Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:2358
2018-12-21
Bestuursrecht; Belastingrecht
17/04504
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2018:2358 → ECLI:NL:GHSHE:2017:3760 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding; art. 8:73 Awb; art. 6:119 BW. Wettelijke rente over door de rechter toegekende vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn. Rechter hoeft niet over die rente te beslissen als niet is verzocht om vergoeding daarvan.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:315 Hoge Raad 26-02-2016
Geciteerd door (518)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8534 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-09-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6551 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4484 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4483 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4478 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4494 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4476 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4487 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4479 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5129 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-06-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2989 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2990 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-05-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:2719 Rechtbank Oost-Brabant 30-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2711 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2716 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2712 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1852 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1853 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1851 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1855 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1651 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1652 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-03-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:535 Rechtbank Oost-Brabant 30-01-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3468 Gerechtshof Amsterdam 18-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8767 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1303 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:10081 Rechtbank Gelderland 26-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8151 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1215 Parket bij de Hoge Raad 14-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6988 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6988 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6424 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6424 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5580 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-09-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5619 Rechtbank Oost-Brabant 09-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5580 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-09-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5617 Rechtbank Oost-Brabant 09-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5581 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5581 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-09-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5618 Rechtbank Oost-Brabant 09-09-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9548 Rechtbank Rotterdam 07-08-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9670 Rechtbank Rotterdam 05-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4609 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-07-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:3904 Rechtbank Oost-Brabant 01-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3971 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3972 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-06-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:1644 Rechtbank Noord-Nederland 01-05-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1244 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-04-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1158 Gerechtshof Amsterdam 22-04-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:2506 Rechtbank Gelderland 01-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:656 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-03-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1270 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-03-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:2491 Rechtbank Rotterdam 20-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:340 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:80 Gerechtshof Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:163 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-01-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3699 Gerechtshof Amsterdam 17-12-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3701 Gerechtshof Amsterdam 17-12-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3698 Gerechtshof Amsterdam 17-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8446 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-12-2024
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.706 tekens)
21 december 2018
Nr. 17/04504
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 augustus 2017, nr. 16/03495, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/2659) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 26 mei 2016 de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van uitspraak. De Rechtbank heeft deze vergoeding vastgesteld op € 1000. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn met een jaar en negen maanden is overschreden, en dat die overschrijding geheel is toe te rekenen aan de duur van de bezwaarfase.
2.1.2.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Inspecteur wettelijke rente is verschuldigd over de hiervoor in 2.1.1 bedoelde vergoeding.
2.1.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die wettelijke rente en dat zijn klacht daarom slaagt. Het Hof heeft al hetgeen belanghebbende voor het overige in hoger beroep had aangevoerd tegen de uitspraak van de Rechtbank verworpen.
Het Hof heeft vervolgens het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade ter hoogte van € 1000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 26 mei 2016, tot aan de dag van algehele voldoening.
2.1.4.
Het Hof heeft de Inspecteur niet veroordeeld in de proceskosten die belanghebbende voor het hoger beroep heeft gemaakt. Ook heeft het Hof de Inspecteur niet veroordeeld tot vergoeding van het door belanghebbende voor het hoger beroep betaalde griffierecht. Het Hof heeft geoordeeld dat het enkele feit dat het Hof vaststelt dat de Inspecteur wettelijke rente dient te vergoeden over de vergoeding van immateriële schade, vergoeding van proceskosten en griffierecht niet rechtvaardigt.
2.2.1.
Middel I is gericht tegen de hiervoor in 2.1.4 weergegeven oordelen van het Hof.
2.2.2.
Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 6:119 BW wettelijke rente is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Deze rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest met de voldoening van die geldsom.
Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet als uitgangspunt worden gehanteerd dat de uiterste datum waarop de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden betaald, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling tot vergoeding van deze schade is opgenomen, is gedaan. Pas als de vergoeding op die uiterste datum niet is betaald, raakt de schuldenaar in verzuim en gaat de wettelijke rente lopen vanaf de dag na die uiterste datum. Dit uitgangspunt geldt ook indien de veroordeling tot schadevergoeding is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend en evenzeer wanneer de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel is verstreken of, indien dat rechtsmiddel is ingesteld, daarop is beslist. Zie voor dit een en ander het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, nr. 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315.
