gevolgd. Verweerder mocht vinden dat dit geen verschoonbare reden is voor het niet volgen van de aangifte nu de manier waarop afpersers te werk gaan geen invloed heeft op de stand van zaken van de aangifte. Ook de stelling van eiser dat er geen verdere ontwikkeling is geweest over de aangifte nu eiser geen e-mails heeft ontvangen wordt niet gevolgd door de rechtbank nu eiser eerder zelf heeft verklaard dat hij niet meer naar de aangifte heeft willen kijken. Ook mocht verweerder vinden dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de politie corrupt is en dat hij geen bescherming kan krijgen in Colombia. Verweerder mag daarom op grond van de vreemdelingencirculaire aannemen dat de autoriteiten in Colombia in het algemeen bescherming bieden. Het betoog van eiser dat hij met de overgelegde stukken heeft aangetoond dat er sprake is van corruptie binnen de politie verandert het oordeel van de rechtbank niet. De overgelegde bronnen gaan namelijk enkel in op de traceerbaarheid van afpersers en in de overgelegde stukken wordt niet verder ingegaan op de corruptie van de politie. Ook heeft eiser stukken overgelegd die gaan over de straffeloosheid van mensen die geen aangifte hebben gedaan. Het beroep van eiser dat hieruit blijkt dat het geen zin heeft om bescherming in te roepen in Colombia slaagt ook niet nu deze stukken niet van toepassing zijn op eiser, omdat hij juist wel aangifte heeft gedaan.
8.1.
Ook mocht verweerder bij zijn beoordeling betrekken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom specifiek hij werd bedreigd door Los Costeños vanwege zijn hoge inkomsten. Zo heeft eiser verklaard dat hij ondernemer was in Colombia en vier keer het minimumloon verdiende. Eiser werkte samen met zijn collega Yordan Avila en samen deelden zij het maandelijkse inkomen van het bedrijf. Verweerder mocht het bevreemdend vinden dat alleen eiser is bedreigd nu eiser heeft verklaard dat zij de winst samen deelden en dat er geen geld op de bankrekening bleef staan. Verweerder mocht vinden dat de enkele stelling van eiser dat Yordan niet werd benaderd omdat hij zijn geld ontvangt op Paypal, noch daargelaten dat dit niet is onderbouwd, onvoldoende uitleg is om aan te nemen dat Los Costeños hem niet zou kunnen benaderen.
8.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij zijn beoordeling mocht betrekken dat na de gestelde bedreigingen op 16 januari 2024 er niets meer is gebeurd. Eiser heeft verklaard dat hij afgezien van het pamflet, één telefoongesprek en enkele WhatsApp-berichten niets meer heeft vernomen van Los Costeños. Hoewel eiser heeft verklaard dat hij een nieuwe simkaart heeft aangeschaft en daardoor niet meer bedreigd kon worden via zijn telefoon, heeft eiser ook verklaard dat Los Costeños alles weet. Verweerder mocht het daarom bevreemdend vinden dat nu Los Costeños onder andere het adres van zijn woning wist dat eiser ook daar geen bedreigingen meer heeft ontvangen. Hierbij mocht verweerder ook betrekken dat de moeder van eiser en zijn collega nog altijd veilig in Colombia verblijven. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij niet terug wil keren naar Colombia omdat het daar gevaarlijk is en dat men risico loopt op straat te worden beschoten. Verweerder mocht vinden dat dit enkel een algemene verklaring is en hieruit niet blijkt dat er nog sprake is van een persoonlijke dreiging van Los Costeños.
8.3.
Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder niet aan de bedreiging zelf heeft getoetst. Eiser voert aan dat verweerder bij zijn beoordeling niet ingaat op de geloofwaardigheid van de bedreiging zelf en dat de gronden van verweerder enkel betrekking hebben op de nasleep van de bedreiging. Eiser verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling waaruit blijkt dat wanneer het relaas niet uitdrukkelijk ongeloofwaardig is beoordeeld dat het geloofwaardig geacht moet worden. Echter overweegt de rechtbank dat verweerder in het voornemen uitdrukkelijk heeft vermeld dat de bedreigingen van eiser ongeloofwaardig wordt geacht. Vervolgens geeft verweerder verschillende redenen op waarom de bedreigingen niet geloofwaardig wordt geacht. Dat deze redenen niet zien op de bedreigingen zelf, doet niets af aan de geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank overweegt dat het voldoende is dat verweerder de omstandigheden om de bedreigingen heen als ongeloofwaardig heeft beoordeeld, zoals het motief van de bedreiging en het verloop na de bedreiging. Verweerder mocht gelet daarop de bedreigingen zelf daarom ongeloofwaardig mocht vinden. De verwijzing van eiser naar de jurisprudentie van de Afdeling slaagt gelet op het voorgaande niet. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser onvoldoende samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn bedreigingen door Los Costeños.
