Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2014:296
2014-01-30
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
13-2399 BESLU
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vergoeding overschrijding redelijke termijn in rechterlijke fase.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (14)
- ECLI:NL:CRVB:2021:2098 Centrale Raad van Beroep 11-08-2021
- ECLI:NL:CRVB:2020:67 Centrale Raad van Beroep 14-01-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4758 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-11-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4461 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-10-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:567 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-02-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5592 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-12-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3932 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-09-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3760 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-08-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3761 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-08-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3643 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-08-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1071 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-03-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1068 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-03-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1067 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-03-2017
- ECLI:NL:HR:2016:315 Hoge Raad 26-02-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (3.739 tekens)
13/2399 BESLU
Datum uitspraak: 30 januari 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft bij uitspraak van 14 augustus 2013 beslist op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 februari 2010, 09/4137, in het geding tussen verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De Raad heeft daarbij onder meer bepaald dat het onderzoek wordt heropend. Dit ter voorbereiding van een nadere uitspraak op het verzoek van verzoekster om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Raad heeft de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
De Staat heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Verzoekster heeft daarop gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1.
De uitspraak van de Raad van 14 augustus 2013 betrof een procedure tussen verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, die betrekking had op een voorziening in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. De procedure had ten tijde van de uitspraak van de Raad vier jaar en ruim vijf maanden geduurd. In genoemde uitspraak is overwogen dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. Het onderzoek is vervolgens heropend.
2.
De Staat heeft - kort weergegeven - uiteengezet dat wordt onderschreven dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat verzoekster in aanmerking komt voor een vergoeding van schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 500,- redelijk kan worden geacht. De Staat is bereid dit bedrag aan verzoekster te vergoeden.
3.
Verzoekster heeft verzocht om een schadevergoeding van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak in de schadeprocedure tot aan de dag van algehele voldoening. De Raad ziet aanleiding dit toe te wijzen.
4.
Het verzoek van verzoekster om de Staat te veroordelen tot vergoeding van de reis- en verletkosten in hoger beroep komt niet voor inwilliging in aanmerking. Omtrent de proceskosten heeft de Raad reeds beslist bij zijn uitspraak van 14 augustus 2013. Voor het overige is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf vier weken na de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J. Brand en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2014.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) A.C. Oomkens
HD
Datum uitspraak: 30 januari 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft bij uitspraak van 14 augustus 2013 beslist op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 februari 2010, 09/4137, in het geding tussen verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De Raad heeft daarbij onder meer bepaald dat het onderzoek wordt heropend. Dit ter voorbereiding van een nadere uitspraak op het verzoek van verzoekster om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Raad heeft de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
De Staat heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Verzoekster heeft daarop gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1.
De uitspraak van de Raad van 14 augustus 2013 betrof een procedure tussen verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, die betrekking had op een voorziening in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. De procedure had ten tijde van de uitspraak van de Raad vier jaar en ruim vijf maanden geduurd. In genoemde uitspraak is overwogen dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. Het onderzoek is vervolgens heropend.
2.
De Staat heeft - kort weergegeven - uiteengezet dat wordt onderschreven dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat verzoekster in aanmerking komt voor een vergoeding van schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 500,- redelijk kan worden geacht. De Staat is bereid dit bedrag aan verzoekster te vergoeden.
3.
Verzoekster heeft verzocht om een schadevergoeding van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak in de schadeprocedure tot aan de dag van algehele voldoening. De Raad ziet aanleiding dit toe te wijzen.
4.
Het verzoek van verzoekster om de Staat te veroordelen tot vergoeding van de reis- en verletkosten in hoger beroep komt niet voor inwilliging in aanmerking. Omtrent de proceskosten heeft de Raad reeds beslist bij zijn uitspraak van 14 augustus 2013. Voor het overige is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf vier weken na de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J. Brand en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2014.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) A.C. Oomkens
HD