Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4494

2026-07-07 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/1083 t/m 24/1120
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1083 t/m 24/1120
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM. Diverse formeelrechtelijke grieven.

Citeert (21)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (77.315 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1083 tot en met 24/1120
uitspraakdatum: 7 juli 2026




Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 24 januari 2024, nummers ARN 21/5123, 21/5124, 21/5125, 21/5128, 21/5130, 21/5131, 21/5136, 21/5138, 21/5141, 21/5143, 21/5461, 21/5797, 21/5798, 21/5800, 21/5802, 21/5803, 22/537, 22/538, 22/539, 22/540, 22/581, 22/589, 22/590, 22/593, 22/594, 22/596, 22/761, 22/762, 22/763, 22/764, 22/1314, 22/1467, 22/2087, 22/2091, 22/6032, 22/6033, 22/6034 en 22/6035, in het geding tussen belanghebbende en



de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur), en



de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (hierna: de Staat).






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Belanghebbende heeft op aangiften bedragen aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) voldaan.



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de voldoeningen bezwaarschriften ingediend. De Inspecteur heeft op deze bezwaren beslist en deze deels gegrond en deels ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierechten toegekend van respectievelijk € 2.500, € 1.900 en € 13.710.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.



1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.
Belanghebbende en de Inspecteur hebben nadere stukken ingediend.



1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen, bijgestaan door deskundige [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.






2Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft voor de maanden augustus 2019 en oktober 2019 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: Wet BPM) gedaan voor de volgende personenauto’s:












Zaak-
nummer


Maandaangifte


Datum voldoening


Auto


Kenteken


Afschrijvingsmethode




24/1083


augustus 2019


30-09-2019


Porsche Cayman



[kenteken1]



Tabel







augustus 2019


30-09-2019


Porsche 911



[kenteken2]











augustus 2019


30-09-2019


Porsche 911 cabrio



[kenteken3]



Koerslijst (XRAY)




24/1084


oktober 2019


29-11-2019


Porsche Cayenne



[kenteken4]



Koerslijst (XRAY)







oktober 2019


29-11-2019


Audi Q8



[kenteken5]



Koerslijst (XRAY)







Ten aanzien van de Porsche 911 met kenteken [kenteken2] is door een andere belanghebbende eveneens aangifte BPM gedaan. Belanghebbende heeft het bedrag aan verschuldigde BPM dat zij voor deze auto op de maandaangifte voor de maand augustus 2019 heeft voldaan in mindering gebracht in haar maandaangifte voor de maand december 2019. Er bestaat daarom geen geschil over de voldoening op aangifte voor deze auto. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de maandaangiften. De Inspecteur heeft belanghebbende op 17 februari 2021 gehoord en in één geschrift met datum 31 augustus 2021 uitspraak op de bezwaren gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.




2.2.
Belanghebbende heeft voor de maand november 2019 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto’s:












Zaak-
nummer


Maandaangifte


Datum voldoening


Auto


Kenteken


Afschrijvingsmethode




24/1085


november 2019


31-12-2019


Land Rover Range Rover 5.0 V8 SC



[kenteken6]



Koerslijst (XRAY)




24/1086


november 2019


31-12-2019


Bentley Continental GT 6.0. W12



[kenteken7]



Koerslijst (XRAY)




24/1087


november 2019


31-12-2019


Mini Countryman 2.0 JCW ALL4



[kenteken8]



Tabel




24/1088


november 2019


31-12-2019


Audi Q8 50 TDI quattro



[kenteken9]



Koerslijst (XRAY)







Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft de gemachtigde bij aangetekende brief van 2 februari 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 18 februari 2021 om 10:00 uur. Vervolgens heeft de Inspecteur op dezelfde dag per email de digitale dossiers voor het hoorgesprek aan de gemachtigde gestuurd. De gemachtigde heeft de Inspecteur bij email van 3 februari 2021 laten weten dat hij de email met de dossiers van de Inspecteur van 2 februari 2021 in goede orde heeft ontvangen, dat hij geen uitnodiging voor een hoorgesprek voor 18 februari 2021 had ontvangen en dat hij de dossiers niet in behandeling zal nemen. De gemachtigde is vervolgens niet verschenen op het hoorgesprek van 18 februari 2021. De Inspecteur heeft op 11 augustus 2021 uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.




2.3.
Belanghebbende heeft voor de maand januari 2020 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: Wet BPM) gedaan voor de volgende personenauto’s:












Zaak-
nummer


Maandaangifte


Datum voldoening


Auto


Kenteken


Afschrijvingsmethode




24/1089


januari 2020


27-2-2020


Porsche 991



[kenteken10]



Koerslijst (XRAY)




24/1090


januari 2020


27-2-2020


Audi E-tron



[kenteken11]



Tabel




24/1091


januari 2020


27-2-2020


Audi E-tron



[kenteken12]



Tabel




24/1092


januari 2020


27-2-2020


Porsche 991



[kenteken13]



Tabel







Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 17 februari 2021 gehoord en op 31 augustus 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken13] recht bestaat op een teruggaaf van € 996 in verband met de toepassing van artikel 16a Wet BPM. De Inspecteur heeft daarbij aan belanghebbende een vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar van € 530 toegekend (2 punten met een waarde van € 265).




