Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22379
2026-08-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.9791
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
MK Jemen. De rechtbank gaat in deze uitspraak in op het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen (WBV 2025/20), en de vraag of het op dat beleid gebaseerde standpunt van de minister, dat zich in Taiz een relatief hoger niveau van willekeurig geweld voordoet, houdbaar is. Hierbij betrekt de rechtbank het gebied van terugkeer in Jemen en de humanitaire omstandigheden, en de wijze waarop deze zijn betrokken in de beoordeling van de minister. Eiser krijgt geen gelijk en komt niet in aanmerking voor het buitenschuldbeleid.
Citeert (23)
- ECLI:NL:RVS:2025:3153 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2018:2169 Raad van State 04-07-2018
- ECLI:NL:RVS:2022:1028 Raad van State 07-04-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2025:139 Rechtbank Den Haag 07-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 Rechtbank Den Haag 08-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14853 Rechtbank Den Haag 08-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2021:1766 Raad van State 05-08-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:2615 Raad van State 24-11-2021
- ECLI:EU:C:2021:487
- ECLI:EU:C:2023:843
- ECLI:NL:RVS:2024:2927 Raad van State 17-07-2024
- ECLI:EU:C:2021:472
- ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD0000831907
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17061 Rechtbank Den Haag 23-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22462 Rechtbank Den Haag 25-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9143 Rechtbank Den Haag 11-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3153 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:EU:C:2009:94
- ECLI:EU:C:2021:9
- ECLI:NL:RVS:2022:1530 Raad van State 08-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2023:114 Raad van State 13-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:14096 Rechtbank Den Haag 13-09-2023
- ECLI:EU:C:2021:9
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29185 Rechtbank Den Haag 02-10-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29185 Rechtbank Den Haag 02-10-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26739 Rechtbank Den Haag 14-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (42.802 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9791
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam],
V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk en mr. M. Weerman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw., Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank gaat in deze uitspraak in op het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20, en op de vraag of het op dat beleid gebaseerde standpunt van de minister, dat zich in Taiz een relatief hoger niveau van willekeurig geweld voordoet, houdbaar is. Hierbij betrekt de rechtbank het gebied van terugkeer in Jemen en de humanitaire omstandigheden, en de wijze waarop deze zijn betrokken in de beoordeling van de minister.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen gelijk krijgt. Hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen individueel risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook komt eiser niet in aanmerking voor het buitenschuldbeleid. Het beroep is gegrond, omdat de minister de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 16 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 3 februari 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 31 maart 2025 en 28 mei 2025 beroepsgronden ingediend. De minister heeft op 13 mei 2025 een verweerschrift ingediend.
2.2.
De minister heeft desgevraagd op 8 april 2026 schriftelijk gereageerd op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025.
2.3.
Eiser heeft op 8 april 2026 en 21 april 2026 aanvullende gronden en stukken ingediend.
2.4.
De minister heeft op 16 april 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Ook was een tolk aanwezig. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit, behoort tot de Arabische bevolkingsgroep en is geboren op 8 juli 2006. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij uit Taiz in Jemen is vertrokken, omdat zijn naam op school door de Houthi’s op een lijst was gezet. Zij wilden dat eiser voor hen ging vechten. Nadat eiser was vertrokken, heeft hij van zijn moeder te horen gekregen dat de Houthi’s, toen eiser nog in Jemen was, drie keer bij haar naar hem hebben gevraagd. Ook is via het dorpshoofd en de oom van eiser een oproep aan zijn moeder overhandigd waaruit blijkt dat eiser zich moest melden bij de Houthi’s. Eiser vreest gedwongen gerekruteerd te worden door de Houthi’s.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- De persoonlijke problemen met de Houthi’s. Hieronder valt de gebeurtenis dat zij eisers naam eind 2022 op een lijst hebben gezet en de hierop gevolgde problemen, namelijk dat de Houthi’s meerdere keren bij eisers huis zijn geweest om hem te zoeken.
4.1.
De minister acht eisers nationaliteit, identiteit en herkomst geloofwaardig, omdat eiser dit motief heeft onderbouwd met zijn paspoort en geboorteakte. De problemen met de Houthi’s acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft dit asielmotief niet volledig onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft het asielmotief niet alsnog geloofwaardig geacht, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en c van de Vw. Eiser is geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en loopt bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade. De minister concludeert dat de asielaanvraag als ongegrond kan worden afgewezen.
4.2.
Eiser krijgt evenmin een reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV. Eiser krijgt een terugkeerbesluit en moet Nederland en een aantal andere landen binnen vier weken verlaten. In het kader van het terugkeerbesluit stelt de minister dat hij de belangen van het kind, zoals verwoord in artikel 3 van het IVRK, zorgvuldig heeft gewogen.
Aanvullende motivering van het bestreden besluit
5. De minister heeft met het verweerschrift van 8 april 2026 een aanvullende motivering van het bestreden besluit ingediend. Gelet hierop heeft dat besluit een motiveringsgebrek.
5.1.
Het beroep is reeds daarom gegrond en het besluit van 3 februari 2025 moet worden vernietigd. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van dat besluit, waarbij de inhoud van het verweerschrift van 8 april 2026 en het verhandelde op zitting worden meegewogen, in stand kunnen blijven.
Zienswijze herhaald en ingelast
6. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Werkinstructie (WI) 2024/6
7. Eiser voert aan dat de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het recht. Door enkel te toetsen aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw en geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, heeft de minister gehandeld in strijd met het Unierecht, het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie. Eiser is van mening dat, zelfs als zou moeten worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, de minister het asielrelaas van eiser ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht.
7.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 8 augustus 2025 twee uitspraken gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank oordeelt echter dat er geen grond is voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn (Kri), die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2014/10. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4, vijfde lid, van de Kri, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat doet de rechtbank hieronder. De algemene verwijzing van eiser naar de prejudiciële vragen van de zittingsplaats Roermond is geen reden om de zaak aan te houden of de werkwijze van WI 2024/6 te verlaten.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
Derde asielmotief
8. Eiser voert aan dat er een derde asielmotief is. Eisers familie staat lokaal niet bekend als Houthi-aanhanger. Hij wijst erop dat zijn vader om het leven is gekomen en dat zijn broer eerder naar Nederland is gevlucht, omdat ook die niet mee wilde vechten met de Houthi’s. Dit, gecombineerd met het algemeen gerichte geweld, maakt dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hem een onmenselijke behandeling wacht bij terugkeer.
8.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft gesteld, dat van eiser wordt verwacht dat hij al zijn asielmotieven zo snel mogelijk naar voren brengt of een verschoonbare reden aandraagt waarom hij dit motief niet eerder naar voren had kunnen brengen. Eiser geeft in dit geval in het geheel geen reden waarom hij nu pas met dit motief komt. Als de redenen die eiser aandraagt niet verschoonbaar zijn, wordt een asielmotief in beginsel niet geloofwaardig geacht. Daar komt bij dat in de beoordeling van het asielmotief over de problemen met de Houthi’s door de minister al het overlijden van eisers vader en het vertrek van eisers broer naar Nederland is betrokken; ook is ingegaan op de algemene situatie in Jemen.
