Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:1728
2020-11-06
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/02693
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2020:1728 → ECLI:NL:GHDHA:2019:3964
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:1728 → ECLI:NL:PHR:2020:184
Inhoudsindicatie
BPM; procesrecht; artt. 7:2 en 7:3 Awb; hoorgesprek; bezwaarschriften in deze zaak zijn niet met de inspecteur besproken als gevolg van onenigheid over andere, tijdens het hoorgesprek aan de orde gekomen, andere bezwaarschriften; is de Inspecteur zijn hoorplicht nagekomen?
Citeert (1)
- ECLI:NL:PHR:2020:184 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2020
Geciteerd door (46)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5579 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4478 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4483 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4487 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4494 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4476 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4313 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-06-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:3420 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2989 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2990 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2716 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1852 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1851 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:6988 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6424 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5581 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:2855 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:250 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:10167 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-11-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2083 Gerechtshof Den Haag 19-10-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:6391 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-07-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:7504 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-08-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:7503 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-08-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:7502 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-08-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3147 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1819 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1577 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1570 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-05-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:323 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-01-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:11824 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:9175 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8826 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8824 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8823 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8273 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8089 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6729 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-07-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6731 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1848 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:7700 Rechtbank Den Haag 26-05-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4946 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-05-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4945 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-05-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:1443 Rechtbank Noord-Nederland 16-04-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:1442 Rechtbank Noord-Nederland 16-04-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3842 Gerechtshof Amsterdam 17-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3857 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.317 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02693
Datum 6 november 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 mei 2019, nrs. BK-19/00029 en BK-19/00030, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 18/2593 en SGR 18/2595) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 28 februari 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft in 2017 twee maal op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een vanuit Duitsland overgebrachte, gebruikte personenauto.
2.1.2
De daartoe door belanghebbende aangestelde gemachtigde heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor in 2.1.1 bedoelde voldoening van bedragen aan bpm.
2.1.3
Naar aanleiding van de vooraankondiging van de Inspecteur uitspraak te doen op de hiervoor gemaakte bezwaren, heeft de gemachtigde de Inspecteur verzocht te worden gehoord. Na telefonisch overleg met de gemachtigde over een geschikte datum en tijdstip voor het doen plaatsvinden van dat hoorgesprek heeft de Inspecteur de gemachtigde bij brief van 12 februari 2018 in de gelegenheid gesteld om op 19 februari 2018, van 13.00 uur tot 16.00 uur, te worden gehoord over een aantal door deze gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften tegen op aangifte voldane bedragen aan bpm waaronder de hiervoor in 2.1.2 bedoelde bezwaarschriften.
2.1.4
Op 19 februari 2018 heeft een gesprek plaatsgehad tussen de Inspecteur en de gemachtigde. Als gevolg van onenigheid over andere ook op deze datum te bespreken, bezwaren zijn de onderhavige bezwaren uiteindelijk niet besproken.
2.1.5
De Inspecteur heeft bij uitspraak met dagtekening 2 maart 2018 de bezwaren ongegrond verklaard.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb heeft geschonden.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur heeft voldaan aan de plicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de Inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek op 19 februari 2018, dat de gemachtigde van belanghebbende bij die gelegenheid is verschenen en dat daadwerkelijk een gesprek heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende voldoende gelegenheid gekregen om te worden gehoord. Dat als gevolg van onenigheid over andere, eveneens op deze datum te bespreken bezwaren de onderhavige bezwaren uiteindelijk niet zijn besproken, maakt niet dat geen sprake is geweest van een hoorgesprek. Op deze gronden heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur heeft voldaan aan de plicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb.
2.3.1
Middel II is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof.
2.3.2
De hiervoor in 2.1.3 vermelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur met de gemachtigde van belanghebbende heeft afgesproken wanneer en hoe lang hij in de gelegenheid werd gesteld te worden gehoord op bezwaren in specifiek genoemde zaken, waaronder de onderhavige zaken van belanghebbende. Dit hoorgesprek heeft ook plaatsgevonden. Dat belanghebbende in dat gesprek geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord over de bezwaren in de onderhavige zaken, brengt dan niet mee dat de Inspecteur niet aan zijn uit artikel 7:2 Awb voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. Dat zou anders zijn als belanghebbende als gevolg van een omstandigheid die voor rekening van de Inspecteur moet blijven, niet gebruik kon maken van de gelegenheid om te worden gehoord. Het enkele feit dat – al dan niet over andere zaken die in het hoorgesprek aan de orde kwamen – onenigheid ontstond tussen de gemachtigde en de Inspecteur, is niet een dergelijke voor rekening van de Inspecteur komende omstandigheid. Aangezien de uitspraak van het Hof geen andere vaststelling inhoudt dan dat tijdens het hoorgesprek onenigheid is ontstaan en het middel niet erover klaagt dat het Hof ter zake anders had moeten vaststellen, faalt het middel in zoverre.