Opmerking verdient dat dit uitgangspunt evenzeer geldt indien de rechter vaststelt dat in een vorige fase van het geding ten onrechte niet een schadevergoeding als hiervoor bedoeld, is vastgesteld, en die rechter deze vergoeding alsnog toekent. Dan gaat de wettelijke rente dus niet eerder lopen dan vier weken nadat die rechter alsnog een veroordeling in zijn uitspraak heeft opgenomen.
2.2.3.
Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, behoefde de Rechtbank in haar uitspraak niet een beslissing over de wettelijke rente op te nemen. Belanghebbende had immers voor de Rechtbank geen aanspraak gemaakt op vergoeding van wettelijke rente. Slechts indien de belanghebbende daarop wel aanspraak maakt, dient de rechter die de verplichting tot vergoeding van immateriële schade vaststelt, te beslissen dat, indien die vergoeding niet tijdig wordt voldaan, de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum waarop zijn uitspraak is gedaan. Indien de rechter in een zodanig geval nalaat op die aanspraak te beslissen, staat zijn uitspraak op die grond bloot aan vernietiging.
Het voorgaande neemt niet weg dat de verschuldigdheid van wettelijke rente en de verplichting om die rente te vergoeden - ongeacht of de betaling van die rente bij de rechter is gevorderd - rechtstreeks voortvloeien uit a) de wet (artikel 6:119 BW), b) de vaststelling door de rechter van de verplichting tot vergoeding van immateriële schade in verband met het tijdsverloop, en c) het niet tijdig betalen. Het Hof is daarom terecht ervan uitgegaan dat de wettelijke rente over die schadevergoeding is gaan lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak van de Rechtbank is gedaan.
2.2.4.
Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet ook voor wettelijke rente over een door de rechter uitgesproken veroordeling tot vergoeding van griffierecht (artikel 8:74 Awb) of (proces)kosten (artikel 8:75 Awb) het uitgangspunt gelden dat de uiterste datum waarop aan deze veroordelingen moet zijn voldaan, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, is gedaan. Hetgeen hiervoor in 2.2.3 is geoordeeld, geldt dus ook voor wettelijke rente over veroordelingen tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
2.2.5.
Omdat belanghebbende voor de Rechtbank geen aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van wettelijke rente en belanghebbende dat voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan, kon de uitspraak van het Hof over die aanspraak niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Voor zover belanghebbende in hoger beroep erover heeft geklaagd dat de Rechtbank geen beslissing heeft genomen inzake de wettelijke rente over de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, was die klacht daarom ongegrond. De overweging van het Hof dat die klacht slaagt, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
2.2.6.
Het middel betoogt, kort gezegd, dat het Hof aan de constatering dat de klacht slaagt, de gevolgtrekking had moeten verbinden dat het hoger beroep gegrond is en dat belanghebbende daarom recht heeft op vergoeding van proceskosten en griffierecht. Dit betoog faalt omdat het Hof, zoals hiervoor in 2.2.5 is overwogen, had moeten oordelen dat die klacht faalt. Terecht, zij het in zoverre op verkeerde gronden, is het Hof tot de slotsom gekomen dat deze klacht niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep kan leiden.
2.3.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.
Nr. 17/04504
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 augustus 2017, nr. 16/03495, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/2659) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 26 mei 2016 de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van uitspraak. De Rechtbank heeft deze vergoeding vastgesteld op € 1000. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn met een jaar en negen maanden is overschreden, en dat die overschrijding geheel is toe te rekenen aan de duur van de bezwaarfase.
2.1.2.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Inspecteur wettelijke rente is verschuldigd over de hiervoor in 2.1.1 bedoelde vergoeding.
2.1.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die wettelijke rente en dat zijn klacht daarom slaagt. Het Hof heeft al hetgeen belanghebbende voor het overige in hoger beroep had aangevoerd tegen de uitspraak van de Rechtbank verworpen.
Het Hof heeft vervolgens het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade ter hoogte van € 1000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 26 mei 2016, tot aan de dag van algehele voldoening.
2.1.4.
