Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2289

2026-06-30 Bestuursrecht; Belastingrecht BK-25/476 t/m BK-25/481
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-07-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BK-25/476 t/m BK-25/481
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslagen bpm. Tardiefverklaring nader stuk van de Inspecteur. Bruikbaarheid taxatierapport belanghebbende. Aanpassing historische nieuwprijs ter zake van één auto. Geen aanpassing handelsinkoopwaarden. Belanghebbende maakt waardeverminderingen wegens schade niet aannemelijk. Geen aanleiding voor hogere proceskostenvergoeding in de bezwaarfase

Citeert (11)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (45.955 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/476 t/m BK-25/481



Uitspraak van 30 juni 2026


in het geding tussen:



[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)


en


de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )


op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 mei 2025, nummers SGR 23/7925 t/m SGR 23/7930.





Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende zijn ten aanzien van een zestal voertuigen vier naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd (de naheffingsaanslagen).



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar een van de bezwaren gegrond verklaard en de desbetreffende naheffingsaanslag verminderd en de overige bezwaren ongegrond verklaard. De Inspecteur heeft een proceskostenvergoeding van € 592 toegekend.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van eenmaal € 365 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:


“De rechtbank (…):
- verklaart het beroep gegrond voor zover dit is gericht tegen de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op auto 3 en 5;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op auto 3 en 5;
- vermindert de naheffingsaanslag van auto 3 tot een bedrag van € 2.988;
- vermindert de naheffingsaanslag van auto 5 tot een bedrag van € 3.404;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 4.662;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”




1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van eenmaal € 579 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 30 oktober 2025.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft ter zake van de inschrijving in het kentekenregister voor de volgende auto’s op aangifte bpm voldaan:











Auto




Type




Datum eerste toelating




Op aangifte voldaan





1


Audi A6 Avant RS6 TFSI quattro


10 december 2020


€ 25.014




2


BMW X5 XDrive40i High Executive


29 januari 2019


€ 7.273




3


BMW X5 M50d High Executive


7 februari 2019


€ 6.148




4


Audi Q3 Sportback TFSI RS


12 december 2019


€ 6.444




5


Mercedes-Benz GLE Coupé 63S AMG 4Matic+


4 januari 2021


€ 22.647




6


Audi Q8 4.0 TFSI RS Q8 quattro


9 maart 2020


€ 22.538








Auto 1




2.2.1.
Ter zake van auto 1 is in de aangifte de historische (bruto) bpm vastgesteld op € 55.786 (CO2-uitstoot van 289 g/km). In de aangifte is een afschrijvingspercentage op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel vermeld van 41%. De te betalen bpm is berekend op € 25.014. Tot de gedingstukken behoort een taxatierapport van [naam 1] . Daarin is de historische nieuwprijs van auto 1 vastgesteld op € 224.209 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 122.710. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 22.170 in mindering gebracht wegens schade, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 1 is bepaald op € 100.540.



2.2.2.
De Inspecteur heeft ter zake van auto 1 een bedrag van € 7.901 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op de forfaitaire afschrijvingstabel (41%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 55.786 (CO2-uitstoot van 289 g/km).



2.2.3.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag ter zake van auto 1 verminderd tot € 3.431 door de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde van auto 1 vast te stellen op respectievelijk € 224.209 en € 114.236.



Auto 2





2.3.1.
Ter zake van auto 2 is in de aangifte de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 2] B.V. Daarin is de historische nieuwprijs van auto 2 vastgesteld op € 108.104 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 44.080. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 16.600 in mindering gebracht wegens schade, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 2 is bepaald op € 27.480. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 28.623 (CO2-uitstoot van 197 g/km).



2.3.2.
De Inspecteur heeft ter zake van auto 2 een bedrag van € 4.788 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 7 januari 2022. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 112.460 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 47.397 (Xray). De Inspecteur heeft geen schade aannemelijk geacht en geen waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 47.397 (afschrijving van 57,86%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 28.623 (CO2-uitstoot van 197 g/km).



