Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4478

2026-07-07 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/203 t/m 24/210 en 25/2381
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/203 t/m 24/210 en 25/2381
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM. Diverse formeelrechtelijke grieven.

Citeert (22)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (31.095 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/203 tot en met 24/210 en 25/2381
uitspraakdatum: 7 juli 2026




Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummers AWB 22/3709, 22/3711, 22/4880, 22/5723, 22/5750, 22/5769, 22/6131, 23/8 en 23/1397, in het geding tussen belanghebbende en



de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur), en



de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) te Den Haag.







1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Belanghebbende heeft op aangiften bedragen aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) voldaan.



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de voldoeningen bezwaarschriften ingediend. De Inspecteur heeft in zijn uitspraken deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.



1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 de beroepen 22/3711, 22/5723 en 22/5750 niet-ontvankelijk verklaard (in hoger beroep zaaknummers 24/204, 24/206 respectievelijk 24/207), de overige beroepen ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierechten toegekend van respectievelijk € 500, € 100 en € 730.



1.4.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.



1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.



1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen, bijgestaan door deskundige [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/191 tot en met 24/201, 24/203 tot en met 24/210, 24/223, 24/224, 24/236 tot en met 24/241, 24/250 tot en met 24/253 en 25/2381 gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.






2Feiten


Belanghebbende heeft op aangiften bedragen aan BPM voldaan. De daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaren zijn door de Inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft belanghebbende in twee zaken bezwaar gemaakt tegen een kennisgeving teruggaaf BPM. De Inspecteur heeft die bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat een dergelijke kennisgeving niet voor bezwaar vatbaar is. De relevante data luiden als volgt:












Zaak-
nummer


Voldoening op


Einde bezwaar-termijn


Bezwaar




Dagtekening


Ontvangst




24/203


19 april 2021


31 mei 2021


1 juni 2021


2 juni 2021




24/204


13 december 2021


24 januari 2022


25 januari 2022


27 januari 2022




24/205


12 mei 2022


23 juni 2022


24 juni 2022


28 juni 2022




24/206


Bezwaar tegen kennisgeving teruggaaf BPM; in beroep griffierecht niet betaald.




24/207


Bezwaar tegen kennisgeving teruggaaf BPM; in beroep griffierecht niet betaald.




24/208


26 juli 2021


6 september 2021


7 september 2021


9 september 2021




24/209


13 december 2021


24 januari 2022


25 januari 2022


27 januari 2022




24/210


12 mei 2022


23 juni 2022


24 juni 2022


28 juni 2022




25/2381


13 december 2021


24 januari 2022


25 januari 2022


27 januari 2022










3Geschil


3.1.
In geschil is of de Inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.



3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd:
a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven geweigerd.
d. De Rechtbank heeft in de zaak 24/204 ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het prematuur zou zijn.
e. De Rechtbank heeft in de zaken 24/206 en 24/207 ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht.
f. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase de hoorplicht geschonden.
g. De Inspecteur heeft de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (zie 3.1).
h. De overschrijding van de redelijke termijn dient tot een immateriële schadevergoeding van € 500 per zaak te leiden.
i. De door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 50 per zaak is te laag.
j. Over de door de Rechtbank toegekende vergoeding van de betaalde griffierechten moet rente worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop belanghebbende de griffierechten heeft betaald.
k. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.



3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging daarvan.






4Beoordeling van het geschil



Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht



4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.



4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.



4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.



Ad b. Vooraf heffen griffierecht




4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.



4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.



4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.



Ad c. Weigeren gemachtigde




4.7.
De heer Verhoeven heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daarbij is een door (een bestuurder van) belanghebbende getekende volmacht overgelegd.



4.8.
De Rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 18 augustus 2023 vertegenwoordiging door de heer Verhoeven geweigerd wegens ernstige bezwaren. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ondanks eerdere waarschuwingen Verhoeven is blijven volharden in het indienen van stukken die doorspekt zijn met grievende en beledigende uitlatingen waardoor een normale, zakelijke omgang in de gerechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. Gelet op de geschetste omstandigheden acht het Hof een weigering op de voet van artikel 8:25 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gerechtvaardigd. Dat belanghebbende een gemachtigde in de arm heeft genomen die zich bedient van taal als hiervoor bedoeld, komt voor haar rekening. Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt door weigering van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Belanghebbende kan zich namelijk voorzien van een andere rechtsbijstandverlener of gemachtigde. Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake.



