Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4488
2026-07-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/252
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM. Diverse formeelrechtelijke grieven.
Citeert (17)
- ECLI:EU:C:2017:687
- ECLI:NL:HR:2026:915 Hoge Raad 12-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:915 Hoge Raad 12-06-2026
- ECLI:NL:HR:2019:1579 Hoge Raad 11-10-2019
- ECLI:NL:HR:2019:1579 Hoge Raad 11-10-2019
- ECLI:NL:HR:2026:915 Hoge Raad 12-06-2026
- ECLI:NL:HR:2007:BB8440 Hoge Raad 23-11-2007
- ECLI:NL:HR:2019:1102 Hoge Raad 05-07-2019
- ECLI:NL:HR:2015:3465 Hoge Raad 18-12-2015
- ECLI:NL:HR:2003:AF0193 Hoge Raad 24-01-2003
- ECLI:NL:HR:2015:3465 Hoge Raad 18-12-2015
- ECLI:NL:HR:2018:564 Hoge Raad 13-04-2018
- ECLI:NL:HR:2023:1338 Hoge Raad 29-09-2023
- ECLI:NL:RVS:2025:771 Raad van State 26-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:7995 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-12-2025
- ECLI:NL:HR:2025:156 Hoge Raad 31-01-2025
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.293 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/252
uitspraakdatum: 7 juli 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummer AWB 23/583, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur), en
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) te Den Haag.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 3.317.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 dit beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen, bijgestaan door deskundige [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/191 tot en met 24/201, 24/203 tot en met 24/210, 24/223, 24/224, 24/236 tot en met 24/241, 24/250 tot en met 24/253 en 25/2381 gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Feiten
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 3.317. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De in dat verband relevante data luiden als volgt:
Zaak-
nummer
Dagtekening naheffingsaanslag
Einde bezwaar-termijn
Bezwaar
Dagtekening
Ontvangst
24/253
25 juni 2021
6 augustus 2021
8 juli 2022
11 juli 2022
3Geschil
3.1.
In geschil is of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd:
a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven geweigerd.
d. De Inspecteur heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (zie 3.1).
e. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging daarvan.
4Beoordeling van het geschil
Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht
4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.
4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.
4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Ad b. Vooraf heffen griffierecht
4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.
4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.
4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Ad c. Weigeren gemachtigde
4.7.
De heer Verhoeven heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daarbij is een door belanghebbende getekende volmacht overgelegd.
4.8.
De Rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 18 augustus 2023 vertegenwoordiging door de heer Verhoeven geweigerd wegens ernstige bezwaren. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ondanks eerdere waarschuwingen Verhoeven is blijven volharden in het indienen van stukken die doorspekt zijn met grievende en beledigende uitlatingen waardoor een normale, zakelijke omgang in de gerechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. Gelet op de geschetste omstandigheden acht het Hof een weigering op de voet van artikel 8:25 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gerechtvaardigd. Dat belanghebbende een gemachtigde in de arm heeft genomen die zich bedient van taal als hiervoor bedoeld, komt voor zijn rekening. Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt door weigering van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Belanghebbende kan zich namelijk voorzien van een andere rechtsbijstandverlener of gemachtigde. Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake.
Ad d. Niet-ontvankelijkheid bezwaar
4.9.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de zeswekentermijn door de inspecteur is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.
4.10.
Voornoemde bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet. Indien de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, dan vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
4.11.
Als de belanghebbende de verzending van het aanslagbiljet betwist, dan moet de inspecteur bewijzen dat het aanslagbiljet of de beschikking tijdig en rechtsgeldig aan belanghebbende is verzonden.
4.12.
De naheffingsaanslag is gedagtekend op 25 juni 2021. Het daartegen gerichte bezwaarschrift is gedagtekend op 8 juli 2022 en ontvangen door de Inspecteur op 11 juli 2022. Daarin heeft belanghebbendes gemachtigde de gronden van bezwaar naar voren gebracht in een brief van veertien bladzijden zonder daarin op te merken dat de naheffingsaanslag belanghebbende later heeft bereikt. Op de vraag van de Rechtbank aan belanghebbendes gemachtigde waarom het bezwaar te laat was ingediend, zijn geen redenen gegeven. Vervolgens heeft belanghebbendes gemachtigde pas in een nader stuk van 27 maart 2026 – dertien dagen voor de zitting van het Hof – geschreven dat hij ‘namens [belanghebbende] opwerpt dat hij de aanslag niet op of omstreeks de dagtekening heeft ontvangen, maar op een veel later moment’. Nu pas ruim 3,5 jaar na de indiening van een uitvoerig bezwaarschrift, kort voor de zitting bij het Hof, ondanks eerdere vragen daarover van de Rechtbank, voor het eerst door belanghebbende in algemene bewoordingen is gesteld dat de naheffingsaanslag op ‘een veel later moment’ in ontvangen, acht het Hof de betwisting door belanghebbende van een tijdige verzending onvoldoende gemotiveerd, zodat aan bewijslevering door de Inspecteur niet wordt toegekomen. Dit brengt mee dat uitgaande van de dagtekening van de naheffingsaanslag (25 juni 2021) het bezwaarschrift van 11 juli 2022 na afloop van de zeswekentemijn is ingediend. De Inspecteur heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.13.