2.4.
Belanghebbende heeft op 29 november 2019 aangifte BPM gedaan voor een Mini Countryman met kenteken [kenteken14] . Deze aangifte is op 5 december 2019 door de Inspecteur ontvangen. Belanghebbende heeft ter bepaling van de afschrijving de taxatiemethode gehanteerd en een taxatierapport overgelegd. Belanghebbende heeft de verschuldigde BPM op 12 december 2019 voldaan. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte. De Inspecteur heeft de gemachtigde uitgenodigd voor een hoorgesprek op 23 februari 2021 en daarna voor een hoorgesprek op 12 april 2021. De gemachtigde heeft deze uitnodigingen afgewezen. Vervolgens heeft de Inspecteur de gemachtigde bij brief van 17 maart 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 20 april 2021 om 10:00 uur. De Inspecteur heeft op 13 april 2021 per email de digitale dossiers voor dit hoorgesprek aan de gemachtigde gestuurd. Op die email heeft de gemachtigde per email gereageerd dat er geen hoorgesprek was afgesproken. De gemachtigde is niet op het hoorgesprek van 20 april 2021 verschenen. De Inspecteur heeft op 22 juli 2021 uitspraak gedaan op het bezwaar en het bezwaar ongegrond verklaard. Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende geregistreerd onder het zaaknummer 24/1093.



2.5.
Belanghebbende heeft voor de maand juli 2020 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto’s:












Zaak-
nummer


Maandaangifte


Datum voldoening


Auto


Kenteken


Afschrijvingsmethode




24/1094


juli 2020


24-9-2020


Audi e-Tron 55 quattro Bus. Ed.



[kenteken15]



Tabel




24/1095


juli 2020


24-9-2020


Mini Cooper Cabrio 2.0



[kenteken16]



Koerslijst (XRAY)




24/1096


juli 2020


24-9-2020


Porsche 911 Cabrio 3.0 Carrera



[kenteken17]



Koerslijst (XRAY)




24/1097


juli 2020


24-9-2020


BMW M2 Coupé DCT



[kenteken18]



Koerslijst (XRAY)




24/1098


juli 2020


24-9-2020


Porsche Cayenne



[kenteken19]



Koerslijst (XRAY)







Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 15 april 2021 gehoord en op 11 november 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de Inspecteur heeft vastgesteld dat ten aanzien van de auto’s met de kentekens [kenteken16] , [kenteken17] , [kenteken18] , [kenteken19] recht bestaat op extra leeftijdskorting van respectievelijk € 57, € 1, € 165 en € 353. De Inspecteur heeft aan belanghebbende geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend.




2.6.
Belanghebbende heeft voor de maand juni 2020 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto’s:












Zaak-
nummer


Maandaangifte


Datum voldoening


Auto


Kenteken


Afschrijvingsmethode




24/1099


juni 2020


5-8-2020


Porsche Cayenne 3.0 S E-Hybrid



[kenteken20]



Tabel




24/1100


juni 2020


5-8-2020


Porsche 911 Cabrio 3.0 Carrera S (992)



[kenteken21]



Koerslijst (XRAY)




24/1101


juni 2020


5-8-2020


Porsche 911 Cabrio 3.0 Carrera 4s (992)



[kenteken22]



Koerslijst (XRAY)




24/1102


juni 2020


5-8-2020


Bentley Continental GT 6.0. W12 1st ed.



[kenteken23]



Koerslijst (XRAY)







Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 15 april 2021 gehoord en op 3 november 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.




2.7.
Belanghebbende heeft voor de maand april 2020 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto:












Zaak-
nummer


Maandaangifte


Datum voldoening


Auto


Kenteken


Afschrijvingsmethode




24/1103


april 2020


6-7-2020


Audi Q8 50 TDI quattro



[kenteken24]



Koerslijst (XRAY)







Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 15 april 2021 gehoord en op 23 november 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat recht bestaat op een teruggave van € 1.134 in verband met de toepassing van artikel 16a Wet BPM. De Inspecteur heeft daarbij aan belanghebbende geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend.




2.8.
Belanghebbende heeft voor de maand februari 2020 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto’s:












Zaak-
nummer


Maandaangifte


Datum voldoening


Auto


Kenteken


Afschrijvingsmethode




24/1104


februari 2020


4-5-2020


Audi e-tron 55 quattro adv.



[kenteken25]



Tabel




24/1105


februari 2020


4-5-2020


Audi e-tron 55 quattro



[kenteken26]



Tabel




24/1106


februari 2020


4-5-2020


Porsche Panamera Sport Turism 4.0 GTS



[kenteken27]



Koerslijst (XRAY)




24/1107


februari 2020


4-5-2020


Mercedes-Benz G-Klasse 63 AMG



[kenteken28]



Koerslijst (XRAY)




24/1108


februari 2020


4-5-2020


Porsche 91 1 Cabrio Carrera 4S (991)



[kenteken29]



Tabel







Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 15 april 2021 gehoord en op 3 november 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de Inspecteur heeft vastgesteld dat ten aanzien van de auto’s met de kentekens [kenteken28] en [kenteken29] recht bestaat op extra leeftijdskorting van respectievelijk € 858 en € 865. De Inspecteur heeft daarbij aan belanghebbende geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend.




2.9.
Belanghebbende heeft voor de maand december 2019 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto’s:












Zaak-
nummer


Maandaangifte


Datum voldoening


Auto


Kenteken


Afschrijvingsmethode




24/1109


december 2019


17-2-2020


Porsche Cayenne 3.0D



[kenteken30]



Koerslijst (XRAY)




24/1110


december 2019


17-2-2020


Mercedes-Benz GLC-Klasse 43 AMG



[kenteken31]



Koerslijst (XRAY)




24/1111


december 2019


17-2-2020


Mercedes-Benz GLS-Klasse 63 AMG



[kenteken32]



Koerslijst (XRAY)




24/1112


december 2019


17-2-2020


Mercedes-Benz G-Klasse 63 AMG



[kenteken33]



Koerslijst (XRAY)







Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 15 april 2021 gehoord en op 19 november 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de Inspecteur heeft vastgesteld dat ten aanzien van de auto’s met de kentekens [kenteken31] , [kenteken32] en [kenteken33] recht bestaat op extra leeftijdskorting van respectievelijk € 193, € 641 en € 93. De Inspecteur heeft daarbij aan belanghebbende geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend.