Referentiekader
9. Eiser voert aan dat de minister bij de beoordeling van eisers verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. Eiser stelt dat de minister had moeten beoordelen wat in redelijkheid van de verklaringen van eiser, in het licht van het referentiekader, kan worden verwacht. Ter verduidelijking voert eiser aan dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij onduidelijk en wisselend heeft verklaard, omdat de data van de gebeurtenissen niet altijd overeenkomen. Dit blijkt ook uit de bewoordingen van zijn antwoorden op vragen in het nader gehoor, zoals volgens mij en ongeveer, waaruit enige twijfel kan worden afgeleid. Ook in de correcties en aanvullingen worden de schattingen van eiser nogmaals benadrukt, geeft eiser aan dat hij zich in data heeft vergist en heeft hij het moment waarop hij door de Houthi’s is geregistreerd gerectificeerd. Daarbij voert eiser aan dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij meer concrete informatie had kunnen hebben over wat zich bij hem thuis heeft afgespeeld tijdens zijn afwezigheid, omdat hij contact heeft met zijn moeder.
9.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister in het voornemen noch in het bestreden besluit een referentiekader heeft weergegeven waarmee hij bij de beoordeling van het asielrelaas rekening gehouden heeft. Hoewel het niet opnemen van een referentiekader in de besluitvorming niet per definitie leidt tot onrechtmatigheid van het besluit, maakt de minister door het wel vermelden van dat referentiekader inzichtelijk met welk referentiekader rekening is gehouden bij de toetsing van het asielrelaas. De minister stelt dat bij de beoordeling van de aanvraag van eiser, ondanks dat het referentiekader niet is vermeld, hiermee wel degelijk rekening is gehouden.
9.2.
De rechtbank oordeelt dat de enkele stelling dat de minister onvoldoende rekening zou hebben gehouden met eisers referentiekader geen doel treft. Eiser geeft namelijk niet concreet aan op welke punten de minister tijdens de besluitvorming onvoldoende rekening zou hebben gehouden met eisers referentiekader en wat de minister daarin anders had moeten doen. Ook heeft eiser niet aangegeven welke omstandigheden maken dat van hem niet meer verlangd zou mogen worden. De problemen waarover eiser heeft verklaard zijn begonnen in 2022/2023 en vormen de kern van het asielrelaas. Eiser was toen zestien jaar oud. Dat eiser minderjarig was en zijn vader is overleden betekent niet – zonder nadere onderbouwing – dat hij niet eenduidig zou kunnen verklaren over de door hem zelf in eerste instantie genoemde specifieke data en het door hem gestelde tijdpad van gebeurtenissen. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat eiser meer had kunnen verklaren over wat zich bij hem thuis heeft afgespeeld, omdat hij in contact staat met zijn moeder en haar daar (ook op een later moment) naar had kunnen vragen. Ook uit het dossier is het de rechtbank niet gebleken dat eiser niet heeft kunnen verklaren omtrent zijn asielrelaas.
9.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet zonder meer wijzigingen of aanvullingen die naar voren worden gebracht in de correcties en aanvullingen hoeft over te nemen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mocht worden dat hij in de correcties en aanvullingen al nader zou hebben verduidelijkt dat hij eigenlijk tijdens het gehoor had bedoeld te zeggen dat hij al eerder was geregistreerd. Eiser heeft immers in de correcties en aanvullingen juist specifiek over deze vragen correcties opgenomen. De verduidelijking is destijds ten onrechte achterwege gebleven. De minister heeft hiermee kenbaar gemotiveerd waarom hij de correcties en aanvullingen niet heeft betrokken bij zijn afweging. Het standpunt van eiser dat zijn verklaringen over de controleposten tijdens de uitreis uit Jemen berusten op een misverstand, heeft de minister niet hoeven volgen. De minister heeft zich hierover terecht op het standpunt gesteld dat eiser in het nader gehoor niet heeft verduidelijkt dat niet bij iedereen in de bus persoonlijk naar de documenten werd gevraagd. In het aanmeldgehoor staat namelijk dat eiser zélf zijn paspoort en papieren liet zien.
Kopie dwangbevel
10. Eiser voert aan dat de minister de kopie van het dwangbevel ten onrechte niet heeft betrokken in de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielmotief. De minister miskent dat eiser zelf een oprechte inspanning heeft geleverd om ook het originele document naar Nederland te laten sturen. Eiser heeft zijn moeder meermaals verzocht om de relevante documenten naar hem toe te sturen. Eisers moeder heeft aangegeven dat zij het te gevaarlijk vindt om het document op te sturen. Bovendien moet de minister ook kenbaar rekening houden met geauthentiseerde documenten, zoals kopieën.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat het bestaan van een origineel dwangbevel niet kan worden vastgesteld. Bij de moeder van eiser ligt een kopie van een dwangbevel. Een foto daarvan is toegevoegd aan het dossier. De tegenwerping van de minister ziet op het kopiedocument dat bij de moeder van eiser ligt. De minister heeft dit op juiste gronden beoordeeld door te stellen dat dit fysieke stuk door eiser had moeten worden overgelegd. Het beroep van eiser op het arrest LH slaagt niet, omdat uit dit arrest volgt dat documenten waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld niet automatisch beschouwd mogen worden als “geen nieuw element of nieuwe bevinding”. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom uit het dwangbevel onvoldoende blijkt dat eiser in de verhoogde aandacht van de Houthi-beweging zou staan. De minister heeft hierbij terecht betrokken dat het niet logisch is dat een foto van de kopie van het dwangbevel naar Nederland kan worden gestuurd, maar dat de originele kopie van dit dwangbevel met dezelfde inhoud voor problemen zou kunnen zorgen.
Slotsom geloofwaardigheidsbeoordeling
11. Gelet op het voorgaande heeft de minister met de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in de onderhavige zaak niet in strijd met het Unierecht gehandeld en is de conclusie over de geloofwaardigheid van eisers gestelde problemen door de minister deugdelijk gemotiveerd. De minister heeft daarbij alle cumulatieve voorwaarden getoetst en alle feiten en omstandigheden betrokken.
15c-situatie in Jemen en Taiz
Juridisch kader
12. De rechtbank zal, alvorens de beroepsgronden te bespreken, eerst het beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.
12.1.
Als gevolg van het arrest X en Y van het Hof van Justitie, en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 over dit arrest, neemt de minister voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw verschillende gradaties van willekeurig geweld aan. De drie gradaties zijn:
uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
relatief lager niveau van willekeurig geweld.
12.2.
Het uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld betreft de situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een burger alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon.
12.3.
Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister het hoogste niveau van willekeurig geweld (voorheen: ‘meest uitzonderlijke situatie’). In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld (voorheen: ‘minder uitzonderlijke gradatie’). In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
12.4.
In paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc staat welke elementen de minister in elk geval en in samenhang weegt bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Bij deze beoordeling moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen:
de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;
de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; en,
de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
12.5.
De Afdeling is in de uitspraak van 16 juli 2025 ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen niet langer sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken, namelijk:
slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;
de recente confrontaties;
het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en
de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.
12.6.
Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het AAB Jemen 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te maken met inachtneming van dit nieuwe Ambtsbericht. In de Kamerbrief van 8 oktober 2025 heeft de minister naar aanleiding van het Ambtsbericht van april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 de wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. De wijzigingen zijn opgenomen in WBV 2025/20. De minister geeft daarin aan dat onder andere in de provincie Taiz sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.
Gevolgen van het wijzigen van het landenbeleid
13. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit van 3 februari 2025 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024/9. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, kan dat besluit, zoals hiervoor al overwogen, geen stand houden. In beroep heeft de minister dit ook erkend en in zijn aanvullende motivering van 8 april 2026 uiteengezet dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw is beoordeeld, maar dat in het huidige (nieuwe) beleid ten aanzien Jemen in relatie tot artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri, de door de Afdeling geconstateerde gebreken in WBV 2024/9 zich niet voordoen.
Is de beoordeling van de veiligheidssituatie volledig?
14. Eiser voert aan dat de minister met het gewijzigde landenbeleid een te beperkte invulling heeft gegeven aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Volgens eiser zijn de humanitaire omstandigheden in Taiz direct causaal gerelateerd aan het handelen van de Houthi’s. Zij gebruiken de oorlog bewust in de humanitaire omstandigheden te verslechteren. De minister heeft ten onrechte de humanitaire situatie niet als relevante omstandigheid betrokken in de globale beoordeling van de veiligheidssituatieheden. Eiser wijst in dit verband op de systematische waterblokkade in Taiz door de Houthi’s, de hongersnood in een district in Taiz, de verwachte stijging van acute ondervoeding van 15% tot 30% in Taiz, de dreiging van landmijnen en het aanhoudende directe geweld.
14.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister in voldoende mate alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen die van belang zijn voor de beoordeling van de mate van willekeurig geweld in Jemen, meer specifiek in de stad Taiz. De rechtbank wijst allereerst naar de uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 17 juni 2026. Daarin is in rechtsoverwegingen 11.2 en 11.3 geoordeeld dat de minister alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc en genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank kan zich met deze overwegingen verenigen. De minister is in voldoende mate op de humanitaire omstandigheden ingegaan. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het zorgelijk is dat veel mensen in Jemen afhankelijk zijn van humanitaire hulp zowel in het door de regering gecontroleerde gebied als in Houthi-gebied, maar dat uit het AAB Jemen 2025 ook volgt dat met name de Houthi’s oorlog bewust gebruikten om de humanitaire situatie te verslechteren in frontlinies, regio’s onder eigen controle en indien mogelijk regeringsgebieden. Daarnaast is in de Bijlage 15c-beoordeling bij de toelichting per provincie op de humanitaire situatie ingegaan, waarbij ook specifiek Taiz is benoemd, en ook in de conclusie worden de humanitaire omstandigheden genoemd. Deze beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, volledig en komt tegemoet aan de opdracht van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor zover zij in voldoende rechtstreeks verband staan met willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Niet is gebleken dat de minister dit uitgangspunt onvoldoende in acht heeft genomen. De minister heeft erop gewezen dat hij bij zijn beoordeling niet enkel de aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking heeft betrokken, maar daarbij ook de humanitaire omstandigheden en op welke wijze deze beïnvloed werden door methoden van oorlogsvoering. Zo is onder andere betrokken hoe deze methoden van invloed waren op de voedselproductie en infrastructuur. Daarbij komt dat de minister ook nog is nagegaan of er sindsdien relevante wijzigingen in de veiligheidssituatie van Taiz zijn geweest. De verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 14 november 2025 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak wordt ervan uitgegaan dat de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 niet bij de totstandkoming van het gewijzigde beleid is betrokken vanwege een oudere datum in de beslisnota. Die veronderstelling is onjuist, omdat sprake is van een kennelijke fout in de datering van de beslisnota. Tot slot overweegt de rechtbank dat uit het arrest CF en DN volgt dat de relevante omstandigheden globaal in aanmerking moeten worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat conform de opdracht van de Afdeling van 16 juli 2025 in voldoende mate gedaan. Onder verwijzing naar overweging 10.4 van de uitspraak van zittingsplaats Arnhem vat de rechtbank de term ‘globaal’ aldus op dat de 15-beoordeling allesomvattend moet zijn, in die zin dat alle omstandigheden moeten worden betrokken.
Is sprake van het hoogste niveau van willekeurig geweld?
15. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het beleid voor Taiz geen hogere gradatie van willekeurig geweld is aangenomen. Ter onderbouwing van dit betoog heeft eiser onder meer enkele brieven van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) overgelegd.
15.1.
De minister heeft in het nieuwe beleid WBV 2025/20 aangenomen dat in de provincie Taiz sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld. Daarin verwijst de minister naar de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van 8 oktober 2025. De minister heeft in die bijlage uit het Ambtsbericht van april 2025 afgeleid dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, gelet op de aard en intensiteit van het geweld, de gehanteerde oorlogsmethoden en de directe en indirecte gevolgen daarvan voor de humanitaire situatie, het aantal ontheemden en het aantal (dodelijke) burgerslachtoffers afgezet tegen de totale burgerbevolking. In het verweerschrift heeft de minister nader toegelicht waarom in de provincie Taiz geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Hoewel in Taiz sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld, is de intensiteit en schaal van het geweld niet zodanig dat burgers alleen al door hun aanwezigheid in deze provincie een reëel risico lopen op ernstige schade. Het geweld is volgens de minister weliswaar aanhoudend en ernstig, maar beperkt zich in belangrijke mate tot confrontaties tussen de gewapende strijdkrachten langs bestaande frontlinies. Ook acht de minister van belang dat het aantal burgerslachtoffers, afgezet tegen de omvang van de bevolking van de provincie, relatief beperkt is. De minister neemt daarnaast in aanmerking dat de humanitaire situatie in Taiz slecht is, maar hij acht deze omstandigheden niet van zodanige aard dat zij zelfstandig of in samenhang met het geweld leiden tot de conclusie dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. De minister blijft daarom bij de kwalificatie dat sprake is van een relatief hoger, maar niet het hoogste niveau van willekeurig geweld.
15.2.
De rechtbank stelt vast dat uit de Ambtsberichten van september 2023 en april 2025 volgt dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen zich, sinds het bestand van 2022 en het daarop volgende de facto bestand, kenmerkt door een afgenomen intensiteit van het conflict op nationaal niveau. De minister heeft er in het verweerschrift daarnaast terecht op gewezen dat de meest recente ontwikkelingen in 2025 en begin 2026 weliswaar wijzen op fluctuaties in de veiligheidssituatie, maar dat deze ontwikkelingen niet hebben geleid tot een structurele verslechtering of tot grootschalige nieuwe escalaties in de provincie Taiz zelf. De situatie blijft gekenmerkt door lokale confrontaties en wisselende frontactiviteit, zonder dat dit leidt tot een fundamenteel ander geweldsniveau. Taiz is één van de provincies waar de meeste landmijnen liggen. Deze liggen vooral in gebieden rondom frontlinies. Deze vormen een blijvend veiligheidsrisico voor de burgerbevolking, maar uit de landeninformatie volgt ook dat ruimingsactiviteiten worden uitgevoerd en dat achtergebleven mijnen vooral plaatselijk, namelijk langs voormalige frontlijnen, slachtoffers veroorzaakten. Dit maakt duidelijk dat het gevaar reëel is, maar niet zodanig diffuus en alomtegenwoordig dat iedere burger alleen al door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt.
