Raad van State
ECLI:NL:RVS:2022:658
2022-03-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202106818/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Yousef, advocaat te Den Haag, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 oktober 2021 in zaak nr. NL21.16082. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een nader stuk ingediend. De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2019:1084 Raad van State 08-04-2019
- ECLI:NL:RVS:2021:182 Raad van State 27-01-2021
Geciteerd door (9)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5663 Rechtbank Den Haag 03-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13838 Rechtbank Den Haag 29-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:13839 Rechtbank Den Haag 29-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2064 Rechtbank Den Haag 14-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16697 Rechtbank Den Haag 03-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3817 Rechtbank Den Haag 23-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:365 Rechtbank Den Haag 06-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11128 Rechtbank Den Haag 21-10-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1535 Raad van State 01-06-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (2.337 tekens)
202106818/1/V3.
Datum uitspraak: 3 maart 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Yousef, advocaat te Den Haag, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 oktober 2021 in zaak nr. NL21.16082.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. Bij brief van 4 februari 2022 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling laten weten dat hij het besluit van 11 oktober 2021 heeft ingetrokken en dat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale procedure zal worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening, is verstreken. In reactie daarop heeft de vreemdeling laten weten dat hij het hoger beroep intrekt en heeft hij de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1084) en 27 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:182), kan aanleiding bestaan de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. Het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag is in deze zaak geen tegemoetkoming, maar alleen een gevolg van tijdsverloop.
3. Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Annen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2022
765-962
Datum uitspraak: 3 maart 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Yousef, advocaat te Den Haag, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 oktober 2021 in zaak nr. NL21.16082.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. Bij brief van 4 februari 2022 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling laten weten dat hij het besluit van 11 oktober 2021 heeft ingetrokken en dat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale procedure zal worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening, is verstreken. In reactie daarop heeft de vreemdeling laten weten dat hij het hoger beroep intrekt en heeft hij de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1084) en 27 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:182), kan aanleiding bestaan de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. Het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag is in deze zaak geen tegemoetkoming, maar alleen een gevolg van tijdsverloop.
3. Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Annen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2022
765-962