2.10.
Belanghebbende heeft voor de maand maart 2020 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto’s:












Zaak-
nummer


Maandaangifte


Datum voldoening


Auto


Kenteken


Afschrijvingsmethode




24/1113


maart 2020


8-6-2020


BMW 1-serie 3.0o M Coupé



[kenteken34]



Tabel




24/1114


maart 2020


8-6-2020


Audi RS6 Avant 4.0



[kenteken35]



Taxatie







Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 15 april 2021 gehoord en op 17 november 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de Inspecteur heeft vastgesteld dat ten aanzien van de auto met het kenteken [kenteken34] recht bestaat op extra leeftijdskorting van € 811. De Inspecteur heeft daarbij aan belanghebbende geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend.




2.11.
Belanghebbende heeft aangifte BPM gedaan voor een Porsche 911 Carrera 4s met het kenteken [kenteken36] en een Porsche 911 Carrera 4s met het kenteken [kenteken37] . Belanghebbende heeft de afschrijving bepaald aan de hand van een koerslijst van XRAY. Belanghebbende heeft de op aangifte verschuldigde BPM op 28 juni 2021 voldaan. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 7 december 2021 gehoord en op 15 februari 2022 ( [kenteken36] ) en 17 januari 2022 ( [kenteken37] ) uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de Inspecteur heeft vastgesteld dat recht bestaat op extra leeftijdskorting van respectievelijk € 519 en € 732. De Inspecteur heeft daarbij aan belanghebbende geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend. De hoger beroepen van belanghebbende zijn geregistreerd onder de zaaknummers 24/1115 ( [kenteken36] ) en 24/1116 ( [kenteken37] ).



2.12.
Belanghebbende heeft voor de maand september 2019 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto’s:












Zaak-
nummer


Maandaangifte


Datum voldoening


Auto


Kenteken


Afschrijvingsmethode




24/1117


september 2019


1-11-2019


Porsche Cayenne



[kenteken38]



Koerslijst (XRAY)




24/1118


september 2019


1-11-2019


Porsche 911



[kenteken39]



Koerslijst (XRAY)




24/1119


september 2019


1-11-2019


Porsche Cayenne turbo



[kenteken40]



Koerslijst (XRAY)




24/1120


september 2019


1-11-2019


Mercedes A3 5 AMG



[kenteken41]



Koerslijst (Autotelex Pro)







Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 22 maart 2021 gehoord en op 30 september 2022 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de Inspecteur heeft vastgesteld dat ten aanzien van de auto met het kenteken [kenteken39] recht bestaat op extra leeftijdskorting van € 200. De Inspecteur heeft daarbij aan belanghebbende geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend.







3Geschil


3.1.
In geschil is of belanghebbende telkens te veel BPM op aangifte heeft voldaan. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.



3.2.
Belanghebbende heeft in hoger beroep de volgende beroepsgronden aangevoerd:
a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
c. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase de hoorplicht geschonden.
d. De bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering van de verschuldigde BPM rust in het licht van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) op de Inspecteur.
e. Het systeem van de Wet BPM op grond waarvan BPM voorafgaand aan het belastbare feit moet worden betaald, voldoet niet aan de vereisten die op grond van het Unierecht worden gesteld aan het heffen van een registratieheffing.
f. Voor het bepalen van de waarde van de auto moet worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft.
g. Artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van de transitieregeling die geldt bij de overgang van de NEDC-testmethode naar de WLTP-testmethode.
h. Er bestaat recht op toepassing van een gunstiger voortijds of tussentijds tarief.
i. De koerslijst van AutotelexPro is niet op de juiste wijze toegepast.
j. Er bestaat recht op extra leeftijdskorting; daarbij moet voor de maandaangiften die belanghebbende als vergunninghouder heeft gedaan worden uitgegaan van de datum van melding.
k. De Inspecteur heeft de bedragen aan te veel voldane BPM die bij de uitspraken op bezwaar zijn vastgesteld niet uitbetaald.
l. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar voor de gegrond verklaarde bezwaren.
m. De overschrijding van de redelijke termijn dient tot een immateriële schadevergoeding van € 500 per zaak te leiden.
n. De door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 50 per zaak is te laag.
o. Over de door de Rechtbank toegekende vergoeding van de betaalde griffierechten moet rente worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop belanghebbende de griffierechten heeft betaald.
p. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.






4Beoordeling van het geschil



Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht



4.1.
Belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.



4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.



4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.



Ad b. Vooraf heffen griffierecht




4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.



4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is om dezelfde redenen evenmin sprake.



4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.



Ad c. Schending hoorplicht




4.7.
Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op zijn verzoek te horen. De wettelijke regeling over het horen van degene die bezwaar maakt, staat de inspecteur toe voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht een tijdstip en een locatie te kiezen. De vrijheid die de inspecteur in dit verband heeft, wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die beginselen brengen mee dat rekening moet worden gehouden met de redelijke belangen van de betrokkene(n) en van de inspecteur. De inspecteur moet die belangen tegen elkaar afwegen. Uitgangspunt daarbij is (a) dat het aan de inspecteur is om tijd en plaats van het hoorgesprek te bepalen, en (b) dat geen regel of beginsel meebrengt dat een hoorgesprek alleen kan worden gehouden op een plaats en tijdstip die de belanghebbende en diens gemachtigde uitkomen, bijvoorbeeld in verband met andere verplichtingen.



4.8.
De Inspecteur heeft met betrekking tot de bezwaren tegen de maandaangifte voor de maand november 2019 (zie 2.2.) en het bezwaar tegen de voldoening op aangifte ter zake van de auto met kenteken [kenteken14] (zie 2.4.) uitspraak op bezwaar gedaan, zonder dat er een hoorgesprek met de gemachtigde van belanghebbende heeft plaatsgevonden. Belanghebbende betoogt dat ten aanzien van deze bezwaren de hoorplicht is geschonden.



