Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6551
2026-07-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 24/4831
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
8:55 Verzet gegrond voor zover het de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding en wettelijke rente betreft en ongegrond voor het overige.
Citeert (10)
- ECLI:NL:HR:2021:117 Hoge Raad 29-01-2021
- ECLI:NL:HR:2014:2698 Hoge Raad 19-09-2014
- ECLI:NL:GHAMS:2023:416 Gerechtshof Amsterdam 07-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2018:2409 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-03-2018
- ECLI:NL:HR:2019:37 Hoge Raad 11-01-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:307 Centrale Raad van Beroep 22-01-2019
- ECLI:NL:CRVB:2017:1815 Centrale Raad van Beroep 04-05-2017
- ECLI:NL:RVS:2014:1290 Raad van State 16-04-2014
- ECLI:NL:HR:2026:733 Hoge Raad 01-05-2026
- ECLI:NL:HR:2018:2358 Hoge Raad 21-12-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.508 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4831
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 op het verzet van
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond heeft verklaard, omdat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase onjuist is berekend. Het beroep is ongegrond verklaard voor zover gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom vanwege het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom.
1.1.
Belanghebbende heeft aangegeven dat een zitting achterwege mag blijven.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is omdat de kostenvergoeding onjuist is berekend en ongegrond is voor zover gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Belanghebbende voert in verzet het volgende aan:
a) Er is geen sprake van kennelijkheid, omdat in de motivering van de uitspraak wordt verwezen naar jurisprudentie en dit dus een beoordeling van de beroepsgronden vergde.
b) Bij de vaststelling van de kostenvergoeding heeft de rechtbank de waarde per punt per 1 januari 2024 gehanteerd, terwijl uitspraak is gedaan in 2025. Dit is onjuist.
c) In de uitspraak wordt slechts verwezen naar de lijn in de jurisprudentie die door belanghebbende juist wordt bestreden. De uitspraak is om die reden onvoldoende gemotiveerd.
d) In het beroepschrift is verzocht om vergoeding van wettelijke rente. De rechtbank heeft hier niet op beslist.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is ten aanzien van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase en de wettelijke rente. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
a. a) Kennelijkheid
4. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechter de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, indien hij na onderzoek van de gegevens van het dossier tot oordeel komt dat over de uitkomst van het geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Een zitting hoeft in elk geval niet te worden gehouden wanneer de zaak geen feitelijke of juridische vraagstukken oproept die niet naar behoren kunnen worden opgelost op basis van het dossier en de schriftelijke opmerkingen van de partijen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een behandeling ter zitting achterwege kon blijven, nu de beroepsgronden in het licht van de aangehaalde jurisprudentie konden worden beoordeeld zonder dat daarvoor een nadere toelichting van partijen was vereist.
b) Kostenvergoeding bezwaar
5. De rechtbank heeft op 1 december 2025 uitspraak gedaan. De waarde punt voor bezwaar op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht was op dat moment € 647,-. In de uitspraak is ten onrechte uitgegaan van een bedrag van € 624,-. Het verzet is op dit punt gegrond.
5.1.
De rechtbank zal de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen. De vergoeding per punt moet worden berekend naar het tarief zoals dat geldt ten tijde van deze uitspraak. De kostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase komt te bedragen € 333,-. Voor zover de inspecteur al een deel heeft betaald, komt dat in mindering op het te betalen bedrag.
c) Motivering
6. Belanghebbende is het niet eens met de door de rechtbank aangehaalde jurisprudentie van het gerechtshof Amsterdam, waaruit volgt dat het niet mogelijk is om binnen een lopende dwangsomprocedure een nieuwe dwangsomprocedure te starten en aldus dwangsommen te ‘stapelen’. Volgens belanghebbende is die uitspraak terug te voeren op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, die daaraan geen motivering ten grondslag legt anders dan ‘in lijn met’ het niet kunnen verbeuren van een dwangsom wegens niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking. Dit wordt door belanghebbende, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, bestreden.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat belanghebbende zich niet kan verenigen met de door de rechtbank gevolgde jurisprudentie, niet met zich meebrengt dat de uitspraak ontoereikend is gemotiveerd. Nu de uitspraak aansluit bij vaste jurisprudentie die recent is bevestigd door de Hoge Raaden belanghebbende geen omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot afwijking daarvan, kon de rechtbank met een verwijzing naar die jurisprudentie volstaan. Het beroep gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom is terecht ongegrond verklaard.