15.3.
Ten aanzien van de ontheemden volgt uit de Ambtsberichten dat Taiz behoort tot de provincies met een groot aantal ontheemden, circa 490.000 personen.De ontheemdenproblematiek hangt nauw samen met het conflict en de verslechterende leefomstandigheden. Het aantal nieuwe ontheemden in Jemen is in 2024 echter wel gedaald ten opzichte van voorgaande jaren. Ook zijn de humanitaire omstandigheden in Jemen nog steeds slecht. Uit de landeninformatie volgt dat miljoenen Jemenieten afhankelijk zijn van humanitaire hulp en dat de voedselonzekerheid in zowel regeringsgebied als Houthi-gebied is toegenomen. Deze humanitaire situatie is mede een gevolg van het handelen van strijdende partijen, in het bijzonder de Houthi’s, waardoor de toegang tot voedsel en water voor de bevolking verder onder druk kwam te staan. In delen van het land, waaronder een district in Taiz, is sprake geweest van hongersnood, maar Taiz niet wordt genoemd in de opsomming van provincies met de hoogste voedselonzekerheid. Hoewel de humanitaire omstandigheden dus zorgelijk zijn, hebben die niet de door eiser bedoelde betekenis. Zoals volgt uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend voor de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri.Daarnaast heeft de slechte humanitaire situatie deels ook andere oorzaken die niet in een voldoende rechtstreeks verband staan met het willekeurig geweld in Taiz.
15.4.
De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de landeninformatie in onderlinge samenhang bezien – de afgenomen algemene geweldsintensiteit, het geconcentreerde karakter van de gevechten langs bestandslijnen, de daling van het aantal burgerslachtoffers afgezet tegen het inwonertal, de lokale aanwezigheid van mijnen en opruimingsactiviteiten, de omvangrijke ontheemdenstromen en de slechte maar niet doorslaggevende humanitaire situatie – onvoldoende grond biedt voor het standpunt dat in de provincie Taiz sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Wat eiser daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser zich deels beroept op dezelfde landeninformatie als die aan het gewijzigde beleid ten grondslag ligt. Uit het voorgaande volgt al dat de minister in die informatie geen aanleiding heeft hoeven zien om voor Taiz uit te gaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. Voor zover eiser heeft gewezen op meer recente informatie, leidt dit niet tot een ander oordeel. Eiser heeft namelijk niet concreet onderbouwd dat uit de algemene informatie die hij heeft overgelegd blijkt dat er sprake is van verergering van willekeurig geweld tegen de burgerbevolking, noch in welke mate of in hoeverre de informatie op hem persoonlijk van toepassing is.
15.5.
Bovenstaande betekent dat eiser op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk moet maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers.
Verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld
16. De rechtbank overweegt dat uit het arrest X en Y en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3. van de Vc, volgt dat eiser bij lagere niveaus van willekeurig geweld aan de hand van zijn persoonlijke individuele situatie en omstandigheden aannemelijk moet maken dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
16.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister bij de beoordeling of eiser een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld alle relevante omstandigheden heeft betrokken. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een groter risico loopt dan anderen. Hierbij heeft hij terecht betrokken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk problemen heeft ondervonden met de Houthi’s. Door eiser zijn in beroep geen nadere individuele omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan hij een groter risico zou lopen om bij terugkeer slachtoffer te worden van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers.
Conclusie 15c-beoordeling
17. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister inzichtelijk heeft gemaakt hoe de elementen uit het arrest CF en DN in onderlinge samenhang hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen, meer specifiek Taiz, geen sprake is van een hoogste niveau van willekeurig geweld. De minister heeft op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Ook heeft de minister voldoende onderzocht en gemotiveerd op welke wijze de individuele omstandigheden van eiser niet leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld bij terugkeer naar Jemen.
Buitenschuldbeleid
18. Eiser voert aan dat er voor hem geen adequate opvang is in Jemen. De minister moet in de beoordeling alle individuele omstandigheden van de vreemdeling betrekken. In het geval van eiser had de minister zich dus ook moeten uitlaten over de vraag of een gezonde ontwikkeling van eiser bij zijn moeder mogelijk is, gelet op zijn geslacht, leeftijd en positie. Dit heeft de minister niet gedaan. De omstandigheden in de woonplaats van eisers moeder moeten zeker ook bij die beoordeling betrokken worden, hetgeen ten onrechte is nagelaten. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser naar het arrest TQ en relevante jurisprudentie.
18.1.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser nog in contact staat met zijn moeder. Uit het arrest TQ en de daarop gebaseerde rechtspraak volgt dat de zorgplicht van ouders voor hun minderjarige kinderen inhoudt dat zij ervoor moeten zorgen dat er op enige wijze opvang voor het kind in het land van herkomst aanwezig is. Uit dit arrest volgt ook dat de minister de situatie van een niet-begeleide minderjarige algemeen en grondig moet beoordelen, rekening houdend met het belang van het kind, en zich ervan moet overtuigen dat adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is voordat hij een terugkeerbesluit uitvaardigt.
18.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft overwogen dat er voor eiser bij terugkeer naar Jemen adequate opvang aanwezig is, namelijk bij zijn moeder. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat zijn moeder, die de zorg voor hem heeft gedragen in Jemen, aanwezig is. Eiser is specifiek gehoord omtrent de aanwezige adequate opvang en heeft daarbij zelf zijn moeder en haar specifieke adres genoemd. Nu eiser specifieke informatie heeft gegeven over zijn moeder is adequate opvang evident. In het voornemen is daarnaast uitgebreid aandacht besteed aan de belangen van het kind, waarmee is voldaan aan de toets van het arrest TQ.
Artikel 3 van het EVRM
19. Eiser doet een beroep op de algemene onveilige situatie in Jemen. Hij verwijst hierbij naar een brief van VWN van 6 mei 2025.
19.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde brief van VWN niet aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is om aan te nemen dat hij terecht zal komen in een situatie van materiële deprivatie of in slechte humanitaire omstandigheden als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat hij op basis van willekeur kan worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Slotsom
20. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Dit betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft.
21.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting van 22 april 2026 heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 3 februari 2025;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzitter, en mr. A.G.D. Overmars en
mr. L.J. van der Veen, leden, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Verwijzingen in deze uitspraak naar regelgeving betreffen steeds de tekst van vóór 12 juni 2026.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169,en 7 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1028.
Inmiddels vervangen door WI 2026/16.
Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
ECLI:NL:RBDHA:2025:139.
Uitspraken van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.
Artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn en paragraaf C1/4.2.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc).
Paragraaf C1/4.2.3 van de Vc.
Nader gehoor, p. 5 en 7.
Zie ook ECLI:NL:RVS:2021:1766 en ECLI:NL:RVS:2021:2615.
Arrest van het Hof van Justitie van de EU, ECLI:EU:C:2021:487.
ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41.
ECLI:NL:RVS:2024:2927.
Zie WBV 2016/18 en (laatstelijk) WBV 2022/26.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Onder andere gebaseerd op het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472. Zie ook het arrest Sufi en Elmi van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD0000831907.