4.9.
Uit de in 2.2. beschreven gang van zaken, in het bijzonder de email van de gemachtigde van 3 februari 2021, volgt dat de gemachtigde op 3 februari 2021 ervan op de hoogte was dat de Inspecteur voor het bezwaar tegen de maandaangifte november 2019 een hoorgesprek had gepland op 18 februari 2021. Verder volgt uit de in 2.4. beschreven gang van zaken, in het bijzonder de email van de gemachtigde van 13 april 2021, dat de gemachtigde op 13 april 2021 ervan op de hoogte was dat op de Inspecteur een hoorgesprek had gepland voor het bezwaar tegen de voldoening op aangifte inzake de auto met kenteken [kenteken14] . Zelfs indien het Hof belanghebbende volgt in haar stelling dat haar gemachtigde de brieven met de uitnodigingen voor de hoorgesprekken van respectievelijk 2 februari 2021 en 17 maart 2021 niet heeft ontvangen, staat vast dus dat de gemachtigde op 3 februari 2021 respectievelijk 13 april 2021 ervan op de hoogte was dat er door de Inspecteur op 18 februari 2021 en 20 april 2021 een hoorgesprek was gepland voor de hiervoor genoemde bezwaren. Dit brengt mee dat moet worden aangenomen dat de Inspecteur de gemachtigde rechtmatig heeft uitgenodigd voor deze hoorgesprekken. De gemachtigde heeft niet verzocht om uitstel van deze hoorgesprekken en ook niet te kennen gegeven dat hij op deze data was verhinderd. Dit leidt tot de conclusie dat de Inspecteur de gemachtigde voldoende in de gelegenheid gesteld over de bezwaren te worden gehoord en bij het plannen van een hoorgesprek de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet heeft geschonden. Dat de gemachtigde ervoor heeft gekozen geen gevolg te geven aan de uitnodigingen, brengt niet mee dat de Inspecteur de hoorplicht niet is nagekomen.



Ad d. Stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vermindering




4.10.
In artikel 10 Wet BPM is geregeld hoe voor gebruikte personenauto’s de verschuldigde BPM wordt bepaald. Die regeling houdt in dat op het bij de personenauto behorende bedrag aan BPM, bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, Wet BPM, een vermindering in acht wordt genomen vanwege de gebruikte staat.



4.11.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Volgens belanghebbende berusten stelplicht en - bij betwisting - bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren niet op haar. Dit betoog slaagt niet. Op iemand die zich beroept op een vermindering van de verschuldigde BPM rust de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die daartoe kunnen leiden. Daarbij moet diegene wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Artikel 110 VWEU verzet zich dan niet tegen deze bewijslastverdeling. Door de mogelijkheid om te kiezen uit verschillende methoden ter bepaling van de afschrijving, biedt de in de Wet BPM opgenomen regeling de mogelijkheid om te komen tot een heffing van BPM die in overeenstemming is met artikel 110 VWEU.



Ad e. Heffingsmodaliteit Wet BPM in strijd met het Unierecht




4.12.
De heffing van BPM vindt plaats door middel van voldoening op aangifte. Indien deze BPM is verschuldigd ter zake van de registratie van een motorrijtuig, moet deze worden betaald voordat het motorrijtuig te naam is gesteld in het kentekenregister en moet de aangifte gelijktijdig met de betaling worden gedaan. Deze verplichting tot vooruitbetaling van BPM op aangifte is niet beperkt tot motorrijtuigen die buiten Nederland zijn geproduceerd of aldaar zijn aangekocht.



4.13.
Alleen houders van een vergunning als bedoeld in artikel 8 Wet BPM zijn uitgezonderd van de hiervoor bedoelde verplichting tot vooruitbetaling. Zij kunnen de BPM achteraf per tijdvak (en dus niet vooraf per motorrijtuig) voldoen. Deze mogelijkheid om BPM pas na de tenaamstelling te betalen staat onder dezelfde voorwaarden open voor gebruikte motorrijtuigen die zijn geproduceerd of aangekocht buiten Nederland.



4.14.
Nu bij de wijze van heffing en betaling van BPM geen onderscheid wordt gemaakt tussen motorrijtuigen die in Nederland zijn geproduceerd of aldaar zijn aangekocht en motorrijtuigen die buiten Nederland zijn geproduceerd of aldaar zijn aangekocht, is van strijdigheid met artikel 110 VWEU geen sprake. Het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel verzet zich evenmin tegen deze wijze van heffing en betaling van BPM.



Ad f. Ex-rental




4.15.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 110 VWEU voor de bepaling van de afschrijving moet worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft (‘ex-rental’), ook als de betreffende auto niet als huurauto is gebruikt, omdat dit de laagst mogelijke waarde is. Dit betreffen dan in dit geval de auto’s waarbij voor het bepalen van de waardevermindering een koerslijst van XRAY is gebruikt. Dit betoog van belanghebbende faalt, omdat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Belanghebbende heeft verder niet gemotiveerd gesteld dat de auto’s waarbij in deze zaken voor het bepalen van de waardevermindering een koerslijst van XRAY is gebruikt een huurverleden hebben of vergelijkbaar zijn met auto’s met een huurverleden.



Ad g. Overgang NEDC/WLTP




4.16.
Belanghebbende stelt dat de overgang van de NEDC-testmethode naar de WLTP-testmethode betekent dat sprake is van verschillende heffingsmodaliteiten, hetgeen strijd oplevert met artikel 110 VWEU.