Auto 3





2.4.1.
Ter zake van auto 3 is in de aangifte de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] . Daarin is de historische nieuwprijs van auto 3 vastgesteld op € 153.820 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 47.380. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 16.380 in mindering gebracht wegens schade en waardeverminderingen, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 3 is bepaald op € 31.000. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 30.515 (CO2-uitstoot van 179 g/km).



2.4.2.
De Inspecteur heeft ter zake van auto 3 en auto 4 één naheffingsaanslag opgelegd, waarbij de totaal verschuldigde bpm € 11.313 bedraagt. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 12 aan belastingrente in rekening gebracht. Ter zake van auto 3 bedraagt de nageheven bpm € 3.762. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van DRZ van 8 april 2022. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 160.814 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 50.342 (Xray). De Inspecteur heeft geen schade aannemelijk geacht en geen waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 50.342 (afschrijving van 68,7%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 31.662 (CO2-uitstoot van 179 g/km).



Auto 4





2.5.1.
Ter zake van auto 4 is in de aangifte de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 2] B.V. Daarin is de historische nieuwprijs van auto 4 vastgesteld op € 115.649 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 54.356. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 31.026 in mindering gebracht wegens schade, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 4 is bepaald op € 23.330. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 31.953 (CO2-uitstoot van 204 g/km).



2.5.2.
Ter zake van auto 4 bedraagt de nageheven bpm € 7.551. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van DRZ van 27 juni 2022. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 122.415 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 54.240 (Xray). De Inspecteur heeft een bedrag van € 852 aan schade aannemelijk geacht, waarvan € 613 (72%) als waardevermindering in aanmerking is genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 53.627 (afschrijving van 56,2%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 31.953 (CO2-uitstoot van 204 g/km).



Auto 5





2.6.1.
Ter zake van auto 5 is in de aangifte de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] . Daarin is de historische nieuwprijs van auto 5 vastgesteld op € 224.772 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 109.711. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 12.771 in mindering gebracht wegens schade, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 5 is bepaald op € 96.940. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 52.522 (CO2-uitstoot van 281 g/km).



2.6.2.
De Inspecteur heeft ter zake van auto 5 en auto 6 één naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 8.537. Ter zake van auto 5 bedraagt de nageheven bpm € 4.202. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van DRZ van 8 juni 2022. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 220.355 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 112.667 (Xray). De Inspecteur heeft geen schade aannemelijk geacht en geen waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 112.667 (afschrijving van 48,88%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 52.522 (CO2-uitstoot van 281 g/km).



Auto 6





2.7.1.
Ter zake van auto 6 is in de aangifte de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 2] B.V. Daarin is de historische nieuwprijs van auto 6 vastgesteld op € 223.902 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 96.224. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 17.744 in mindering gebracht wegens schade, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 6 is bepaald op € 78.480. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 64.305 (CO2-uitstoot van 276 g/km).



2.7.2.

Ter zake van auto 6 bedraagt de nageheven bpm € 4.335. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van DRZ van 3 februari 2022. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 258.763 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 108.139 (Xray). De Inspecteur heeft geen schade aannemelijk geacht en geen waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 108.139 (afschrijving van 58,21%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 64.305 (CO2-uitstoot van 276 g/km).

Oordeel van de Rechtbank




3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:




“7. Tussen partijen is het gebruik van de koerslijst ten aanzien van auto 5 niet meer in geschil. Partijen zijn ter zitting de volgende cijfers overeengekomen:








Inkoopwaarde


€ 109.711




Nieuwprijs


€ 224.772




Bruto Bpm


€ 52.522




Verschuldigde bpm


€ 25.635




Bedrag van de naheffing


€ 2.988




Vermindering van de naheffing


€ 1.213








(…)





Toepassing artikel 16a van de Wet Bpm ten aanzien van auto 3





9.1.
Eiseres doet een beroep op toepassing van het voordeligere tarief uit 2018, omdat de datum eerste toelating van de auto 7 februari 2019 is. Met toepassing van het voordeligere tarief zou de bruto BPM € 30.515 bedragen in plaats van € 31.622.