Ad d. Beroep bij Rechtbank niet-ontvankelijk omdat het prematuur is (24/204)




4.9.
Belanghebbende heeft op 13 december 2021 op aangifte € 3.029 aan BPM voldaan voor de registratie van een Citroën C3 Aircross. Belanghebbende heeft op 27 januari 2022 bezwaar gemaakt tegen deze voldoening op aangifte. De Inspecteur heeft in een brief van 29 maart 2022 zijn voornemen kenbaar gemaakt om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding. In dezelfde brief kondigt de Inspecteur ook aan dat hij een voorstel zal doen voor een hoorgesprek. Belanghebbende heeft op 1 mei 2022 beroep ingesteld tegen de brief van 29 maart 2022, welk beroep door de Rechtbank is ingeschreven onder zaaknummer 22/3711 (zaaknummer bij het Hof 24/204) en ter zake waarvan door de Rechtbank € 365 aan griffierecht is geheven.



4.10.
De Inspecteur heeft op 31 augustus 2022 de werkelijke uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft op 20 september 2022 beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar, welk beroep door de Rechtbank is ingeschreven onder zaaknummer 22/5769 (zaaknummer bij het Hof 25/2381) en ter zake waarvan door de Rechtbank geen griffierecht is geheven.



4.11.
De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroepschrift van 1 mei 2022 voor het begin van de beroepstermijn (1 september 2022) is ingediend en daarom moet worden aangemerkt als een prematuur beroep dat niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Gelet op de bewoordingen in de brief van 29 maart 2022 (zie 4.9) kon belanghebbende namelijk redelijkerwijs niet menen dat de Inspecteur daarmee reeds werkelijk uitspraak op het bezwaar had gedaan.



Ad e. Beroep bij Rechtbank niet-ontvankelijk wegens niet-betalen griffierecht (24/206 en 24/207)




4.12.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de voor de behandeling van deze beroepen verschuldigde griffierechten niet zijn voldaan en daarom deze beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Ook uit navraag van het Hof bij de griffie van de Rechtbank is gebleken dat geen griffierechten zijn betaald. In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat het (vooraf) heffen van griffierecht in strijd is met het Unierecht en dat daarom het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Gelet op het overwogene in 4.4 en 4.5 kan dit betoog niet slagen. De Rechtbank heeft daarom terecht deze beroepen niet-ontvankelijk verklaard.



Ad f. Schending hoorplicht bezwaarfase




4.13.
Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op zijn verzoek te horen. De wettelijke regeling over het horen van degene die bezwaar maakt, staat de inspecteur toe voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht een tijdstip en een locatie te kiezen. De vrijheid die de inspecteur in dit verband heeft, wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die beginselen brengen mee dat rekening moet worden gehouden met de redelijke belangen van de betrokkene(n) en van de inspecteur. De inspecteur moet die belangen tegen elkaar afwegen. Uitgangspunt daarbij is (a) dat het aan de inspecteur is om tijd en plaats van het hoorgesprek te bepalen, en (b) dat geen regel of beginsel meebrengt dat een hoorgesprek alleen kan worden gehouden op een plaats en tijdstip die de belanghebbende en diens gemachtigde uitkomen, bijvoorbeeld in verband met andere verplichtingen.



4.14.
De Inspecteur heeft de gemachtigde steeds rechtmatig uitgenodigd voor een hoorgesprek, waarna de gemachtigde ofwel niet is verschenen ofwel voorafgaand het hoorgesprek heeft geannuleerd waarbij niet om uitstel is verzocht. Dit brengt mee dat de Inspecteur de gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld over de bezwaren te worden gehoord en hij bij het plannen van een hoorgesprek de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet heeft geschonden. Dat de gemachtigde vervolgens ervoor heeft gekozen geen gevolg te geven aan de uitnodiging, brengt niet mee dat de Inspecteur de hoorplicht niet is nagekomen.