4.17.
Tot 1 september 2017 werd de CO2-uitstootwaarde vastgesteld volgens de NEDC-testmethode. Van 1 september 2017 tot 1 september 2018 werd de CO2-uitstootwaarde vastgesteld volgens de WLTP-testmethode, maar alleen voor nieuwe typen auto’s (voor bestaande typen werd de CO2-uitstootwaarde in deze periode vastgesteld volgens de NEDC-testmethode). Met ingang van 1 september 2018 geldt voor alle nieuw geproduceerde auto’s dat de CO2-uitstootwaarde wordt vastgesteld volgens de WLTP-testmethode. De WLTP-testmethode leidt doorgaans tot een hogere CO2-uitstootwaarde dan de NEDC-testmethode.



4.18.
Op grond van de restantvoorraadregeling (Kaderrichtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007) mocht voor auto’s die zijn geproduceerd vóór 1 juni 2018 en die op dat moment bij de importeur op voorraad stonden en al waren voorzien van een CO2-uitstootwaarde op basis van de NEDC-testmethode, van 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor de berekening van de verschuldigde BPM worden uitgegaan van die reeds vastgestelde CO2-uitstootwaarde.



4.19.
Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat met betrekking tot (een van de) onderhavige auto’s de overgang van de NEDC-testmethode naar de WLTP-testmethode leidt tot een schending van artikel 110 VWEU. Belanghebbende moet daarvoor het bewijs als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2. leveren. Belanghebbende heeft dit bewijs in dit geval niet geleverd.



Ad h. Toepassing gunstiger BPM tarief




4.20.
Voor zover belanghebbende stelt dat met betrekking tot (een van de) onderhavige auto’s recht bestaat op toepassing van een gunstiger voortijds of tussentijds BPM-tarief, overweegt het Hof dat de Inspecteur met betrekking tot onderhavige auto’s in de bezwaarfase heeft onderzocht of aanleiding bestond tot toepassing van een gunstiger voortijds of tussentijds BPM-tarief en zo ja, deze lagere tarieven heeft toegepast (zie 2.3. en 2.7.). Belanghebbende heeft niet gemotiveerd gesteld dat er naast de auto’s waarvoor de Inspecteur een gunstiger tarief heeft toegepast, nog andere auto’s zijn waarvoor recht bestaat op toepassing van een gunstiger voortijds of tussentijds tarief.



Ad i. Juiste toepassing koerslijst AutotelexPro




4.21.
De koerslijst van AutotelexPro voorziet erin dat kan worden aangevinkt dat er een aftrek op de handelswaarde moet worden toegepast vanwege de staat van het interieur of exterieur. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor zover de koerslijst van AutotelexPro is gebruikt een aftrek op de handelsinkoopwaarde moet worden toegepast als gevolg van de staat van het interieur en/of de staat van het exterieur. Het Hof stelt vast dat alleen ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken41] een koerslijst van AutotelexPro is toegepast (zie 2.12.). Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet gemotiveerd gesteld dat in het geval van de auto met kenteken [kenteken41] sprake is van een dusdanig (afwijkende) staat van het interieur en/of exterieur dat er aanleiding is voor toepassing van deze vermindering.



Ad j. Extra leeftijdskorting




4.22.
Belanghebbende stelt dat voor een deel van de onderhavige auto’s recht bestaat op extra leeftijdskorting die de Inspecteur niet reeds bij de uitspraken op bezwaar heeft toegekend. Dit betreft dan de volgende auto’s: de Porsche Cayman met kenteken [kenteken1] (zaaknummer 24/1083) en de Porsche 911 met kenteken [kenteken3] uit de maandaangifte augustus 2019, de Porsche Cayenne met kenteken [kenteken4] (zaaknummer 24/1084) uit de maandaangifte oktober 2019, de Land Rover Range Rover 5.0 V8 SC met kenteken [kenteken6] (zaaknummer 24/1085), de Audi Q8 50 TDI Quattro met kenteken [kenteken9] (zaaknummer 24/1088) uit de maandaangifte oktober 2019, de Porsche 911 met kenteken [kenteken13] (zaaknummer 24/1092) uit de maandaangifte januari 2020, en de Mini Countryman met kenteken [kenteken14] (zaaknummer 24/1093).



4.23.
Belanghebbende betoogt daarbij onder meer dat voor de vraag of recht bestaat op extra leeftijdskorting in geval van een maandaangifte uit moet worden gegaan van de datum van melding, omdat belanghebbende bij het doen van de maandaangiften deels uit is gegaan van de bedragen aan verschuldigde BPM uit de meldingen, en daardoor bij de maandaangifte niet in alle gevallen rekening heeft gehouden met extra leeftijdskorting. De Inspecteur stelt dat hij voor die gevallen dat recht bestaat op extra leeftijdskorting deze reeds in de bezwaarfase heeft toegekend. Volgens de Inspecteur is er dus geen aanleiding voor toekenning van extra leeftijdskorting.



4.24.
De bewijslast dat ten aanzien van (een van de) onderhavige auto’s recht bestaat op extra leeftijdskorting die niet reeds bij uitspraak op bezwaar door de Inspecteur is toegekend, rust op belanghebbende. Ten aanzien van de vraag of belanghebbende recht heeft op extra leeftijdskorting voor de in 4.22. genoemde auto’s overweegt het Hof als volgt:



Porsche Cayman met kenteken [kenteken1] , maandaangifte augustus 2019 (zaaknummer 24/1083)




4.25.
De datum eerste toelating van deze auto is 13 oktober 2016. Belanghebbende heeft met datum 16 juli 2019 melding gedaan van deze auto en daarbij de afschrijving aan de hand van de forfaitaire tabel berekend op 55,332%, ervan uitgaande dat de auto (naar boven afgerond) 2 jaar en 10 maanden oud was. De Inspecteur heeft niet weersproken dat belanghebbende de volgens de melding verschuldigde BPM van € 5.117 bij de maandaangifte augustus 2019 heeft voldaan. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2019. Nu de tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2019, was de auto op het moment van de tenaamstelling 2 jaar en 11 maanden oud, en bedroeg het afschrijvingspercentage volgens de forfaitaire tabel 56,165%. Dit betekent dat belanghebbende voor deze auto recht heeft op een extra leeftijdskorting van € 95.