Algemeen Ambtsbericht Jemen van 18 april 2025.
Kamerstukken 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.
ECLI:NL:RBDHA:2026:17061.
Bijlage 15c-beoordeling, p. 4 en 5.
Verweerschrift van 8 april 2026, p. 8.
ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.
Zie: ECLI:NL:RBDHA:2025:9143, onder 20.
Zie: https://projectmasam.com/eng/where-we-work/.
AAB 2025, p. 20.
AAB 2025, p. 100.
AAB 2025, p. 14.
AAB 2025, p. 13.
ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2.
Hof van Justitie, 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94, punt 42.
Hof van Justitie, 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
Zie ook: ECLI:NL:RVS:2022:1530, ECLI:NL:RVS:2023:114 en ECLI:NL:RBDHA:2023:14096.
Hof van Justitie, 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
Nader gehoor, p. 13 en 14.
Informatiebericht (IB) 2025/13, p. 3.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9791
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam],
V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk en mr. M. Weerman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw., Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank gaat in deze uitspraak in op het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20, en op de vraag of het op dat beleid gebaseerde standpunt van de minister, dat zich in Taiz een relatief hoger niveau van willekeurig geweld voordoet, houdbaar is. Hierbij betrekt de rechtbank het gebied van terugkeer in Jemen en de humanitaire omstandigheden, en de wijze waarop deze zijn betrokken in de beoordeling van de minister.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen gelijk krijgt. Hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen individueel risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook komt eiser niet in aanmerking voor het buitenschuldbeleid. Het beroep is gegrond, omdat de minister de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 16 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 3 februari 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 31 maart 2025 en 28 mei 2025 beroepsgronden ingediend. De minister heeft op 13 mei 2025 een verweerschrift ingediend.
2.2.
De minister heeft desgevraagd op 8 april 2026 schriftelijk gereageerd op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025.
2.3.
Eiser heeft op 8 april 2026 en 21 april 2026 aanvullende gronden en stukken ingediend.
2.4.
De minister heeft op 16 april 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Ook was een tolk aanwezig. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit, behoort tot de Arabische bevolkingsgroep en is geboren op 8 juli 2006. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij uit Taiz in Jemen is vertrokken, omdat zijn naam op school door de Houthi’s op een lijst was gezet. Zij wilden dat eiser voor hen ging vechten. Nadat eiser was vertrokken, heeft hij van zijn moeder te horen gekregen dat de Houthi’s, toen eiser nog in Jemen was, drie keer bij haar naar hem hebben gevraagd. Ook is via het dorpshoofd en de oom van eiser een oproep aan zijn moeder overhandigd waaruit blijkt dat eiser zich moest melden bij de Houthi’s. Eiser vreest gedwongen gerekruteerd te worden door de Houthi’s.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- De persoonlijke problemen met de Houthi’s. Hieronder valt de gebeurtenis dat zij eisers naam eind 2022 op een lijst hebben gezet en de hierop gevolgde problemen, namelijk dat de Houthi’s meerdere keren bij eisers huis zijn geweest om hem te zoeken.
4.1.
De minister acht eisers nationaliteit, identiteit en herkomst geloofwaardig, omdat eiser dit motief heeft onderbouwd met zijn paspoort en geboorteakte. De problemen met de Houthi’s acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft dit asielmotief niet volledig onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft het asielmotief niet alsnog geloofwaardig geacht, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en c van de Vw. Eiser is geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en loopt bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade. De minister concludeert dat de asielaanvraag als ongegrond kan worden afgewezen.
4.2.
Eiser krijgt evenmin een reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV. Eiser krijgt een terugkeerbesluit en moet Nederland en een aantal andere landen binnen vier weken verlaten. In het kader van het terugkeerbesluit stelt de minister dat hij de belangen van het kind, zoals verwoord in artikel 3 van het IVRK, zorgvuldig heeft gewogen.
Aanvullende motivering van het bestreden besluit
5. De minister heeft met het verweerschrift van 8 april 2026 een aanvullende motivering van het bestreden besluit ingediend. Gelet hierop heeft dat besluit een motiveringsgebrek.
5.1.
Het beroep is reeds daarom gegrond en het besluit van 3 februari 2025 moet worden vernietigd. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van dat besluit, waarbij de inhoud van het verweerschrift van 8 april 2026 en het verhandelde op zitting worden meegewogen, in stand kunnen blijven.
Zienswijze herhaald en ingelast
6. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Werkinstructie (WI) 2024/6
7. Eiser voert aan dat de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het recht. Door enkel te toetsen aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw en geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, heeft de minister gehandeld in strijd met het Unierecht, het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie. Eiser is van mening dat, zelfs als zou moeten worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, de minister het asielrelaas van eiser ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht.
7.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 8 augustus 2025 twee uitspraken gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank oordeelt echter dat er geen grond is voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn (Kri), die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2014/10. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4, vijfde lid, van de Kri, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat doet de rechtbank hieronder. De algemene verwijzing van eiser naar de prejudiciële vragen van de zittingsplaats Roermond is geen reden om de zaak aan te houden of de werkwijze van WI 2024/6 te verlaten.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
Derde asielmotief
8. Eiser voert aan dat er een derde asielmotief is. Eisers familie staat lokaal niet bekend als Houthi-aanhanger. Hij wijst erop dat zijn vader om het leven is gekomen en dat zijn broer eerder naar Nederland is gevlucht, omdat ook die niet mee wilde vechten met de Houthi’s. Dit, gecombineerd met het algemeen gerichte geweld, maakt dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hem een onmenselijke behandeling wacht bij terugkeer.
8.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft gesteld, dat van eiser wordt verwacht dat hij al zijn asielmotieven zo snel mogelijk naar voren brengt of een verschoonbare reden aandraagt waarom hij dit motief niet eerder naar voren had kunnen brengen. Eiser geeft in dit geval in het geheel geen reden waarom hij nu pas met dit motief komt. Als de redenen die eiser aandraagt niet verschoonbaar zijn, wordt een asielmotief in beginsel niet geloofwaardig geacht. Daar komt bij dat in de beoordeling van het asielmotief over de problemen met de Houthi’s door de minister al het overlijden van eisers vader en het vertrek van eisers broer naar Nederland is betrokken; ook is ingegaan op de algemene situatie in Jemen.
Referentiekader
9. Eiser voert aan dat de minister bij de beoordeling van eisers verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. Eiser stelt dat de minister had moeten beoordelen wat in redelijkheid van de verklaringen van eiser, in het licht van het referentiekader, kan worden verwacht. Ter verduidelijking voert eiser aan dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij onduidelijk en wisselend heeft verklaard, omdat de data van de gebeurtenissen niet altijd overeenkomen. Dit blijkt ook uit de bewoordingen van zijn antwoorden op vragen in het nader gehoor, zoals volgens mij en ongeveer, waaruit enige twijfel kan worden afgeleid. Ook in de correcties en aanvullingen worden de schattingen van eiser nogmaals benadrukt, geeft eiser aan dat hij zich in data heeft vergist en heeft hij het moment waarop hij door de Houthi’s is geregistreerd gerectificeerd. Daarbij voert eiser aan dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij meer concrete informatie had kunnen hebben over wat zich bij hem thuis heeft afgespeeld tijdens zijn afwezigheid, omdat hij contact heeft met zijn moeder.
