Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:156
2025-01-31
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/01942
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:156 → ECLI:NL:GHARL:2024:2277
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:156 → ECLI:NL:PHR:2024:1118
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:156 → ECLI:NL:PHR:2024:1141
Inhoudsindicatie
Hersteld arrest, zie ECLI:NL:HR:2025:311 WOZ en onroerendezaakbelastingen; art. 30a Wet WOZ; Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm; belanghebbende in verweerderspositie; verenigbaarheid Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm met hoger recht; Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm niet van toepassing als de belanghebbende verweerder is.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:2277 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1118 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1141 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:HR:2016:324 Hoge Raad 26-02-2016
Geciteerd door (125)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7853 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7852 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7852 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7851 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7851 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-08-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2399 Gerechtshof Den Haag 08-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4492 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4494 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4484 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4488 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5156 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5154 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-06-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4488 Rechtbank Gelderland 05-06-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4488 Rechtbank Gelderland 05-06-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:3414 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3989 Rechtbank Gelderland 20-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3990 Rechtbank Gelderland 20-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2047 Gerechtshof Den Haag 13-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2711 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2712 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1839 Gerechtshof Den Haag 23-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1837 Gerechtshof Den Haag 23-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1838 Gerechtshof Den Haag 16-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1199 Rechtbank Midden-Nederland 27-03-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1765 Rechtbank Midden-Nederland 20-03-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:5133 Rechtbank Rotterdam 13-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:345 Gerechtshof Den Haag 03-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:324 Gerechtshof Den Haag 25-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1146 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:851 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:701 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:198 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:132 Gerechtshof Den Haag 14-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:54 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:133 Gerechtshof Den Haag 08-01-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3761 Gerechtshof Amsterdam 23-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:9192 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-12-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:8461 Rechtbank Oost-Brabant 11-12-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:14299 Rechtbank Rotterdam 09-12-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:7076 Rechtbank Oost-Brabant 03-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6592 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6591 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2245 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2247 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2240 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2237 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2421 Gerechtshof Amsterdam 02-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2423 Gerechtshof Amsterdam 02-09-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5118 Rechtbank Oost-Brabant 15-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5351 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5351 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1919 Gerechtshof Den Haag 07-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1822 Gerechtshof Den Haag 05-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1823 Gerechtshof Den Haag 05-08-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:4737 Rechtbank Oost-Brabant 28-07-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:6680 Rechtbank Limburg 10-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4029 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4024 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4029 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4027 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-06-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (7.499 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01942
Datum 31 januari 2025
ARREST
in de zaak van
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, nr. BK-ARN 23/1195, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 22/4928) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022.
1Geding in cassatie
1.1
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] in [Z] (hierna: de woning) per waardepeildatum 1 januari 2021 voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 567.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: de aanslag OZB) vastgesteld voor het jaar 2022, voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte, op € 432,05.
2.2
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar de eerder vastgestelde waarde van de woning verminderd tot € 535.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd tot € 407,67.
2.3
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
3De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld.
3.2
Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de waarde van de woning in goede justitie vastgesteld op € 500.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.
4Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten van het Dagelijks Bestuur over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5Proceskosten
5.1
Het Dagelijks Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5.2.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, rijst de vraag of de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure moet worden vastgesteld met toepassing van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv), gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet.
5.2.2
Bij de WHpkv is artikel 30a aan de Wet WOZ toegevoegd, waarin de hoogte van proceskostenvergoedingen voor procedures betreffende een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens de Wet WOZ of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Gemeentewet of een daarmee verband houdend besluit, is beperkt.
5.2.3
In zijn verweerschrift in cassatie heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat artikel 30a van de Wet WOZ onverbindend is wegens strijd met het verbod van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. De Hoge Raad verwerpt dat standpunt en verwijst daartoe naar onderdeel 3.6 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025).
5.3
Niettemin kan de regeling over de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv, en daarmee artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ in dit geval niet worden toegepast op de vergoeding van kosten van de cassatieprocedure. Die bepaling geldt namelijk, gelet op rechtsoverweging 3.5.3 van het arrest van 17 januari 2025, niet voor proceskosten die de belanghebbende in hogere instantie heeft gemaakt in een geval als dit, waarin die belanghebbende zich in die instantie met succes heeft verweerd tegen een rechtsmiddel dat is ingesteld door het bestuursorgaan.
5.4
In zijn verweerschrift in cassatie heeft belanghebbende de aandacht van de Hoge Raad gevraagd voor artikel 30a, lid 4, van de Wet WOZ, op grond waarvan de uitbetaling van deze proceskostenvergoeding uitsluitend mag plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Belanghebbende acht deze bepaling in strijd met het recht op het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de Europese Unie. De Hoge Raad als bestuursrechter is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.
6Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.402 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice-president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025.
Van het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Hoogheemraadschap Utrecht wordt een griffierecht geheven van € 559.
ECLI:NL:GHARL:2024:2277.
ECLI:NL:PHR:2024:1118, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:1141.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Vgl. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324, rechtsoverweging 2.2.
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01942
Datum 31 januari 2025
ARREST
in de zaak van
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, nr. BK-ARN 23/1195, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 22/4928) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022.
1Geding in cassatie
1.1
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] in [Z] (hierna: de woning) per waardepeildatum 1 januari 2021 voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 567.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: de aanslag OZB) vastgesteld voor het jaar 2022, voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte, op € 432,05.
2.2
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar de eerder vastgestelde waarde van de woning verminderd tot € 535.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd tot € 407,67.
2.3
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
3De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld.
3.2
Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de waarde van de woning in goede justitie vastgesteld op € 500.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.
4Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten van het Dagelijks Bestuur over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5Proceskosten
5.1
Het Dagelijks Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5.2.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, rijst de vraag of de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure moet worden vastgesteld met toepassing van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv), gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet.
5.2.2
Bij de WHpkv is artikel 30a aan de Wet WOZ toegevoegd, waarin de hoogte van proceskostenvergoedingen voor procedures betreffende een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens de Wet WOZ of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Gemeentewet of een daarmee verband houdend besluit, is beperkt.
5.2.3
In zijn verweerschrift in cassatie heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat artikel 30a van de Wet WOZ onverbindend is wegens strijd met het verbod van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. De Hoge Raad verwerpt dat standpunt en verwijst daartoe naar onderdeel 3.6 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025).
5.3
Niettemin kan de regeling over de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv, en daarmee artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ in dit geval niet worden toegepast op de vergoeding van kosten van de cassatieprocedure. Die bepaling geldt namelijk, gelet op rechtsoverweging 3.5.3 van het arrest van 17 januari 2025, niet voor proceskosten die de belanghebbende in hogere instantie heeft gemaakt in een geval als dit, waarin die belanghebbende zich in die instantie met succes heeft verweerd tegen een rechtsmiddel dat is ingesteld door het bestuursorgaan.
5.4
In zijn verweerschrift in cassatie heeft belanghebbende de aandacht van de Hoge Raad gevraagd voor artikel 30a, lid 4, van de Wet WOZ, op grond waarvan de uitbetaling van deze proceskostenvergoeding uitsluitend mag plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Belanghebbende acht deze bepaling in strijd met het recht op het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de Europese Unie. De Hoge Raad als bestuursrechter is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.
6Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.402 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice-president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025.
Van het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Hoogheemraadschap Utrecht wordt een griffierecht geheven van € 559.
ECLI:NL:GHARL:2024:2277.
ECLI:NL:PHR:2024:1118, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:1141.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Vgl. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324, rechtsoverweging 2.2.