Ad g. Niet-ontvankelijkheid bezwaar (24/203, 24/205, 24/208 t/m 24/210 en 25/2381)




4.15.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de zeswekentermijn door de inspecteur is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.




4.16.
Voornoemde bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet of de voldoening. Heeft de voldoening plaatsgevonden op maandag 19 april 2021, dan vangt de bezwaartermijn aan op dinsdag 20 april 2021, en eindigt de bezwaartermijn op maandag 31 mei 2021 om 24:00 uur. De bezwaartermijn eindigt dus op de dezelfde dag van de week als die van de voldoening.



4.17.
Anders dan belanghebbende betoogt, zijn de Inspecteur en de Rechtbank terecht ervan uitgegaan dat de bezwaartermijn aanvangt met ingang van de eerste dag na de voldoening. Belanghebbende lijkt te hebben miskend dat de bezwaartermijn zes weken later eindigt op dezelfde dag van de week als die van de voldoening, waardoor haar bezwaarschriften steeds één dag na afloop van de bezwaartermijn zijn gedagtekend. Bovendien zijn de bezwaarschriften steeds ten minste twee dagen na afloop van de bezwaartermijn door de Inspecteur ontvangen (zie 2). Nu belanghebbende niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de bezwaarschriften uiterlijk op de laatste dag van de bezwaartermijn, dus voorafgaand aan de dagtekening, ter post zijn bezorgd, heeft de Inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard.



4.18.
Belanghebbende heeft nog in zijn algemeenheid gesteld dat in sommige gevallen de betaalinstructie door de Belastingdienst later is verzonden dan de in het dossier genoemde data van betaling, dat die betalingen daarom wel later moeten hebben plaatsgevonden, dat de bezwaartermijn in die gevallen dus later moet zijn aangevangen en de ingediende bezwaren derhalve binnen de termijn zijn ingediend. De Inspecteur heeft daartegen ingebracht dat belastingplichtigen in de praktijk in de regel een betaalinstructie niet afwachten, maar zelf het betalingskenmerk samenstellen en gelijktijdig met de aangifte tot betaling overgaan. Bovendien heeft de Inspecteur gewezen op de tot het dossier behorende betalingsoverzichten waaruit de data van betaling blijken. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door de Inspecteur ligt het op de weg van belanghebbende om bewijs bij te brengen van haar stelling dat de betalingen op een latere datum hebben plaatsgevonden, bijvoorbeeld door het overleggen van bankafschriften. Bovendien is belanghebbende daartoe de meest gerede partij. Belanghebbende heeft haar stelling evenwel op generlei wijze onderbouwd, zodat zij niet in dat bewijs is geslaagd. Derhalve wordt uitgegaan van de in het dossier genoemde data van betaling (zie 2).



4.19.
Verder heeft belanghebbende geen redenen aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de termijnoverschrijding in verzuim is geweest.



4.20.
Anders dan belanghebbende betoogt, staat ook het Unierecht niet in de weg aan een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen een op aangifte voldaan bedrag aan BPM wegens overschrijding van de nationaalrechtelijke bezwaartermijn. Het stond belanghebbende namelijk vrij gebruik te maken van de openstaande mogelijkheid van bezwaar tegen het door haar op aangifte voldane bedrag aan BPM. Daarom kan niet worden gezegd dat belanghebbende geen effectieve mogelijkheid had het door haar op aangife voldane bedrag aan BPM in een fiscale procedure te bestrijden.



Ad h. Samenhang voor vergoeding immateriële schade




4.21.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat in twee zaken de redelijke termijn is overschreden, dat uitgaande van het oudste bezwaarschrift de termijn met afgerond zes maanden is overschreden en dat dit leidt tot een schadevergoeding van € 500. Aangezien deze twee zaken door de Rechtbank gezamenlijk zijn behandeld en in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp - namelijk een beoordeling van de vraag of de Inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard - hangen deze twee zaken met elkaar samen en heeft de Rechtbank terecht slechts eenmaal € 500 per half jaar als vergoeding van immateriële schade toegekend.