9.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister in het voornemen noch in het bestreden besluit een referentiekader heeft weergegeven waarmee hij bij de beoordeling van het asielrelaas rekening gehouden heeft. Hoewel het niet opnemen van een referentiekader in de besluitvorming niet per definitie leidt tot onrechtmatigheid van het besluit, maakt de minister door het wel vermelden van dat referentiekader inzichtelijk met welk referentiekader rekening is gehouden bij de toetsing van het asielrelaas. De minister stelt dat bij de beoordeling van de aanvraag van eiser, ondanks dat het referentiekader niet is vermeld, hiermee wel degelijk rekening is gehouden.
9.2.
De rechtbank oordeelt dat de enkele stelling dat de minister onvoldoende rekening zou hebben gehouden met eisers referentiekader geen doel treft. Eiser geeft namelijk niet concreet aan op welke punten de minister tijdens de besluitvorming onvoldoende rekening zou hebben gehouden met eisers referentiekader en wat de minister daarin anders had moeten doen. Ook heeft eiser niet aangegeven welke omstandigheden maken dat van hem niet meer verlangd zou mogen worden. De problemen waarover eiser heeft verklaard zijn begonnen in 2022/2023 en vormen de kern van het asielrelaas. Eiser was toen zestien jaar oud. Dat eiser minderjarig was en zijn vader is overleden betekent niet – zonder nadere onderbouwing – dat hij niet eenduidig zou kunnen verklaren over de door hem zelf in eerste instantie genoemde specifieke data en het door hem gestelde tijdpad van gebeurtenissen. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat eiser meer had kunnen verklaren over wat zich bij hem thuis heeft afgespeeld, omdat hij in contact staat met zijn moeder en haar daar (ook op een later moment) naar had kunnen vragen. Ook uit het dossier is het de rechtbank niet gebleken dat eiser niet heeft kunnen verklaren omtrent zijn asielrelaas.
9.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet zonder meer wijzigingen of aanvullingen die naar voren worden gebracht in de correcties en aanvullingen hoeft over te nemen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mocht worden dat hij in de correcties en aanvullingen al nader zou hebben verduidelijkt dat hij eigenlijk tijdens het gehoor had bedoeld te zeggen dat hij al eerder was geregistreerd. Eiser heeft immers in de correcties en aanvullingen juist specifiek over deze vragen correcties opgenomen. De verduidelijking is destijds ten onrechte achterwege gebleven. De minister heeft hiermee kenbaar gemotiveerd waarom hij de correcties en aanvullingen niet heeft betrokken bij zijn afweging. Het standpunt van eiser dat zijn verklaringen over de controleposten tijdens de uitreis uit Jemen berusten op een misverstand, heeft de minister niet hoeven volgen. De minister heeft zich hierover terecht op het standpunt gesteld dat eiser in het nader gehoor niet heeft verduidelijkt dat niet bij iedereen in de bus persoonlijk naar de documenten werd gevraagd. In het aanmeldgehoor staat namelijk dat eiser zélf zijn paspoort en papieren liet zien.
Kopie dwangbevel
10. Eiser voert aan dat de minister de kopie van het dwangbevel ten onrechte niet heeft betrokken in de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielmotief. De minister miskent dat eiser zelf een oprechte inspanning heeft geleverd om ook het originele document naar Nederland te laten sturen. Eiser heeft zijn moeder meermaals verzocht om de relevante documenten naar hem toe te sturen. Eisers moeder heeft aangegeven dat zij het te gevaarlijk vindt om het document op te sturen. Bovendien moet de minister ook kenbaar rekening houden met geauthentiseerde documenten, zoals kopieën.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat het bestaan van een origineel dwangbevel niet kan worden vastgesteld. Bij de moeder van eiser ligt een kopie van een dwangbevel. Een foto daarvan is toegevoegd aan het dossier. De tegenwerping van de minister ziet op het kopiedocument dat bij de moeder van eiser ligt. De minister heeft dit op juiste gronden beoordeeld door te stellen dat dit fysieke stuk door eiser had moeten worden overgelegd. Het beroep van eiser op het arrest LH slaagt niet, omdat uit dit arrest volgt dat documenten waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld niet automatisch beschouwd mogen worden als “geen nieuw element of nieuwe bevinding”. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom uit het dwangbevel onvoldoende blijkt dat eiser in de verhoogde aandacht van de Houthi-beweging zou staan. De minister heeft hierbij terecht betrokken dat het niet logisch is dat een foto van de kopie van het dwangbevel naar Nederland kan worden gestuurd, maar dat de originele kopie van dit dwangbevel met dezelfde inhoud voor problemen zou kunnen zorgen.
Slotsom geloofwaardigheidsbeoordeling
11. Gelet op het voorgaande heeft de minister met de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in de onderhavige zaak niet in strijd met het Unierecht gehandeld en is de conclusie over de geloofwaardigheid van eisers gestelde problemen door de minister deugdelijk gemotiveerd. De minister heeft daarbij alle cumulatieve voorwaarden getoetst en alle feiten en omstandigheden betrokken.
15c-situatie in Jemen en Taiz
Juridisch kader
12. De rechtbank zal, alvorens de beroepsgronden te bespreken, eerst het beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.
12.1.
Als gevolg van het arrest X en Y van het Hof van Justitie, en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 over dit arrest, neemt de minister voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw verschillende gradaties van willekeurig geweld aan. De drie gradaties zijn:
uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
relatief lager niveau van willekeurig geweld.
12.2.
Het uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld betreft de situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een burger alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon.
12.3.
Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister het hoogste niveau van willekeurig geweld (voorheen: ‘meest uitzonderlijke situatie’). In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld (voorheen: ‘minder uitzonderlijke gradatie’). In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
12.4.
In paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc staat welke elementen de minister in elk geval en in samenhang weegt bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Bij deze beoordeling moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen:
de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;
de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; en,
de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
12.5.
De Afdeling is in de uitspraak van 16 juli 2025 ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen niet langer sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken, namelijk:
slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;
de recente confrontaties;
het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en
de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.
12.6.
Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het AAB Jemen 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te maken met inachtneming van dit nieuwe Ambtsbericht. In de Kamerbrief van 8 oktober 2025 heeft de minister naar aanleiding van het Ambtsbericht van april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 de wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. De wijzigingen zijn opgenomen in WBV 2025/20. De minister geeft daarin aan dat onder andere in de provincie Taiz sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.
Gevolgen van het wijzigen van het landenbeleid
13. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit van 3 februari 2025 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024/9. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, kan dat besluit, zoals hiervoor al overwogen, geen stand houden. In beroep heeft de minister dit ook erkend en in zijn aanvullende motivering van 8 april 2026 uiteengezet dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw is beoordeeld, maar dat in het huidige (nieuwe) beleid ten aanzien Jemen in relatie tot artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri, de door de Afdeling geconstateerde gebreken in WBV 2024/9 zich niet voordoen.
Is de beoordeling van de veiligheidssituatie volledig?