Porsche 911 kenteken [kenteken3] , maandaangifte augustus 2019




4.26.
De datum eerste toelating van deze auto is 12 juni 2019. Belanghebbende heeft met datum 17 juli 2019 melding gedaan van deze auto en de verschuldigde BPM aan de hand van een koerslijst berekend op € 22.151. De Inspecteur heeft niet weersproken dat belanghebbende de volgens de melding verschuldigde BPM bij de maandaangifte augustus 2019 heeft voldaan. Op dat moment was de auto (naar boven afgerond) 2 maanden oud. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2019. Op dat moment was de auto (naar boven afgerond) 3 maanden oud. Dit betekent dat belanghebbende voor deze auto recht heeft op een extra leeftijdskorting van € 747.



Porsche Cayenne kenteken [kenteken4] , maandaangifte oktober 2019 (zaaknummer 24/1084)




4.27.
De datum eerste toelating van deze auto is 7 maart 2018. Belanghebbende heeft met datum 26 september 2019 melding gedaan van deze auto en de verschuldigde BPM aan de hand van een koerslijst berekend op € 15.896. Op dat moment was de auto (naar boven afgerond) 1 jaar en 7 maanden oud. De Inspecteur heeft niet weersproken dat belanghebbende de volgens de melding verschuldigde BPM bij de maandaangifte oktober 2019 heeft voldaan. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2019. Nu de tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2019, was de auto op het moment van de tenaamstelling 1 jaar en 8 maanden oud. Dit betekent dat belanghebbende voor deze auto recht heeft op een extra leeftijdskorting van € 251.



Land Rover Range Rover 5.0 V8 SC [kenteken6] , maandaangifte november 2019 (zaaknummer 24/1085)




4.28.
De datum van eerste toelating van deze auto is 21 maart 2018. Belanghebbende heeft met datum 30 oktober 2019 melding gedaan van deze auto en de verschuldigde BPM aan de hand van een koerslijst berekend op € 44.818. Op dat moment was de auto (naar boven afgerond) 1 jaar en 8 maanden oud. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Op dat moment was de auto nog steeds (naar boven afgerond) 1 jaar en 8 maanden oud. Belanghebbende heeft daarom geen recht op extra leeftijdskorting voor deze auto.



Audi Q8 50 TDI Quattro met kenteken [kenteken9] , maandaangifte november 2019, (zaaknummer 24/1088)




4.29.
De datum van eerste toelating van deze auto is 13 september 2019. Belanghebbende heeft met datum 22 oktober 2019 melding gedaan van deze auto en de verschuldigde BPM aan de hand van een koerslijst berekend op € 17.467. Op dat moment was de auto (naar boven afgerond) 2 maanden oud. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 5 november 2019. Op dat moment was de auto nog steeds (naar boven afgerond) 2 maanden oud. Belanghebbende heeft daarom geen recht op extra leeftijdskorting voor deze auto.



Porsche 911 met kenteken [kenteken13] , maandaangifte januari 2020 (zaaknummer 24/1092)




4.30.
De datum eerste toelating van deze auto is 17 februari 2016. Belanghebbende heeft met datum 22 augustus 2019 melding gedaan van deze en daarbij de afschrijving aan de hand van de forfaitaire tabel berekend op 62,75%, ervan uitgaande dat de auto (naar boven afgerond) 3 jaar en 7 maanden oud was. De Inspecteur heeft niet weersproken dat belanghebbende de volgens de melding verschuldigde BPM van € 5.424 bij de maandaangifte januari 2020 heeft voldaan. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020. Nu de tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020, was de auto op het moment van de tenaamstelling (naar boven afgerond) 4 jaar oud. Dit betekent dat belanghebbende voor deze auto recht heeft op een extra leeftijdskorting van € 446.



Mini Countryman Cooper kenteken [kenteken14] (zaaknummer 24/1093)




4.31.
De datum van eerste toelating van deze auto is 7 september 2017. Belanghebbende heeft met datum 29 november 2019 aangifte BPM gedaan voor deze auto en de verschuldigde BPM aan de hand van de taxatiemethode, uitgaande van een historische bruto BPM van € 11.085, berekend op € 5.070. Op dat moment was de auto (naar boven afgerond) 2 jaar en 3 maanden oud. Deze aangifte is op 5 december 2019 door de Inspecteur ontvangen en het bedrag aan BPM is ontvangen op 12 december 2019. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 13 december 2019. Op dat moment was de auto 2 jaar en 4 maanden oud. Nu voor de vraag of belanghebbende recht heeft op extra leeftijdskorting, in dit geval uit moet worden gegaan van de datum van de aangifte, heeft belanghebbende recht op extra leeftijdskorting. Deze extra leeftijdskorting bedraagt € 92.



Ad k. Uitbetaling teruggaaf BPM




4.32.
Belanghebbende stelt dat zij de door de Inspecteur bij de uitspraken op bezwaar vastgestelde bedragen aan terug te geven BPM niet heeft ontvangen. Voor zover belanghebbende daarmee het Hof verzoekt de Inspecteur op te dragen deze bedragen alsnog uit te betalen, overweegt het Hof dat het niet aan het Hof is om in deze procedure een oordeel te geven over de uitbetaling van de teruggaven die bij de uitspraken op bezwaar zijn vastgesteld.



Ad l. Vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase




4.33.
Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur met betrekking tot de bezwaren tegen de in 2.5. en 2.7. tot en met 2.12 genoemde voldoeningen ten onrechte geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar heeft toegekend, ondanks dat de Inspecteur de bezwaren gegrond heeft verklaard, omdat belanghebbende recht heeft op toepassing van extra leeftijdskorting.