Het Hof heeft de Inspecteur niet veroordeeld in de proceskosten die belanghebbende voor het hoger beroep heeft gemaakt. Ook heeft het Hof de Inspecteur niet veroordeeld tot vergoeding van het door belanghebbende voor het hoger beroep betaalde griffierecht. Het Hof heeft geoordeeld dat het enkele feit dat het Hof vaststelt dat de Inspecteur wettelijke rente dient te vergoeden over de vergoeding van immateriële schade, vergoeding van proceskosten en griffierecht niet rechtvaardigt.
2.2.1.
Middel I is gericht tegen de hiervoor in 2.1.4 weergegeven oordelen van het Hof.
2.2.2.
Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 6:119 BW wettelijke rente is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Deze rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest met de voldoening van die geldsom.
Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet als uitgangspunt worden gehanteerd dat de uiterste datum waarop de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden betaald, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling tot vergoeding van deze schade is opgenomen, is gedaan. Pas als de vergoeding op die uiterste datum niet is betaald, raakt de schuldenaar in verzuim en gaat de wettelijke rente lopen vanaf de dag na die uiterste datum. Dit uitgangspunt geldt ook indien de veroordeling tot schadevergoeding is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend en evenzeer wanneer de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel is verstreken of, indien dat rechtsmiddel is ingesteld, daarop is beslist. Zie voor dit een en ander het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, nr. 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315.
Opmerking verdient dat dit uitgangspunt evenzeer geldt indien de rechter vaststelt dat in een vorige fase van het geding ten onrechte niet een schadevergoeding als hiervoor bedoeld, is vastgesteld, en die rechter deze vergoeding alsnog toekent. Dan gaat de wettelijke rente dus niet eerder lopen dan vier weken nadat die rechter alsnog een veroordeling in zijn uitspraak heeft opgenomen.
2.2.3.
Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, behoefde de Rechtbank in haar uitspraak niet een beslissing over de wettelijke rente op te nemen. Belanghebbende had immers voor de Rechtbank geen aanspraak gemaakt op vergoeding van wettelijke rente. Slechts indien de belanghebbende daarop wel aanspraak maakt, dient de rechter die de verplichting tot vergoeding van immateriële schade vaststelt, te beslissen dat, indien die vergoeding niet tijdig wordt voldaan, de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum waarop zijn uitspraak is gedaan. Indien de rechter in een zodanig geval nalaat op die aanspraak te beslissen, staat zijn uitspraak op die grond bloot aan vernietiging.
Het voorgaande neemt niet weg dat de verschuldigdheid van wettelijke rente en de verplichting om die rente te vergoeden - ongeacht of de betaling van die rente bij de rechter is gevorderd - rechtstreeks voortvloeien uit a) de wet (artikel 6:119 BW), b) de vaststelling door de rechter van de verplichting tot vergoeding van immateriële schade in verband met het tijdsverloop, en c) het niet tijdig betalen. Het Hof is daarom terecht ervan uitgegaan dat de wettelijke rente over die schadevergoeding is gaan lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak van de Rechtbank is gedaan.
2.2.4.
Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet ook voor wettelijke rente over een door de rechter uitgesproken veroordeling tot vergoeding van griffierecht (artikel 8:74 Awb) of (proces)kosten (artikel 8:75 Awb) het uitgangspunt gelden dat de uiterste datum waarop aan deze veroordelingen moet zijn voldaan, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, is gedaan. Hetgeen hiervoor in 2.2.3 is geoordeeld, geldt dus ook voor wettelijke rente over veroordelingen tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
2.2.5.
Omdat belanghebbende voor de Rechtbank geen aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van wettelijke rente en belanghebbende dat voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan, kon de uitspraak van het Hof over die aanspraak niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Voor zover belanghebbende in hoger beroep erover heeft geklaagd dat de Rechtbank geen beslissing heeft genomen inzake de wettelijke rente over de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, was die klacht daarom ongegrond. De overweging van het Hof dat die klacht slaagt, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
2.2.6.
Het middel betoogt, kort gezegd, dat het Hof aan de constatering dat de klacht slaagt, de gevolgtrekking had moeten verbinden dat het hoger beroep gegrond is en dat belanghebbende daarom recht heeft op vergoeding van proceskosten en griffierecht. Dit betoog faalt omdat het Hof, zoals hiervoor in 2.2.5 is overwogen, had moeten oordelen dat die klacht faalt. Terecht, zij het in zoverre op verkeerde gronden, is het Hof tot de slotsom gekomen dat deze klacht niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep kan leiden.
2.3.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.