14. Eiser voert aan dat de minister met het gewijzigde landenbeleid een te beperkte invulling heeft gegeven aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Volgens eiser zijn de humanitaire omstandigheden in Taiz direct causaal gerelateerd aan het handelen van de Houthi’s. Zij gebruiken de oorlog bewust in de humanitaire omstandigheden te verslechteren. De minister heeft ten onrechte de humanitaire situatie niet als relevante omstandigheid betrokken in de globale beoordeling van de veiligheidssituatieheden. Eiser wijst in dit verband op de systematische waterblokkade in Taiz door de Houthi’s, de hongersnood in een district in Taiz, de verwachte stijging van acute ondervoeding van 15% tot 30% in Taiz, de dreiging van landmijnen en het aanhoudende directe geweld.
14.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister in voldoende mate alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen die van belang zijn voor de beoordeling van de mate van willekeurig geweld in Jemen, meer specifiek in de stad Taiz. De rechtbank wijst allereerst naar de uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 17 juni 2026. Daarin is in rechtsoverwegingen 11.2 en 11.3 geoordeeld dat de minister alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc en genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank kan zich met deze overwegingen verenigen. De minister is in voldoende mate op de humanitaire omstandigheden ingegaan. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het zorgelijk is dat veel mensen in Jemen afhankelijk zijn van humanitaire hulp zowel in het door de regering gecontroleerde gebied als in Houthi-gebied, maar dat uit het AAB Jemen 2025 ook volgt dat met name de Houthi’s oorlog bewust gebruikten om de humanitaire situatie te verslechteren in frontlinies, regio’s onder eigen controle en indien mogelijk regeringsgebieden. Daarnaast is in de Bijlage 15c-beoordeling bij de toelichting per provincie op de humanitaire situatie ingegaan, waarbij ook specifiek Taiz is benoemd, en ook in de conclusie worden de humanitaire omstandigheden genoemd. Deze beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, volledig en komt tegemoet aan de opdracht van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor zover zij in voldoende rechtstreeks verband staan met willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Niet is gebleken dat de minister dit uitgangspunt onvoldoende in acht heeft genomen. De minister heeft erop gewezen dat hij bij zijn beoordeling niet enkel de aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking heeft betrokken, maar daarbij ook de humanitaire omstandigheden en op welke wijze deze beïnvloed werden door methoden van oorlogsvoering. Zo is onder andere betrokken hoe deze methoden van invloed waren op de voedselproductie en infrastructuur. Daarbij komt dat de minister ook nog is nagegaan of er sindsdien relevante wijzigingen in de veiligheidssituatie van Taiz zijn geweest. De verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 14 november 2025 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak wordt ervan uitgegaan dat de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 niet bij de totstandkoming van het gewijzigde beleid is betrokken vanwege een oudere datum in de beslisnota. Die veronderstelling is onjuist, omdat sprake is van een kennelijke fout in de datering van de beslisnota. Tot slot overweegt de rechtbank dat uit het arrest CF en DN volgt dat de relevante omstandigheden globaal in aanmerking moeten worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat conform de opdracht van de Afdeling van 16 juli 2025 in voldoende mate gedaan. Onder verwijzing naar overweging 10.4 van de uitspraak van zittingsplaats Arnhem vat de rechtbank de term ‘globaal’ aldus op dat de 15-beoordeling allesomvattend moet zijn, in die zin dat alle omstandigheden moeten worden betrokken.
Is sprake van het hoogste niveau van willekeurig geweld?
15. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het beleid voor Taiz geen hogere gradatie van willekeurig geweld is aangenomen. Ter onderbouwing van dit betoog heeft eiser onder meer enkele brieven van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) overgelegd.
15.1.
De minister heeft in het nieuwe beleid WBV 2025/20 aangenomen dat in de provincie Taiz sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld. Daarin verwijst de minister naar de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van 8 oktober 2025. De minister heeft in die bijlage uit het Ambtsbericht van april 2025 afgeleid dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, gelet op de aard en intensiteit van het geweld, de gehanteerde oorlogsmethoden en de directe en indirecte gevolgen daarvan voor de humanitaire situatie, het aantal ontheemden en het aantal (dodelijke) burgerslachtoffers afgezet tegen de totale burgerbevolking. In het verweerschrift heeft de minister nader toegelicht waarom in de provincie Taiz geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Hoewel in Taiz sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld, is de intensiteit en schaal van het geweld niet zodanig dat burgers alleen al door hun aanwezigheid in deze provincie een reëel risico lopen op ernstige schade. Het geweld is volgens de minister weliswaar aanhoudend en ernstig, maar beperkt zich in belangrijke mate tot confrontaties tussen de gewapende strijdkrachten langs bestaande frontlinies. Ook acht de minister van belang dat het aantal burgerslachtoffers, afgezet tegen de omvang van de bevolking van de provincie, relatief beperkt is. De minister neemt daarnaast in aanmerking dat de humanitaire situatie in Taiz slecht is, maar hij acht deze omstandigheden niet van zodanige aard dat zij zelfstandig of in samenhang met het geweld leiden tot de conclusie dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. De minister blijft daarom bij de kwalificatie dat sprake is van een relatief hoger, maar niet het hoogste niveau van willekeurig geweld.
15.2.
De rechtbank stelt vast dat uit de Ambtsberichten van september 2023 en april 2025 volgt dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen zich, sinds het bestand van 2022 en het daarop volgende de facto bestand, kenmerkt door een afgenomen intensiteit van het conflict op nationaal niveau. De minister heeft er in het verweerschrift daarnaast terecht op gewezen dat de meest recente ontwikkelingen in 2025 en begin 2026 weliswaar wijzen op fluctuaties in de veiligheidssituatie, maar dat deze ontwikkelingen niet hebben geleid tot een structurele verslechtering of tot grootschalige nieuwe escalaties in de provincie Taiz zelf. De situatie blijft gekenmerkt door lokale confrontaties en wisselende frontactiviteit, zonder dat dit leidt tot een fundamenteel ander geweldsniveau. Taiz is één van de provincies waar de meeste landmijnen liggen. Deze liggen vooral in gebieden rondom frontlinies. Deze vormen een blijvend veiligheidsrisico voor de burgerbevolking, maar uit de landeninformatie volgt ook dat ruimingsactiviteiten worden uitgevoerd en dat achtergebleven mijnen vooral plaatselijk, namelijk langs voormalige frontlijnen, slachtoffers veroorzaakten. Dit maakt duidelijk dat het gevaar reëel is, maar niet zodanig diffuus en alomtegenwoordig dat iedere burger alleen al door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt.
15.3.
Ten aanzien van de ontheemden volgt uit de Ambtsberichten dat Taiz behoort tot de provincies met een groot aantal ontheemden, circa 490.000 personen.De ontheemdenproblematiek hangt nauw samen met het conflict en de verslechterende leefomstandigheden. Het aantal nieuwe ontheemden in Jemen is in 2024 echter wel gedaald ten opzichte van voorgaande jaren. Ook zijn de humanitaire omstandigheden in Jemen nog steeds slecht. Uit de landeninformatie volgt dat miljoenen Jemenieten afhankelijk zijn van humanitaire hulp en dat de voedselonzekerheid in zowel regeringsgebied als Houthi-gebied is toegenomen. Deze humanitaire situatie is mede een gevolg van het handelen van strijdende partijen, in het bijzonder de Houthi’s, waardoor de toegang tot voedsel en water voor de bevolking verder onder druk kwam te staan. In delen van het land, waaronder een district in Taiz, is sprake geweest van hongersnood, maar Taiz niet wordt genoemd in de opsomming van provincies met de hoogste voedselonzekerheid. Hoewel de humanitaire omstandigheden dus zorgelijk zijn, hebben die niet de door eiser bedoelde betekenis. Zoals volgt uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend voor de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri.Daarnaast heeft de slechte humanitaire situatie deels ook andere oorzaken die niet in een voldoende rechtstreeks verband staan met het willekeurig geweld in Taiz.