4.22.
In dit verband heeft belanghebbende nog aangevoerd dat door de Rechtbank ook per zaak griffierecht is geheven, zodat kennelijk geen sprake is van samenhang. Dit betoog kan niet slagen. Het criterium voor samenhang in het kader van de immateriële schadevergoeding luidt namelijk niet hetzelfde als voor het begrip ‘samenhangende besluiten’ in het kader van het heffen van griffierecht.



Ad i. Matiging proceskostenvergoeding




4.23.
Belanghebbende heeft verder gesteld dat de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 50 per zaak te laag is.



4.24.
De Rechtbank heeft bijzondere omstandigheden aanwezig geacht waardoor de volgens het Besluit proceskostenbestuursrecht (Bpb) berekende vergoeding op grond van artikel 2 lid 3 Bpb is verlaagd tot € 50 per zaak. Redengevend daarvoor is dat strikte toepassing van de forfaitaire regeling zou leiden tot een proceskostenvergoeding die de werkelijk gemaakte kosten ver zou overtreffen. In dat verband heeft de Rechtbank van belang geacht dat sprake is van een groot aantal zaken dat een sterke inhoudelijke samenhang vertoont – namelijk een beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden – waardoor de proceshandelingen een uniform karakter hebben en die bovendien van (zeer) eenvoudige aard zijn. Het Hof acht dit oordeel van de Rechtbank juist. Het feit dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven, brengt niet mee dat geen plaats is voor een lagere proceskostenvergoeding dan volgens het forfaitaire tarief. Bovendien is het enkele feit dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven, geen bijzondere omstandigheid die tot een hogere (integrale) vergoeding zou moeten leiden.



Ad j. Rentevergoeding griffierecht




4.25.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat aan belanghebbende het griffierecht moet worden vergoed vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dagtekening van de uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.



4.26.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat dit oordeel onjuist is en dat op grond van het Unierecht rente moet worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop dat griffierecht wordt vergoed. Bovendien moet volgens belanghebbende een rentevoet worden toegepast die geldt voor handelstransacties. Het betoog van belanghebbende faalt. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Griffierecht is niet een aan de Staat betaald bedrag als bedoeld in punt 21 van het arrest Irimie (HvJ 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250) dat rechtstreeks verband houdt met door de Staat geheven belasting. De verplichting tot het betalen van griffierecht ontstaat immers pas door het instellen van beroep. Evenmin kan worden gezegd dat het achterwege laten van een rentevergoeding als hiervoor bedoeld de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.



4.27.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.



Ad k. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep




4.28.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.



4.29.
Het Hof kent geen immateriële schadevergoeding toe indien (i) het financiële belang bij deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt en (ii) de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval zal het Hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.



4.30.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Daarmee is voldaan aan de hiervoor onder (ii) genoemde voorwaarde.



4.31.
Het financiële belang bij deze procedure bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende verkrijgt indien het door haar in hoger beroep ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover deze standpunten tegen beter weten in zijn ingenomen. Het ligt het op de weg van belanghebbende om de omvang van het financiële belang aannemelijk te maken. Belanghebbende is met wat zij heeft aangevoerd niet in haar bewijslast geslaagd dat het financiële belang bij deze procedure meer dan € 1.000 bedraagt. Belanghebbende heeft namelijk bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op eigen aangiften, zonder dat daaruit is gebleken of duidelijk is gemaakt wat de omvang is van het financiële belang bij de aangevoerde gronden. Gelet daarop is ook voldaan aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde, zodat het Hof volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.




Slotsom

De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.







5Griffierecht en proceskosten


Omdat het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.






6Beslissing


Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.



De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.




De griffier, De voorzitter,







(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)








Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.



Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687; HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.


HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.


HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.


HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.


HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.


HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1739, r.o. 4.1.2.


Vgl. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1728, r.o. 2.3.2.


Artikel 6:7 Awb.


Artikel 6:9 lid 1 Awb.


Artikel 6:9 lid 2 Awb.


Artikel 22j AWR.


HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.


HR (civiel) 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0193, r.o. 3.4.3; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.


HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700, r.o. 2.2.2.


HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603, r.o. 2.4.


Vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.


Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6988, r.o. 4.23.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3; HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 5.2.


De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.


Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.