Verder heeft belanghebbende geen redenen aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de termijnoverschrijding in verzuim is geweest.
4.14.
Anders dan belanghebbende betoogt, staat ook het Unierecht niet in de weg aan een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM wegens overschrijding van de nationaalrechtelijke bezwaartermijn. Het stond belanghebbende namelijk vrij gebruik te maken van de openstaande mogelijkheid van bezwaar. Daarom kan niet worden gezegd dat belanghebbende geen effectieve mogelijkheid had het verschuldigde bedrag aan BPM in een fiscale procedure te bestrijden.
4.15.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.
Ad e. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
4.16.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 50, te vergoeden door de Staat. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat het financiële belang bij deze procedure meer dan € 1.000 bedraagt, nu belanghebbende de naheffingsaanslag bestrijdt door onder meer te wijzen op het bij de aangifte overgelegde taxatierapport.
Slotsom
De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
5.1.
Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor verzoekschrift, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934). Opmerking verdient dat het Hof, in afwijking van zijn eerdere rechtspraak, niet langer een punt toekent voor de zitting.
5.2.
Verder wordt opgemerkt dat voornoemd bedrag aan proceskosten net als het bedrag van de immateriële schadevergoeding, op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a lid 4 Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dient te worden uitbetaald. Het Hof als belastingrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of deze bedragen moeten worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.
5.3.
Nu het hoger beroep ongegrond is verklaard, wordt geen griffierecht vergoed.
6Beslissing
Het Hof:
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 50;
veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50; en
bepaalt dat voornoemde vergoedingen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687; HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.
HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.
Artikel 6:7 Awb.
Artikel 6:9 lid 1 Awb.
Artikel 6:9 lid 2 Awb.
Artikel 22j AWR.
HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8440; HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102.
Zie de uitspraak van de Rechtbank, onderdeel 7.
HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.
HR (civiel) 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0193, r.o. 3.4.3; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.
De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.
Artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze bepaling vindt toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan sprake, nu het hogerberoepschrift na 1 januari 2024 is ingediend.
HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1338, r.o. 3.2.
Weliswaar is artikel 19a lid 2 Wet BPM (vermenigvuldigingsfactor 0,1 of 0,25) op 1 januari 2024 in werking getreden, maar deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op een proceskostenvergoeding in een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank die is bekendgemaakt na 1 januari 2024 (artikel IV, aanhef en letter a Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu de rechtbankuitspraak vóór 1 januari 2024 is bekendgemaakt.
Vgl. ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7995, r.o. 5.1.
HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.
HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1.
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/252
uitspraakdatum: 7 juli 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummer AWB 23/583, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur), en
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) te Den Haag.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 3.317.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 dit beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen, bijgestaan door deskundige [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/191 tot en met 24/201, 24/203 tot en met 24/210, 24/223, 24/224, 24/236 tot en met 24/241, 24/250 tot en met 24/253 en 25/2381 gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Feiten
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 3.317. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De in dat verband relevante data luiden als volgt:
Zaak-
nummer
Dagtekening naheffingsaanslag
Einde bezwaar-termijn
Bezwaar
Dagtekening
Ontvangst
24/253
25 juni 2021
6 augustus 2021
8 juli 2022
11 juli 2022
3Geschil
3.1.
In geschil is of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd:
a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven geweigerd.
d. De Inspecteur heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (zie 3.1).
e. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging daarvan.
4Beoordeling van het geschil
Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht
4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.
4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.
4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Ad b. Vooraf heffen griffierecht
4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.
4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.
4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Ad c. Weigeren gemachtigde
4.7.
De heer Verhoeven heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daarbij is een door belanghebbende getekende volmacht overgelegd.
4.8.
De Rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 18 augustus 2023 vertegenwoordiging door de heer Verhoeven geweigerd wegens ernstige bezwaren. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ondanks eerdere waarschuwingen Verhoeven is blijven volharden in het indienen van stukken die doorspekt zijn met grievende en beledigende uitlatingen waardoor een normale, zakelijke omgang in de gerechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. Gelet op de geschetste omstandigheden acht het Hof een weigering op de voet van artikel 8:25 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gerechtvaardigd. Dat belanghebbende een gemachtigde in de arm heeft genomen die zich bedient van taal als hiervoor bedoeld, komt voor zijn rekening. Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt door weigering van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Belanghebbende kan zich namelijk voorzien van een andere rechtsbijstandverlener of gemachtigde. Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake.
