Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:700
2020-04-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/04604
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2020:700 → ECLI:NL:GHSHE:2018:4117
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding; art. 8:73 Awb; vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn; bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures die zien op voor meerdere personenauto’s voldane bedragen aan bpm.
Citeert (7)
- ECLI:NL:HR:2014:540 Hoge Raad 21-03-2014
- ECLI:NL:HR:2018:2358 Hoge Raad 21-12-2018
- ECLI:NL:HR:2003:AF7103 Hoge Raad 11-04-2003
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2020:154 Hoge Raad 31-01-2020
- ECLI:NL:HR:2019:623 Hoge Raad 19-04-2019
- ECLI:NL:HR:2020:334 Hoge Raad 28-02-2020
Geciteerd door (49)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4476 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4478 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4494 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2289 Gerechtshof Den Haag 30-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21667 Rechtbank Den Haag 16-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1444 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9538 Rechtbank Den Haag 09-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1607 Gerechtshof Den Haag 01-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3861 Rechtbank Den Haag 25-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:58 Gerechtshof Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23380 Rechtbank Den Haag 11-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23381 Rechtbank Den Haag 11-11-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4799 Rechtbank Noord-Nederland 21-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2150 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15857 Rechtbank Den Haag 18-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11424 Rechtbank Den Haag 30-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2142 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1152 Gerechtshof Den Haag 08-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1153 Gerechtshof Den Haag 08-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22379 Rechtbank Den Haag 23-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22380 Rechtbank Den Haag 23-12-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:7109 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3781 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1642 Gerechtshof Den Haag 05-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1641 Gerechtshof Den Haag 05-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2691 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2610 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2696 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3032 Rechtbank Den Haag 13-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4147 Rechtbank Den Haag 12-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4145 Rechtbank Den Haag 12-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4148 Rechtbank Den Haag 12-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1286 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-02-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:237 Gerechtshof Den Haag 08-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:433 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:410 Gerechtshof Den Haag 10-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:233 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:250 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4251 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-12-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:10167 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3594 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-11-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:6391 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-07-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1592 Gerechtshof Den Haag 20-07-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1086 Gerechtshof Den Haag 10-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2597 Rechtbank Den Haag 01-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2599 Rechtbank Den Haag 01-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13245 Rechtbank Den Haag 29-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11783 Rechtbank Den Haag 09-08-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:8827 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-09-2021
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.072 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/04604
Datum 17 april 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 oktober 2018, nrs. 18/00073 tot en met 18/00076, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 16/2131 tot en met BRE 16/2134) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Dit stuk bevat een stelling die niet anders kan worden begrepen dan als een nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde, grond van het beroep in cassatie. De Hoge Raad gaat aan die stelling voorbij.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op verschillende data in 2015 voor vier gebruikte, uit het buitenland afkomstige personenauto’s op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan met het oog op registratie in het Nederlandse kentekenregister. Belanghebbende heeft vervolgens tegen elk op aangifte voldaan bedrag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft die bezwaren op 29 februari 2016 bij in één geschrift vervatte uitspraken ongegrond verklaard.
2.1.2
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor in 2.1.1 bedoelde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk behandeld en bij één uitspraak geoordeeld dat deze beroepen gegrond zijn. Zij heeft de uitspraken op bezwaar vernietigd en heeft gedeeltelijk teruggaaf verleend van elk op aangifte voldaan bedrag aan bpm.
2.1.3
De Rechtbank heeft verder in haar uitspraak de Minister voor Rechtsbescherming veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van € 500 voor immateriële schade wegens het met vier maanden overschrijden van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in de fase van bezwaar en beroep. De Rechtbank heeft die overschrijding van de redelijke termijn geheel aan haarzelf toegerekend. In dit kader overwoog de Rechtbank dat de hiervoor bedoelde bezwaarschriften en de hiervoor bedoelde beroepen gezamenlijk zijn behandeld, en dat deze bezwaar- en beroepsprocedures in hoofdzaak betrekking hebben op dezelfde onderwerpen. Dat was in de eerste plaats de kwestie of bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de personenauto’s de omzetbelasting die geacht wordt te zijn begrepen in de aankoopprijs van een soortgelijke, in het binnenland aangekochte gebruikte personenauto in aanmerking moet worden genomen. In beroep was daarnaast (met uitzondering van één zaak) onderwerp van de procedure het wel of niet in aanmerking nemen van een extra waardevermindering die zich voordoet bij personenauto’s met de zogenoemde status ‘ex-rental’. Vanwege deze samenhang heeft de Rechtbank geoordeeld dat voor de zaken gezamenlijk eenmaal een vergoeding van € 500 per halfjaar volstaat.