4.34.
De omstandigheid dat de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar heeft vastgesteld dat recht bestaat op teruggaaf van BPM wegens extra leeftijdskorting, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar. Daarvoor is in het geval van een voldoening op aangifte onder meer vereist, dat deze voldoening wordt herroepen door een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarbij moet worden beoordeeld of belanghebbende in redelijkheid in staat is geweest om het juiste bedrag aan BPM voorafgaand aan het belastbare feit te berekenen en of zij te veel bpm op aangifte heeft betaald als gevolg van een omstandigheid die niet aan de overheid is toe te rekenen.



4.35.
De Inspecteur moet een belastingplichtige op grond van het Kaderbesluit bpm toestaan om bij de voldoening op aangifte voor een motorrijtuig rekening te houden met een verloop van vijf werkdagen na de indiening van de aangifte om de tenaamstelling te realiseren. Aangenomen kan worden dat deze termijn van vijf werkdagen hiervoor als regel toereikend is. De belastingplichtige is daarom als regel in staat om bij het op aangifte voldoen van BPM van de juiste heffingsgrondslagen uit te gaan en op basis daarvan op dat moment, voorafgaand aan het belastbare feit, het juiste bedrag aan belasting te berekenen. Dit is anders wanneer die tenaamstelling als gevolg van onvoorziene en aan de overheid toe te rekenen omstandigheden langer dan vijf werkdagen op zich heeft laten wachten.



4.36.
Belanghebbende heeft in dit geval niet gemotiveerd gesteld dat voor de auto’s waarvoor de Inspecteur heeft vastgesteld dat recht bestaat op extra leeftijdskorting de tenaamstelling als gevolg van onvoorziene en aan de overheid tot te rekenen omstandigheden langer dan vijf werkdagen op zich heeft laten wachten. Als gevolg daarvan is niet aannemelijk geworden dat de omstandigheid dat belanghebbende te veel BPM op aangifte heeft betaald, het gevolg is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb.



4.37.
Verder moet worden aangenomen dat een belastingplichtige ook in staat moet zijn om bij aangifte reeds op de juiste wijze toepassing te geven aan artikel 16a Wet BPM. Dit maakt dat belanghebbende ook geen recht heeft op een vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar tegen de in 2.7. bedoelde voldoening op aangifte.



Ad m. Samenhang voor vergoeding immateriële schade




4.38.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat in alle zaken de redelijke termijn is overschreden, dat uitgaande van het oudste bezwaarschrift de termijn met afgerond vijfentwintig maanden is overschreden en dat dit leidt tot een totale vergoeding van immateriële schade van € 2.500. Aangezien de zaken door de Rechtbank gezamenlijk zijn behandeld en in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp – namelijk de vraag of belanghebbende op aangifte te veel BPM heeft voldaan, waarbij telkens dezelfde bezwaar- beroepsgronden zijn aangevoerd – hangen de zaken samen en heeft de Rechtbank terecht slechts eenmaal € 500 per half jaar als vergoeding van immateriële schade toegekend. In dit verband voert belanghebbende nog aan dat door de Rechtbank ook per zaak griffierecht is geheven, zodat kennelijk geen sprake is van samenhang. Dit betoog kan niet slagen. Het criterium voor samenhang in het kader van de immateriële schadevergoeding luidt namelijk niet hetzelfde als voor het begrip ‘samenhangende besluiten’ in het kader van het heffen van griffierecht. Het Unierecht noopt niet tot een hogere vergoeding van immateriële schade.



Ad n. Matiging proceskostenvergoeding in eerste aanleg




4.39.
Hoewel de Rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond heeft verklaard, heeft de Rechtbank wel een proceskostenvergoeding toegekend. Daarbij heeft de Rechtbank bijzondere omstandigheden aanwezig geacht en de volgens het Besluit proceskostenbestuursrecht (Bpb) berekende vergoeding op grond van artikel 2, lid 3, Bpb verlaagd tot € 50 per zaak en aldus een totale proceskostenvergoeding van € 1.900 toegekend. Redengevend daarvoor is dat strikte toepassing van de forfaitaire regeling zou leiden tot een proceskostenvergoeding die de werkelijk gemaakte kosten ver zou overtreffen. In dat verband heeft de Rechtbank van belang geacht dat de onderhavige zaken onderdeel zijn van een groot cluster aan zaken dat een sterke inhoudelijke samenhang vertoont waardoor de proceshandelingen een uniform karakter hebben en die bovendien van (zeer) eenvoudige aard zijn. Daarbij moet volgens de Rechtbank de vergoeding in deze zaak gezien worden in samenhang met de vergoedingen die in de zaken van andere belanghebbenden van het gehele cluster zijn toegekend. De Rechtbank heeft daarbij geen relatie aangenomen met de concrete zaken waarop de uitspraak waarvan hoger beroep ziet. Het Hof acht dit oordeel van de Rechtbank juist. Het Hof ziet in de omstandigheid dat in hoger beroep geoordeeld wordt dat een deel van de beroepen van belanghebbende gegrond is, geen aanleiding voor het toekennen van een hogere proceskostenvergoeding voor de procedure in eerste aanleg dan de vergoeding van € 1.900 die door de Rechtbank reeds ten laste van de Inspecteur is toegekend. Het Hof acht ondanks die omstandigheid toepassing van artikel 2, lid 3, Bpb in dit geval nog steeds gerechtvaardigd en de vergoeding van € 1.900 niet te laag. Het feit dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven, brengt niet mee dat geen plaats is voor een lagere proceskostenvergoeding dan volgens het forfait.




Ad o. Rentevergoeding griffierecht




4.40.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat aan belanghebbende het griffierecht moet worden vergoed vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dagtekening van de uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.