Ad d. Niet-ontvankelijkheid bezwaar
4.9.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de zeswekentermijn door de inspecteur is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.
4.10.
Voornoemde bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet. Indien de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, dan vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
4.11.
Als de belanghebbende de verzending van het aanslagbiljet betwist, dan moet de inspecteur bewijzen dat het aanslagbiljet of de beschikking tijdig en rechtsgeldig aan belanghebbende is verzonden.
4.12.
De naheffingsaanslag is gedagtekend op 25 juni 2021. Het daartegen gerichte bezwaarschrift is gedagtekend op 8 juli 2022 en ontvangen door de Inspecteur op 11 juli 2022. Daarin heeft belanghebbendes gemachtigde de gronden van bezwaar naar voren gebracht in een brief van veertien bladzijden zonder daarin op te merken dat de naheffingsaanslag belanghebbende later heeft bereikt. Op de vraag van de Rechtbank aan belanghebbendes gemachtigde waarom het bezwaar te laat was ingediend, zijn geen redenen gegeven. Vervolgens heeft belanghebbendes gemachtigde pas in een nader stuk van 27 maart 2026 – dertien dagen voor de zitting van het Hof – geschreven dat hij ‘namens [belanghebbende] opwerpt dat hij de aanslag niet op of omstreeks de dagtekening heeft ontvangen, maar op een veel later moment’. Nu pas ruim 3,5 jaar na de indiening van een uitvoerig bezwaarschrift, kort voor de zitting bij het Hof, ondanks eerdere vragen daarover van de Rechtbank, voor het eerst door belanghebbende in algemene bewoordingen is gesteld dat de naheffingsaanslag op ‘een veel later moment’ in ontvangen, acht het Hof de betwisting door belanghebbende van een tijdige verzending onvoldoende gemotiveerd, zodat aan bewijslevering door de Inspecteur niet wordt toegekomen. Dit brengt mee dat uitgaande van de dagtekening van de naheffingsaanslag (25 juni 2021) het bezwaarschrift van 11 juli 2022 na afloop van de zeswekentemijn is ingediend. De Inspecteur heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.13.
Verder heeft belanghebbende geen redenen aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de termijnoverschrijding in verzuim is geweest.
4.14.
Anders dan belanghebbende betoogt, staat ook het Unierecht niet in de weg aan een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM wegens overschrijding van de nationaalrechtelijke bezwaartermijn. Het stond belanghebbende namelijk vrij gebruik te maken van de openstaande mogelijkheid van bezwaar. Daarom kan niet worden gezegd dat belanghebbende geen effectieve mogelijkheid had het verschuldigde bedrag aan BPM in een fiscale procedure te bestrijden.
4.15.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.
Ad e. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
4.16.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 50, te vergoeden door de Staat. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat het financiële belang bij deze procedure meer dan € 1.000 bedraagt, nu belanghebbende de naheffingsaanslag bestrijdt door onder meer te wijzen op het bij de aangifte overgelegde taxatierapport.
Slotsom
De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
5.1.
Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor verzoekschrift, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934). Opmerking verdient dat het Hof, in afwijking van zijn eerdere rechtspraak, niet langer een punt toekent voor de zitting.
5.2.
Verder wordt opgemerkt dat voornoemd bedrag aan proceskosten net als het bedrag van de immateriële schadevergoeding, op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a lid 4 Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dient te worden uitbetaald. Het Hof als belastingrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of deze bedragen moeten worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.
5.3.
Nu het hoger beroep ongegrond is verklaard, wordt geen griffierecht vergoed.
6Beslissing
Het Hof:
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 50;
veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50; en
bepaalt dat voornoemde vergoedingen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687; HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.
HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.
Artikel 6:7 Awb.
Artikel 6:9 lid 1 Awb.
Artikel 6:9 lid 2 Awb.
Artikel 22j AWR.
HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8440; HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102.
Zie de uitspraak van de Rechtbank, onderdeel 7.
HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.
HR (civiel) 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0193, r.o. 3.4.3; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.
De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.
Artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze bepaling vindt toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan sprake, nu het hogerberoepschrift na 1 januari 2024 is ingediend.
HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1338, r.o. 3.2.
Weliswaar is artikel 19a lid 2 Wet BPM (vermenigvuldigingsfactor 0,1 of 0,25) op 1 januari 2024 in werking getreden, maar deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op een proceskostenvergoeding in een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank die is bekendgemaakt na 1 januari 2024 (artikel IV, aanhef en letter a Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu de rechtbankuitspraak vóór 1 januari 2024 is bekendgemaakt.
Vgl. ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7995, r.o. 5.1.
HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.
HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1.