9. Verweerder mocht ook aan eiser tegenwerpen dat hij niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag in Nederland heeft ingediend. De rechtbank gaat uit van het feit dat eiser op 1 februari 2024 Nederland in is gereisd en hij pas op 6 februari 2024 asiel heeft aangevraagd, nu dit niet betwist is door eiser. Verweerder heeft in het bestreden besluit de datum gecorrigeerd van 5 februari 2024 naar 6 februari 2024 maar dit verandert niets aan het oordeel van verweerder nu beide data niet vallen binnen de gestelde termijn van 48 uur. Het betoog van eiser dat hij wilde bijkomen van de vlucht, dat hij niet wist hoe de asielprocedure werkte en hij de tijd heeft genomen om dit uit te zoeken, wordt niet gevolgd door de rechtbank. Dit zijn geen verschoonbare redenen voor het feit dat eiser zich pas meerdere dagen na het verstrijken van de termijn heeft gemeld bij de autoriteiten.
10. Verweerder heeft de bedreigingen van Los Costeños gelet op voorgaande overwegingen ongeloofwaardig kunnen vinden.
Kennelijk ongegrond, terugkeerbesluit en inreisverbod
11. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen het mogelijk was. Gelet op wat is overwogen in rechtsoverweging 9 ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder ten onrechte eisers asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
12. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat de oplegging van het inreisverbod onzorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk niet dat verweerder bij het uitvaardigen van het inreisverbod de relatie van eiser met de Poolse vrouw heeft meegewogen in zijn beoordeling.
12.1.
De rechtbank ziet echter aanleiding om het geconstateerde gebrek te passeren, omdat eiser erdoor niet in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft hier namelijk ter zitting wel een standpunt over gegeven en de rechtbank volgt verweerder hierin. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hij in de aangevoerde omstandigheden geen reden ziet om af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat er niet voldoende is aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van een relatie tussen eiser en de Poolse vrouw. De foto’s en de tickets die eiser heeft overgelegd zijn daarvoor niet voldoende. Er is dan ook geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, die maakt dat het inreisverbod onrechtmatig is. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat, al zou er wel sprake zijn van een relatie, de partner van eiser hem in Colombia kan opzoeken. Na twee jaar wordt het inreisverbod opgeheven en dan kan eiser zelf weer naar Polen komen om zijn partner op te zoeken en eventueel een verblijfsvergunning aan te vragen in Polen. De rechtbank overweegt dat verweerder mocht vinden dat hij geen reden ziet voor toepassing van zijn bevoegdheid om af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.
14. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
15. Omdat de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit heeft gepasseerd, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten van eiser te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,-.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw.
Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Zie ook artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw.
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
Artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw
ABRS 03-05-2011 ECLI:NL:RVS:2011:5075 201010502/1/V2 ro 2.1.4; ABRS 31-08-2011
ECLI:NL:RV8:2011:BR6660 ro 2.2.4; ABRS 31-07-2017 ECLI:NL;RVS:2017:2052 201700669/1/V1 ro 2.2; ABRS 31-07-2017 ECLI:NL:RVS:2017:2053 201700680/1/V1 ro 2.2; ABRS 11-03-2019 ECLI:NL:RVS:2019:755 201810206/1/V2 ro 3.1
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, r.o. 3.
Verslag van het nader gehoor, pagina 22.
Vreemdelingencirculaire C7/10.5.1.
Verslag van het nader gehoor, p.16.
Verslag van het nader gehoor, p. 17.
Verslag van het nader gehoor, p. 14.
Verslag van het nader gehoor, p. 13.
Verslag van het nader gehoor, p. 5 en 13.
Verslag van het nader gehoor, p. 28.
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw
Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
Vreemdelingencirculaire A4/2.2.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.