4.41.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat dit oordeel onjuist is en dat op grond van het Unierecht rente moet worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop dat griffierecht wordt vergoed. Bovendien moet volgens belanghebbende een rentevoet worden toegepast die geldt voor handelstransacties. Het betoog van belanghebbende faalt. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Griffierecht is niet een aan de Staat betaald bedrag als bedoeld in punt 21 van het arrest Irimie (HvJ 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250) dat rechtstreeks verband houdt met door de Staat geheven belasting. De verplichting tot het betalen van griffierecht ontstaat immers pas door het instellen van beroep. Evenmin kan worden gezegd dat het achterwege laten van een rentevergoeding als hiervoor bedoeld de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.



4.42.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep voor het overige gegrond te achten.



Ad p. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep




4.43.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Belanghebbende heeft op 4 maart 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Dit betekent dat belanghebbende, met toepassing van artikel 19a, lid 3, Wet BPM, recht heeft op een vergoeding van € 50, te vergoeden door de Staat. Vanwege samenhang tussen de onderhavige zaken, wordt slechts eenmaal € 50 per half jaar als vergoeding van immateriële schade toegekend. Anders dan belanghebbende betoogt, is artikel 19a, lid 3, Wet BPM niet in strijd met het Unierecht.







Slotsom

Op grond van hetgeen het Hof hiervoor onder ad j. heeft overwogen over de extra leeftijdskorting, is het hoger beroep van belanghebbende gegrond. Ook heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.







5Griffierecht en proceskosten


5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor het hoger beroep te vergoeden.



5.2.
Het Hof ziet verder aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof ziet geen aanleiding om een vergoeding voor de kosten voor de behandeling van de bezwaren toe te kennen. Het Hof verwijst hiervoor naar hetgeen het hiervoor in 4.33. tot en met 4.37. heeft geoordeeld.



5.3.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Bpb vast op € 467 ((2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934) x 0,25 wegens toepassing van artikel 19a, lid 2, Wet BPM). Opmerking verdient in dit verband dat belanghebbende niet heeft gesteld dat zij een bijzonder geval is in de zin van artikel van de tweede volzin van artikel 19a, lid 2, Wet BPM. Anders dan belanghebbende betoogt, is artikel 19a, lid 2, Wet BPM niet in strijd met het Unierecht.



5.4.
Het bedrag aan proceskosten en het bedrag van de immateriële schadevergoeding moeten op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a, lid 4, Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening worden uitbetaald. Het Hof als belastingrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of deze bedragen moeten worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.








6Beslissing


Het Hof:



vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de immateriële schadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht,


verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen tegen de uitspraak op bezwaar van 31 augustus 2021 inzake de maandaangifte voor de maanden augustus 2019 en oktober 2019, tegen de uitspraak op bezwaar van 31 augustus 2021 inzake de maandaangifte voor de maand januari 2020, alsmede het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 22 juli 2021 inzake de voldoening op aangifte voor de Mini Countryman Cooper kenteken [kenteken14] gegrond,


bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,


vernietigt de uitspraak van de Inspecteur van 31 augustus 2021 inzake de maandaangifte voor de maanden augustus 2019 en oktober 2019 en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van BPM van € 842 (€ 95 + 747) voor de maand augustus 2019 en € 251 voor de maand oktober 2019,


vernietigt de uitspraak van de Inspecteur van 31 augustus 2021 inzake de maandaangifte januari 2020, behoudens de beslissing omtrent de bezwaarkosten, en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van BPM van € 446,


vernietigt de uitspraak van de Inspecteur van 22 juli 2021 inzake de voldoening op aangifte voor de Mini Countryman Cooper kenteken [kenteken14] en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van BPM van € 92,


veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 50,


veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467,


gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt van € 559 in verband met het hoger beroep bij het Hof, en


bepaalt dat voornoemde vergoedingen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.





Deze uitspraak is gedaan door, mr. R.R. van der Heide voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.



De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.




De griffier, De voorzitter,







(E.D. Postema) (R.R. van der Heide)







Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.



Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687.


Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.


Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.


Hoge Raad 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.


Hoge Raad 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1739, r.o. 4.1.2.


Vgl. Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1728, r.o. 2.3.2.


Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2.


Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.6;


Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.5.


Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, r.o. 3.3. tot en met 3.4.6.


Hoge Raad 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1087, r.o. 3.1.4.


=(herrekende bruto BPM € 11.457 (= € 5.117 / ( 1 – 0,5532)) x extra tabelafschrijving van 0,833%).


=(herrekende bruto BPM € 24.889 (= € 22.151 / (1 – 0,11)) x extra tabelafschrijving van 3,0%).


=(herrekende bruto BPM € 27.370 (= € 15.897 / (1 – 0,41917)) x extra tabelafschrijving van 0,917%).


=(herrekende bruto BPM € 11.888 (= € 4.428 / (1 – 0,6275)) x extra tabelafschrijving van 3,75%).


=(herrekende bruto BPM € 9.991 (= € 5.070 / (1 – 0,5426)) x extra tabelafschrijving van 0,917%).


Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, r.o. 3.6.1. tot en met 3.6.7.


Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700, r.o. 2.2.2.


Vgl. Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.


Vgl. Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3.


De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.


Artikel 19a, lid 3, Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze bepaling vindt toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan sprake, nu het hogerberoepschrift na 1 januari 2024 is ingediend.


Artikel 19a, lid 2, Wet BPM is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op een proceskostenvergoeding in een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank die is bekendgemaakt na 1 januari 2024 (artikel IV, aanhef en letter a Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan sprake, nu de rechtbankuitspraak na 1 januari 2024 is bekendgemaakt. Verder worden in het onderhavige geval bestreden besluiten vernietigd, zodat de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 van toepassing is.


Zie Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.1. en 3.5.2.


Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.