Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Raad van State

ECLI:NL:RVS:2026:518

2026-01-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht 202405953/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Raad van State
Uitspraakdatum
2026-01-29
Publicatiedatum
2026-01-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
202405953/1/V1
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.183 tekens)
202405953/1/V1.
Datum uitspraak: 29 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
Procesverloop
Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. M.M. Spapens, advocaat in Haarlem, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 september 2024 in zaak nr. NL24.32641.
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1.       Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan hem is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door haar toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2.       Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, een opvolgend beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag ingesteld. Omdat de rechtbank vanwege het lopende hoger beroep nog geen uitspraak op dat beroep doet, heeft verzoeker het hoger beroep ingetrokken. Daaruit blijkt niet dat de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, of dat het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door haar toedoen is vervallen. Dit brengt mee dat de minister niet veroordeeld kan worden in de proceskosten van verzoeker.
3.       De Afdeling zal het verzoek daarom afwijzen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026
392