2.2
Het Hof heeft onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, de grief van belanghebbende tegen de hiervoor in 2.1.3, tweede alinea, weergegeven oordelen van de Rechtbank verworpen.
2.2.1
Middel III is gericht tegen het hiervoor in 2.1.3 weergegeven oordeel dat vanwege samenhang van de zaken een vergoeding van € 500 per halfjaar volstaat. Het middel betoogt dat in deze gedingen (de fiscale last voor) elke personenauto afzonderlijk het onderwerp van de bezwaar- en de beroepsprocedure heeft gevormd en dat het daarom geen zaken kunnen zijn die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Daarom had volgens het middel voor de lange duur van behandeling van elke zaak afzonderlijk een vergoeding van € 500 voor immateriële schade moeten worden toegekend.
2.2.2
Indien zaken vanwege hun samenhang gezamenlijk worden behandeld en beslist, moet bij overschrijding van de redelijke termijn per fase van de procedure eenmaal € 500 per half jaar als vergoeding van immateriële schade worden toegekend. In dit verband dient te worden beoordeeld of die gezamenlijk behandelde zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp dan wel op voorwerpen van geschil die met elkaar samenhangen. Daarvan uitgaande geeft het door het middel bestreden oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Middel III faalt.
2.3
Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om vergoeding van rente die zij heeft misgelopen als gevolg van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van de zaken in eerste aanleg en in hoger beroep. Het Hof heeft geoordeeld dat in dit verband geen rente is verschuldigd die de Inspecteur moet vergoeden.
2.3.1
Middel V is gericht tegen het hiervoor in 2.3 weergeven oordeel van het Hof.
2.3.2
In het door het Hof verworpen betoog van belanghebbende ligt besloten de klacht dat de Rechtbank niet een beslissing heeft gegeven op het verzoek om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW wegens vertraging in de vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht. Belanghebbende heeft in haar aan de Rechtbank overgelegde pleitnota verzocht om vergoeding van - onder meer - die rente. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, had het Hof daarom de uitspraak van de Rechtbank in zoverre moeten vernietigen, en - doende wat de Rechtbank had moeten doen - in zijn uitspraak de beslissing moeten opnemen dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die rente vanaf vier weken na de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan.Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt tevens mee dat het Hof het hoger beroep gegrond had moeten verklaren en de Inspecteur had moeten gelasten het door belanghebbende bij het Hof betaalde griffierecht te vergoeden. Dit laatste betekent dat het Hof ook een beslissing had moeten geven op het door belanghebbende in het hogerberoepschrift gedane verzoek om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW bij vertraging in de vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht. Middel V slaagt in zoverre.
2.4
De overige klachten van middel V en de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten en middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarin ontbreekt een beslissing omtrent de wettelijke rente over de vergoeding door de Inspecteur van de door belanghebbende voor de behandeling van het beroep en van het hoger beroep betaalde griffierechten,
- beslist dat, indien het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de Rechtbank haar uitspraak heeft gedaan,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 519, dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 508,
- beslist dat, indien het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop het Hof zijn uitspraak heeft gedaan,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2020.
Vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7103, rechtsoverweging 3.1.
Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.10.2, en HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, rechtsoverweging 2.4.3.
Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, rechtsoverweging 2.4.2.
Vgl. HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:334.
BELASTINGKAMER
Nummer 18/04604
Datum 17 april 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 oktober 2018, nrs. 18/00073 tot en met 18/00076, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 16/2131 tot en met BRE 16/2134) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Dit stuk bevat een stelling die niet anders kan worden begrepen dan als een nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde, grond van het beroep in cassatie. De Hoge Raad gaat aan die stelling voorbij.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op verschillende data in 2015 voor vier gebruikte, uit het buitenland afkomstige personenauto’s op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan met het oog op registratie in het Nederlandse kentekenregister. Belanghebbende heeft vervolgens tegen elk op aangifte voldaan bedrag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft die bezwaren op 29 februari 2016 bij in één geschrift vervatte uitspraken ongegrond verklaard.
2.1.2
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor in 2.1.1 bedoelde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk behandeld en bij één uitspraak geoordeeld dat deze beroepen gegrond zijn. Zij heeft de uitspraken op bezwaar vernietigd en heeft gedeeltelijk teruggaaf verleend van elk op aangifte voldaan bedrag aan bpm.
