Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:315
2016-02-26
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/05747
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2016:315 → ECLI:NL:GHDHA:2014:3211 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
KB-Lux. Art. 8:73 Awb. Wettelijke rente bij veroordeling tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CBB:2013:257 College van Beroep voor het bedrijfsleven 29-11-2013
- ECLI:NL:CRVB:2014:296 Centrale Raad van Beroep 30-01-2014
Geciteerd door (76)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:744 Gerechtshof Den Haag 28-03-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1436 Gerechtshof Den Haag 19-07-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1086 Gerechtshof Den Haag 10-05-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12078 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3610 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8436 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-09-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3842 Gerechtshof Amsterdam 17-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3862 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3853 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3857 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3856 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3860 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3855 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3858 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3861 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3854 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3859 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3852 Gerechtshof Amsterdam 27-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:787 Parket bij de Hoge Raad 23-07-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3531 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-04-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:425 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:422 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:192 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:351 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:350 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:185 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:13 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:14 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2019
- ECLI:NL:HR:2018:2358 Hoge Raad 21-12-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3477 Gerechtshof Den Haag 27-11-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3502 Gerechtshof Den Haag 27-11-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2018:6531 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-11-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:9977 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-11-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:9974 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-11-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:10138 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-11-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4758 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-11-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4461 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-10-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4461 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-10-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:8718 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-10-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4027 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-09-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2449 Gerechtshof Den Haag 19-09-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2447 Gerechtshof Den Haag 19-09-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2448 Gerechtshof Den Haag 19-09-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3779 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-09-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:7559 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-08-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:7555 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-08-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:7274 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-08-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:7273 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-08-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3059 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-07-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:4324 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-05-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:3813 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-04-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:3013 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-04-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:3012 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-04-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:2797 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-03-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:2700 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-03-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2018:1770 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-03-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:567 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-02-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5844 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-12-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5846 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-12-2017
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.500 tekens)
26 februari 2016
nr. 14/05747
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 oktober 2014, nrs. BK 12/00606 tot en met BK 12/00625, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. AWB 11/6214 tot en met AWB 11/6217, AWB 11/6219 tot en met AWB 11/6226, AWB 11/6228, AWB 11/6230 tot en met AWB 11/6235 en AWB 11/6237) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1992 tot en met 2002 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1993 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de voor het jaar 2003 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel
3.1.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dat in de fase van bezwaar en beroep de redelijke termijn vanaf 23 juni 2009 is overschreden en dat aan belanghebbende een door de Inspecteur te betalen vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 3000 moet worden toegekend. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat in hoger beroep de redelijke termijn vanaf 8 augustus 2014 is verstreken en dat aan belanghebbende een door de Staat te betalen vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 moet worden toegekend.
3.2.
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de vergoedingen van immateriële schade. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende op grond van artikel 8:73 Awb in verbinding met artikel 6:119 BW rente kan vorderen vanaf het moment dat de redelijke termijn is overschreden.
3.3.
Het tegen dit oordeel gerichte middel slaagt. De verplichting tot betaling van een vergoeding ter zake van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld bij uitspraak, waarbij tevens de omvang van de vergoeding wordt vastgesteld. Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet ervan worden uitgegaan dat de uiterste datum waarop deze betaling moet plaatsvinden is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen in het openbaar is gedaan, en dat de wettelijke rente eerst gaat lopen de dag na die uiterste datum (vgl. CBb 29 november 2013, nr. 10/1301, ECLI:NL:CBB:2013:257, en CRvB 30 januari 2014, nr. 13/2399, ECLI:NL:CRVB:2014:296). Dit uitgangspunt geldt ook indien deze verplichting is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend en evenzeer wanneer de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel is verstreken of, indien dat rechtsmiddel is ingesteld, daarop is beslist.
3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het betreft de vermeerdering van de vergoeding van immateriële schade met de wettelijke rente vanaf het moment dat de redelijke termijn is overschreden,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 3000 vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 27 juni 2012 tot aan de dag van algehele voldoening, en
veroordeelt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 vanaf vier weken na de openbaarmaking van ’s Hofs uitspraak op 8 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.
nr. 14/05747
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 oktober 2014, nrs. BK 12/00606 tot en met BK 12/00625, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. AWB 11/6214 tot en met AWB 11/6217, AWB 11/6219 tot en met AWB 11/6226, AWB 11/6228, AWB 11/6230 tot en met AWB 11/6235 en AWB 11/6237) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1992 tot en met 2002 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1993 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de voor het jaar 2003 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel
3.1.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dat in de fase van bezwaar en beroep de redelijke termijn vanaf 23 juni 2009 is overschreden en dat aan belanghebbende een door de Inspecteur te betalen vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 3000 moet worden toegekend. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat in hoger beroep de redelijke termijn vanaf 8 augustus 2014 is verstreken en dat aan belanghebbende een door de Staat te betalen vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 moet worden toegekend.
3.2.
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de vergoedingen van immateriële schade. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende op grond van artikel 8:73 Awb in verbinding met artikel 6:119 BW rente kan vorderen vanaf het moment dat de redelijke termijn is overschreden.
3.3.
Het tegen dit oordeel gerichte middel slaagt. De verplichting tot betaling van een vergoeding ter zake van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld bij uitspraak, waarbij tevens de omvang van de vergoeding wordt vastgesteld. Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet ervan worden uitgegaan dat de uiterste datum waarop deze betaling moet plaatsvinden is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen in het openbaar is gedaan, en dat de wettelijke rente eerst gaat lopen de dag na die uiterste datum (vgl. CBb 29 november 2013, nr. 10/1301, ECLI:NL:CBB:2013:257, en CRvB 30 januari 2014, nr. 13/2399, ECLI:NL:CRVB:2014:296). Dit uitgangspunt geldt ook indien deze verplichting is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend en evenzeer wanneer de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel is verstreken of, indien dat rechtsmiddel is ingesteld, daarop is beslist.
3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het betreft de vermeerdering van de vergoeding van immateriële schade met de wettelijke rente vanaf het moment dat de redelijke termijn is overschreden,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 3000 vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 27 juni 2012 tot aan de dag van algehele voldoening, en
veroordeelt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 vanaf vier weken na de openbaarmaking van ’s Hofs uitspraak op 8 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.