6.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.
d) Wettelijke rente
7. Belanghebbende heeft in het beroepschrift verzocht om wettelijke rente. De rechtbank heeft hierover in de uitspraak van 1 december 2025 onterecht niets opgenomen. Het verzet is op dit punt gegrond. De rechtbank beslist dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht en/of de proceskostenvergoeding niet wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.
Conclusie en gevolgen
8. Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 1 december 2025 terecht heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, gegrond was omdat de heffingsambtenaar een te laag bedrag aan kostenvergoeding heeft toegekend en ongegrond was voor zover gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom. Bij de vaststelling van de juiste kostenvergoeding is de rechtbank in de uitspraak uitgegaan van de verkeerde waarde per punt. Ook heeft de rechtbank in de uitspraak geen wettelijke rente toegekend. Het verzet is op die punten gegrond.
8.1.
Nu het verzet (deels) gegrond is ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 116,75. De rechtbank heeft een wegingsfactor 0,25 gehanteerd, omdat het verzet alleen slaagt omdat een onjuiste waarde per punt is gehanteerd en belanghebbende recht heeft op vergoeding van wettelijke rente over de door de rechtbank toegekende proceskosten en griffierecht.
Beslissing
De rechtbank
verklaart het verzet gegrond, voor zover het de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding betreft;
vernietigt de uitspraak uitsluitend voor zover het de beslissing omtrent de kostenvergoeding in bezwaar betreft;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van de bezwaarfase tot een bedrag van € 333,-;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in verzet tot een bedrag van € 116,75;
beslist dat voor zover de proceskostenvergoeding en het te vergoeden griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan;
verklaart het verzet voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hoge Raad 18 juni 2021, ECLI:NL:2021:966.
vgl. Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:117 en Hoge Raad 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2698.
1 punt (bezwaarschrift) met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 0,5 (licht).
Vgl. Gerechtshof Amsterdam 7 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:416, r.o. 5.2 en 5.3.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2409 in samenhang met arrest Hoge Raad 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:37, CRvB 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307, CRvB 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815 en ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290.
Hoge Raad 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:733.
Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,25.
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4831
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 op het verzet van
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond heeft verklaard, omdat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase onjuist is berekend. Het beroep is ongegrond verklaard voor zover gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom vanwege het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom.
1.1.
Belanghebbende heeft aangegeven dat een zitting achterwege mag blijven.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is omdat de kostenvergoeding onjuist is berekend en ongegrond is voor zover gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Belanghebbende voert in verzet het volgende aan:
a) Er is geen sprake van kennelijkheid, omdat in de motivering van de uitspraak wordt verwezen naar jurisprudentie en dit dus een beoordeling van de beroepsgronden vergde.
b) Bij de vaststelling van de kostenvergoeding heeft de rechtbank de waarde per punt per 1 januari 2024 gehanteerd, terwijl uitspraak is gedaan in 2025. Dit is onjuist.
c) In de uitspraak wordt slechts verwezen naar de lijn in de jurisprudentie die door belanghebbende juist wordt bestreden. De uitspraak is om die reden onvoldoende gemotiveerd.
d) In het beroepschrift is verzocht om vergoeding van wettelijke rente. De rechtbank heeft hier niet op beslist.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is ten aanzien van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase en de wettelijke rente. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
a. a) Kennelijkheid
4. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechter de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, indien hij na onderzoek van de gegevens van het dossier tot oordeel komt dat over de uitkomst van het geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Een zitting hoeft in elk geval niet te worden gehouden wanneer de zaak geen feitelijke of juridische vraagstukken oproept die niet naar behoren kunnen worden opgelost op basis van het dossier en de schriftelijke opmerkingen van de partijen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een behandeling ter zitting achterwege kon blijven, nu de beroepsgronden in het licht van de aangehaalde jurisprudentie konden worden beoordeeld zonder dat daarvoor een nadere toelichting van partijen was vereist.
b) Kostenvergoeding bezwaar
5. De rechtbank heeft op 1 december 2025 uitspraak gedaan. De waarde punt voor bezwaar op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht was op dat moment € 647,-. In de uitspraak is ten onrechte uitgegaan van een bedrag van € 624,-. Het verzet is op dit punt gegrond.