2.1.3
De Rechtbank heeft verder in haar uitspraak de Minister voor Rechtsbescherming veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van € 500 voor immateriële schade wegens het met vier maanden overschrijden van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in de fase van bezwaar en beroep. De Rechtbank heeft die overschrijding van de redelijke termijn geheel aan haarzelf toegerekend. In dit kader overwoog de Rechtbank dat de hiervoor bedoelde bezwaarschriften en de hiervoor bedoelde beroepen gezamenlijk zijn behandeld, en dat deze bezwaar- en beroepsprocedures in hoofdzaak betrekking hebben op dezelfde onderwerpen. Dat was in de eerste plaats de kwestie of bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de personenauto’s de omzetbelasting die geacht wordt te zijn begrepen in de aankoopprijs van een soortgelijke, in het binnenland aangekochte gebruikte personenauto in aanmerking moet worden genomen. In beroep was daarnaast (met uitzondering van één zaak) onderwerp van de procedure het wel of niet in aanmerking nemen van een extra waardevermindering die zich voordoet bij personenauto’s met de zogenoemde status ‘ex-rental’. Vanwege deze samenhang heeft de Rechtbank geoordeeld dat voor de zaken gezamenlijk eenmaal een vergoeding van € 500 per halfjaar volstaat.
2.2
Het Hof heeft onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, de grief van belanghebbende tegen de hiervoor in 2.1.3, tweede alinea, weergegeven oordelen van de Rechtbank verworpen.
2.2.1
Middel III is gericht tegen het hiervoor in 2.1.3 weergegeven oordeel dat vanwege samenhang van de zaken een vergoeding van € 500 per halfjaar volstaat. Het middel betoogt dat in deze gedingen (de fiscale last voor) elke personenauto afzonderlijk het onderwerp van de bezwaar- en de beroepsprocedure heeft gevormd en dat het daarom geen zaken kunnen zijn die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Daarom had volgens het middel voor de lange duur van behandeling van elke zaak afzonderlijk een vergoeding van € 500 voor immateriële schade moeten worden toegekend.
2.2.2
Indien zaken vanwege hun samenhang gezamenlijk worden behandeld en beslist, moet bij overschrijding van de redelijke termijn per fase van de procedure eenmaal € 500 per half jaar als vergoeding van immateriële schade worden toegekend. In dit verband dient te worden beoordeeld of die gezamenlijk behandelde zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp dan wel op voorwerpen van geschil die met elkaar samenhangen. Daarvan uitgaande geeft het door het middel bestreden oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Middel III faalt.
2.3
Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om vergoeding van rente die zij heeft misgelopen als gevolg van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van de zaken in eerste aanleg en in hoger beroep. Het Hof heeft geoordeeld dat in dit verband geen rente is verschuldigd die de Inspecteur moet vergoeden.
2.3.1
Middel V is gericht tegen het hiervoor in 2.3 weergeven oordeel van het Hof.
2.3.2
In het door het Hof verworpen betoog van belanghebbende ligt besloten de klacht dat de Rechtbank niet een beslissing heeft gegeven op het verzoek om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW wegens vertraging in de vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht. Belanghebbende heeft in haar aan de Rechtbank overgelegde pleitnota verzocht om vergoeding van - onder meer - die rente. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, had het Hof daarom de uitspraak van de Rechtbank in zoverre moeten vernietigen, en - doende wat de Rechtbank had moeten doen - in zijn uitspraak de beslissing moeten opnemen dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die rente vanaf vier weken na de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan.Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt tevens mee dat het Hof het hoger beroep gegrond had moeten verklaren en de Inspecteur had moeten gelasten het door belanghebbende bij het Hof betaalde griffierecht te vergoeden. Dit laatste betekent dat het Hof ook een beslissing had moeten geven op het door belanghebbende in het hogerberoepschrift gedane verzoek om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW bij vertraging in de vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht. Middel V slaagt in zoverre.
2.4
De overige klachten van middel V en de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten en middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarin ontbreekt een beslissing omtrent de wettelijke rente over de vergoeding door de Inspecteur van de door belanghebbende voor de behandeling van het beroep en van het hoger beroep betaalde griffierechten,
- beslist dat, indien het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de Rechtbank haar uitspraak heeft gedaan,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 519, dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 508,
- beslist dat, indien het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop het Hof zijn uitspraak heeft gedaan,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2020.
Vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7103, rechtsoverweging 3.1.
Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.10.2, en HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, rechtsoverweging 2.4.3.
Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, rechtsoverweging 2.4.2.
Vgl. HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:334.