15.4.
De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de landeninformatie in onderlinge samenhang bezien – de afgenomen algemene geweldsintensiteit, het geconcentreerde karakter van de gevechten langs bestandslijnen, de daling van het aantal burgerslachtoffers afgezet tegen het inwonertal, de lokale aanwezigheid van mijnen en opruimingsactiviteiten, de omvangrijke ontheemdenstromen en de slechte maar niet doorslaggevende humanitaire situatie – onvoldoende grond biedt voor het standpunt dat in de provincie Taiz sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Wat eiser daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser zich deels beroept op dezelfde landeninformatie als die aan het gewijzigde beleid ten grondslag ligt. Uit het voorgaande volgt al dat de minister in die informatie geen aanleiding heeft hoeven zien om voor Taiz uit te gaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. Voor zover eiser heeft gewezen op meer recente informatie, leidt dit niet tot een ander oordeel. Eiser heeft namelijk niet concreet onderbouwd dat uit de algemene informatie die hij heeft overgelegd blijkt dat er sprake is van verergering van willekeurig geweld tegen de burgerbevolking, noch in welke mate of in hoeverre de informatie op hem persoonlijk van toepassing is.
15.5.
Bovenstaande betekent dat eiser op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk moet maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers.
Verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld
16. De rechtbank overweegt dat uit het arrest X en Y en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3. van de Vc, volgt dat eiser bij lagere niveaus van willekeurig geweld aan de hand van zijn persoonlijke individuele situatie en omstandigheden aannemelijk moet maken dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
16.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister bij de beoordeling of eiser een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld alle relevante omstandigheden heeft betrokken. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een groter risico loopt dan anderen. Hierbij heeft hij terecht betrokken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk problemen heeft ondervonden met de Houthi’s. Door eiser zijn in beroep geen nadere individuele omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan hij een groter risico zou lopen om bij terugkeer slachtoffer te worden van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers.
Conclusie 15c-beoordeling
17. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister inzichtelijk heeft gemaakt hoe de elementen uit het arrest CF en DN in onderlinge samenhang hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen, meer specifiek Taiz, geen sprake is van een hoogste niveau van willekeurig geweld. De minister heeft op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Ook heeft de minister voldoende onderzocht en gemotiveerd op welke wijze de individuele omstandigheden van eiser niet leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld bij terugkeer naar Jemen.
Buitenschuldbeleid
18. Eiser voert aan dat er voor hem geen adequate opvang is in Jemen. De minister moet in de beoordeling alle individuele omstandigheden van de vreemdeling betrekken. In het geval van eiser had de minister zich dus ook moeten uitlaten over de vraag of een gezonde ontwikkeling van eiser bij zijn moeder mogelijk is, gelet op zijn geslacht, leeftijd en positie. Dit heeft de minister niet gedaan. De omstandigheden in de woonplaats van eisers moeder moeten zeker ook bij die beoordeling betrokken worden, hetgeen ten onrechte is nagelaten. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser naar het arrest TQ en relevante jurisprudentie.
18.1.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser nog in contact staat met zijn moeder. Uit het arrest TQ en de daarop gebaseerde rechtspraak volgt dat de zorgplicht van ouders voor hun minderjarige kinderen inhoudt dat zij ervoor moeten zorgen dat er op enige wijze opvang voor het kind in het land van herkomst aanwezig is. Uit dit arrest volgt ook dat de minister de situatie van een niet-begeleide minderjarige algemeen en grondig moet beoordelen, rekening houdend met het belang van het kind, en zich ervan moet overtuigen dat adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is voordat hij een terugkeerbesluit uitvaardigt.
18.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft overwogen dat er voor eiser bij terugkeer naar Jemen adequate opvang aanwezig is, namelijk bij zijn moeder. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat zijn moeder, die de zorg voor hem heeft gedragen in Jemen, aanwezig is. Eiser is specifiek gehoord omtrent de aanwezige adequate opvang en heeft daarbij zelf zijn moeder en haar specifieke adres genoemd. Nu eiser specifieke informatie heeft gegeven over zijn moeder is adequate opvang evident. In het voornemen is daarnaast uitgebreid aandacht besteed aan de belangen van het kind, waarmee is voldaan aan de toets van het arrest TQ.
Artikel 3 van het EVRM
19. Eiser doet een beroep op de algemene onveilige situatie in Jemen. Hij verwijst hierbij naar een brief van VWN van 6 mei 2025.
19.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde brief van VWN niet aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is om aan te nemen dat hij terecht zal komen in een situatie van materiële deprivatie of in slechte humanitaire omstandigheden als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat hij op basis van willekeur kan worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Slotsom
20. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Dit betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft.
21.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting van 22 april 2026 heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 3 februari 2025;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzitter, en mr. A.G.D. Overmars en
mr. L.J. van der Veen, leden, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Verwijzingen in deze uitspraak naar regelgeving betreffen steeds de tekst van vóór 12 juni 2026.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169,en 7 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1028.
Inmiddels vervangen door WI 2026/16.
Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
ECLI:NL:RBDHA:2025:139.
Uitspraken van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.
Artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn en paragraaf C1/4.2.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc).
Paragraaf C1/4.2.3 van de Vc.
Nader gehoor, p. 5 en 7.
Zie ook ECLI:NL:RVS:2021:1766 en ECLI:NL:RVS:2021:2615.
Arrest van het Hof van Justitie van de EU, ECLI:EU:C:2021:487.
ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41.
ECLI:NL:RVS:2024:2927.
Zie WBV 2016/18 en (laatstelijk) WBV 2022/26.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Onder andere gebaseerd op het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472. Zie ook het arrest Sufi en Elmi van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD0000831907.
Algemeen Ambtsbericht Jemen van 18 april 2025.
Kamerstukken 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.
ECLI:NL:RBDHA:2026:17061.
Bijlage 15c-beoordeling, p. 4 en 5.
Verweerschrift van 8 april 2026, p. 8.
ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.
Zie: ECLI:NL:RBDHA:2025:9143, onder 20.
Zie: https://projectmasam.com/eng/where-we-work/.
AAB 2025, p. 20.
AAB 2025, p. 100.
AAB 2025, p. 14.
AAB 2025, p. 13.
ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2.
Hof van Justitie, 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94, punt 42.
Hof van Justitie, 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
Zie ook: ECLI:NL:RVS:2022:1530, ECLI:NL:RVS:2023:114 en ECLI:NL:RBDHA:2023:14096.
Hof van Justitie, 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
Nader gehoor, p. 13 en 14.
Informatiebericht (IB) 2025/13, p. 3.