2.4
De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van die middelen is het namelijk in zoverre niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2020.
ECLI:NL:PHR:2020:184.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02693
Datum 6 november 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 mei 2019, nrs. BK-19/00029 en BK-19/00030, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 18/2593 en SGR 18/2595) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 28 februari 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft in 2017 twee maal op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een vanuit Duitsland overgebrachte, gebruikte personenauto.
2.1.2
De daartoe door belanghebbende aangestelde gemachtigde heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor in 2.1.1 bedoelde voldoening van bedragen aan bpm.
2.1.3
Naar aanleiding van de vooraankondiging van de Inspecteur uitspraak te doen op de hiervoor gemaakte bezwaren, heeft de gemachtigde de Inspecteur verzocht te worden gehoord. Na telefonisch overleg met de gemachtigde over een geschikte datum en tijdstip voor het doen plaatsvinden van dat hoorgesprek heeft de Inspecteur de gemachtigde bij brief van 12 februari 2018 in de gelegenheid gesteld om op 19 februari 2018, van 13.00 uur tot 16.00 uur, te worden gehoord over een aantal door deze gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften tegen op aangifte voldane bedragen aan bpm waaronder de hiervoor in 2.1.2 bedoelde bezwaarschriften.
2.1.4
Op 19 februari 2018 heeft een gesprek plaatsgehad tussen de Inspecteur en de gemachtigde. Als gevolg van onenigheid over andere ook op deze datum te bespreken, bezwaren zijn de onderhavige bezwaren uiteindelijk niet besproken.
2.1.5
De Inspecteur heeft bij uitspraak met dagtekening 2 maart 2018 de bezwaren ongegrond verklaard.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb heeft geschonden.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur heeft voldaan aan de plicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de Inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek op 19 februari 2018, dat de gemachtigde van belanghebbende bij die gelegenheid is verschenen en dat daadwerkelijk een gesprek heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende voldoende gelegenheid gekregen om te worden gehoord. Dat als gevolg van onenigheid over andere, eveneens op deze datum te bespreken bezwaren de onderhavige bezwaren uiteindelijk niet zijn besproken, maakt niet dat geen sprake is geweest van een hoorgesprek. Op deze gronden heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur heeft voldaan aan de plicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb.
2.3.1
Middel II is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof.
2.3.2
De hiervoor in 2.1.3 vermelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur met de gemachtigde van belanghebbende heeft afgesproken wanneer en hoe lang hij in de gelegenheid werd gesteld te worden gehoord op bezwaren in specifiek genoemde zaken, waaronder de onderhavige zaken van belanghebbende. Dit hoorgesprek heeft ook plaatsgevonden. Dat belanghebbende in dat gesprek geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord over de bezwaren in de onderhavige zaken, brengt dan niet mee dat de Inspecteur niet aan zijn uit artikel 7:2 Awb voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. Dat zou anders zijn als belanghebbende als gevolg van een omstandigheid die voor rekening van de Inspecteur moet blijven, niet gebruik kon maken van de gelegenheid om te worden gehoord. Het enkele feit dat – al dan niet over andere zaken die in het hoorgesprek aan de orde kwamen – onenigheid ontstond tussen de gemachtigde en de Inspecteur, is niet een dergelijke voor rekening van de Inspecteur komende omstandigheid. Aangezien de uitspraak van het Hof geen andere vaststelling inhoudt dan dat tijdens het hoorgesprek onenigheid is ontstaan en het middel niet erover klaagt dat het Hof ter zake anders had moeten vaststellen, faalt het middel in zoverre.
2.4
De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van die middelen is het namelijk in zoverre niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2020.
ECLI:NL:PHR:2020:184.