Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8447
2026-04-08
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.37913
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
derdelander Oekraïne, RTB, nieuw besluit, vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond.
Citeert (8)
- ECLI:EU:C:2024:1038
- ECLI:NL:RVS:2025:1827 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1829 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1836 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:4843 Rechtbank Amsterdam 10-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:32 Raad van State 17-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2018:2169 Raad van State 04-07-2018
- ECLI:NL:RVS:2022:1028 Raad van State 07-04-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.845 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37913
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Raak)
Procesverloop
In het besluit van 12 augustus 2025 heeft verweerder bepaald dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt en dat eiser geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB). Eiser dient binnen vier weken na die datum terug te keren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1999 en heeft de Egyptische nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser verzoekt eerst om hetgeen hij in zijn zienswijze van 1 juli 2025 heeft aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder voert hij aan dat pas een terugkeerbesluit kan worden opgelegd als de bevriezingsmaatregel eindigt. Daarvan is geen sprake en het terugkeerbesluit is daarom prematuur. Verweerder heeft ten onrechte gelet op het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel geen individuele belangenafweging gemaakt. Eiser vreest bij terugkeer naar Egypte voor behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Het feit dat verweerder eiser niet heeft gehoord is strijdig met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser heeft er belang bij dat hij niet wordt gesignaleerd in het SIS.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. Verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet juist of toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
5. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken van 25 april 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het bestreden besluit vermeldt dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar Egypte. Daarmee voldoet het besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
6. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
7. Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat een terugkeerbesluit is genomen slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Vervolgens heeft eiser op dit voornemen gereageerd met een zienswijze. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het vervangende terugkeerbesluit werd genomen, waardoor niet is gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
8. Eiser heeft zijn stelling dat hij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM niet aannemelijk gemaakt. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 18 september 2024 is afgewezen en dat dit besluit in rechte vaststaat.
9. Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een
terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Uit wat door
eiser is aangevoerd kan echter niet worden opgemaakt dat hij in Nederland
beschermenswaardig familie- of privéleven heeft zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
De door eiser aangevoerde omstandigheden dat hij werkt als tandarts en dat hij bezig is met examens leiden niet tot een ander oordeel. Deze procedure heeft betrekking op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de RTB. De rechtbank begrijpt uit het dossier dat eiser al een aanvraag heeft ingediend in verband met zijn werkzaamheden in Nederland.
10. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat
eiser geen gelijk krijgt. Het besluit van 12 augustus 2025 blijft in stand. Artikel 3, eerste lid, van de Verordening (EU) 2018/1860 brengt de verplichting mee voor verweerder om dit besluit te signaleren in het SIS.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2169) en 7 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1028).
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37913
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Raak)
Procesverloop
In het besluit van 12 augustus 2025 heeft verweerder bepaald dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt en dat eiser geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB). Eiser dient binnen vier weken na die datum terug te keren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1999 en heeft de Egyptische nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser verzoekt eerst om hetgeen hij in zijn zienswijze van 1 juli 2025 heeft aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder voert hij aan dat pas een terugkeerbesluit kan worden opgelegd als de bevriezingsmaatregel eindigt. Daarvan is geen sprake en het terugkeerbesluit is daarom prematuur. Verweerder heeft ten onrechte gelet op het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel geen individuele belangenafweging gemaakt. Eiser vreest bij terugkeer naar Egypte voor behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Het feit dat verweerder eiser niet heeft gehoord is strijdig met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser heeft er belang bij dat hij niet wordt gesignaleerd in het SIS.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. Verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet juist of toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
5. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken van 25 april 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het bestreden besluit vermeldt dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar Egypte. Daarmee voldoet het besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
6. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
7. Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat een terugkeerbesluit is genomen slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Vervolgens heeft eiser op dit voornemen gereageerd met een zienswijze. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het vervangende terugkeerbesluit werd genomen, waardoor niet is gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
8. Eiser heeft zijn stelling dat hij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM niet aannemelijk gemaakt. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 18 september 2024 is afgewezen en dat dit besluit in rechte vaststaat.
9. Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een
terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Uit wat door
eiser is aangevoerd kan echter niet worden opgemaakt dat hij in Nederland
beschermenswaardig familie- of privéleven heeft zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
De door eiser aangevoerde omstandigheden dat hij werkt als tandarts en dat hij bezig is met examens leiden niet tot een ander oordeel. Deze procedure heeft betrekking op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de RTB. De rechtbank begrijpt uit het dossier dat eiser al een aanvraag heeft ingediend in verband met zijn werkzaamheden in Nederland.
10. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat
eiser geen gelijk krijgt. Het besluit van 12 augustus 2025 blijft in stand. Artikel 3, eerste lid, van de Verordening (EU) 2018/1860 brengt de verplichting mee voor verweerder om dit besluit te signaleren in het SIS.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2169) en 7 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1028).