5.1.
De rechtbank zal de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen. De vergoeding per punt moet worden berekend naar het tarief zoals dat geldt ten tijde van deze uitspraak. De kostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase komt te bedragen € 333,-. Voor zover de inspecteur al een deel heeft betaald, komt dat in mindering op het te betalen bedrag.
c) Motivering
6. Belanghebbende is het niet eens met de door de rechtbank aangehaalde jurisprudentie van het gerechtshof Amsterdam, waaruit volgt dat het niet mogelijk is om binnen een lopende dwangsomprocedure een nieuwe dwangsomprocedure te starten en aldus dwangsommen te ‘stapelen’. Volgens belanghebbende is die uitspraak terug te voeren op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, die daaraan geen motivering ten grondslag legt anders dan ‘in lijn met’ het niet kunnen verbeuren van een dwangsom wegens niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking. Dit wordt door belanghebbende, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, bestreden.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat belanghebbende zich niet kan verenigen met de door de rechtbank gevolgde jurisprudentie, niet met zich meebrengt dat de uitspraak ontoereikend is gemotiveerd. Nu de uitspraak aansluit bij vaste jurisprudentie die recent is bevestigd door de Hoge Raaden belanghebbende geen omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot afwijking daarvan, kon de rechtbank met een verwijzing naar die jurisprudentie volstaan. Het beroep gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom is terecht ongegrond verklaard.
6.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.
d) Wettelijke rente
7. Belanghebbende heeft in het beroepschrift verzocht om wettelijke rente. De rechtbank heeft hierover in de uitspraak van 1 december 2025 onterecht niets opgenomen. Het verzet is op dit punt gegrond. De rechtbank beslist dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht en/of de proceskostenvergoeding niet wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.
Conclusie en gevolgen
8. Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 1 december 2025 terecht heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, gegrond was omdat de heffingsambtenaar een te laag bedrag aan kostenvergoeding heeft toegekend en ongegrond was voor zover gericht tegen het verzoek tot vaststelling van een dwangsom. Bij de vaststelling van de juiste kostenvergoeding is de rechtbank in de uitspraak uitgegaan van de verkeerde waarde per punt. Ook heeft de rechtbank in de uitspraak geen wettelijke rente toegekend. Het verzet is op die punten gegrond.
8.1.
Nu het verzet (deels) gegrond is ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 116,75. De rechtbank heeft een wegingsfactor 0,25 gehanteerd, omdat het verzet alleen slaagt omdat een onjuiste waarde per punt is gehanteerd en belanghebbende recht heeft op vergoeding van wettelijke rente over de door de rechtbank toegekende proceskosten en griffierecht.
Beslissing
De rechtbank
verklaart het verzet gegrond, voor zover het de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding betreft;
vernietigt de uitspraak uitsluitend voor zover het de beslissing omtrent de kostenvergoeding in bezwaar betreft;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van de bezwaarfase tot een bedrag van € 333,-;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in verzet tot een bedrag van € 116,75;
beslist dat voor zover de proceskostenvergoeding en het te vergoeden griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan;
verklaart het verzet voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hoge Raad 18 juni 2021, ECLI:NL:2021:966.
vgl. Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:117 en Hoge Raad 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2698.
1 punt (bezwaarschrift) met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 0,5 (licht).
Vgl. Gerechtshof Amsterdam 7 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:416, r.o. 5.2 en 5.3.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2409 in samenhang met arrest Hoge Raad 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:37, CRvB 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307, CRvB 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815 en ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290.
Hoge Raad 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:733.
Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,25.