9.2.
Verweerder stelt dat nergens uit afgeleid kan worden dat de auto, voorafgaand aan de tariefswijziging, stond ingeschreven in Duitsland. Tevens verwijst verweerder naar de arrest van de Hoge Raad van 17 november 2023[4] waaruit volgt dat niet onverkort aan de letterlijke toepassing van artikel 16a Wet Bpm kan worden vastgehouden.



9.3.
De rechtbank stelt vast dat uit artikel 16a, eerste lid, van de Wet Bpm volgt dat indien de tenaamstelling plaatsvindt binnen twee maanden na het begin van het kalenderjaar (de tariefswijziging is ingegaan op 1 januari 2019), voor de berekening van de verschuldigde bpm wordt uitgegaan van het lagere tarief, oftewel het tarief dat gold voordat de verhoging op de voet van artikel 9 van de Wet Bpm in werking is getreden. De beroepsgrond van eiseres slaagt. Met toepassing van het tarief uit 2018 bedraagt de bruto BPM € 30.515 in plaats van € 31.622. Met inachtneming van een bruto BPM van € 30.515 bedraagt de verschuldigde BPM € 9.552. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot een bedrag van € 3.404. Anders dan de casus, door de Hoge Raad beoordeeld in het arrest van 17 november 2023, gaat het in dit geval niet om de inschrijving in het Nederlandse kentekenregister van een nieuwe auto, maar om de inschrijving van een gebruikte auto, eerder toegelaten op de weg in Duitsland op 7 februari 2019.



Taxatierapport auto 1




10.1.
Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte het standpunt inneemt dat op de foto’s in het taxatierapport geen schade valt te zien. Ter onderbouwing van haar standpunt stelt eiseres dat de blote ontkenning van verweerder op basis van de foto’s in het taxatierapport onvoldoende is voor een gemotiveerde betwisting van het taxatierapport en dat het op de weg van verweerder had gelegen om een hertaxatie door een deskundige partij te laten uitvoeren. Daarnaast had het verweerder bekend kunnen zijn dat eiseres een kennelijke fout had gemaakt in het aangifteformulier door het vinkje ‘forfaitaire afschrijvingstabel’ in plaats van het vinkje ‘taxatierapport’ aan te vinken. Eiseres heeft namelijk een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.



10.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit het enkele feit dat bij het aangifteformulier een taxatierapport was gevoegd, niet behoefde te concluderen dat eiseres per vergissing het vinkje ‘forfaitaire afschrijvingstabel’ heeft aangekruist. Verweerder was daarom niet gehouden het bijgevoegde taxatierapport te beoordelen, laat staan een hertaxatie te laten uitvoeren. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiseres, nadat zij een kennisgeving heeft ontvangen, waarin de naheffingsaanslag en de reden daarvoor werd aangekondigd, niet heeft gereageerd. Nadat eiseres in bezwaar (bij aanvullende gronden, ingediend op 2 maart 2023) heeft aangevoerd dat het de bedoeling was om aangifte te doen met een taxatierapport, heeft verweerder het taxatierapport beoordeeld en geconstateerd dat op basis hiervan geen waardevermindering van de auto kan worden vastgesteld. Eiseresses verzoek om toepassing van de koerslijst is door verweerder in bezwaar gehonoreerd.



10.3.
Wat betreft het door eiseres overgelegde taxatierapport overweegt de rechtbank als volgt. In het taxatierapport wordt vermeld dat de opnametijd 10 minuten is. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de taxateur in slechts 10 minuten het onderstel, de carrosserie, het interieur, de banden en de technische staat van de auto goed kan controleren en op basis daarvan kan concluderen tot een reparatiebedrag van in totaal € 8.477.86 (inclusief BTW). Daarbij komt dat de taxateur rekening heeft gehouden met een waardevermindering van € 4.000 vastgesteld op basis van een tabel, omdat RDW de kilometerstand niet heeft kunnen bepalen. Ook blijkt uit het taxatierapport niet dat rekening is gehouden met gebruikerssporen. Tot slot zijn er in het taxatierapport schadeposten opgenomen in de schadecalculatie die geen schade betreffen zoals een onderhoudsbeurt, het resetten van de boordcomputer en het reinigen van het interieur. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn conclusie dat het taxatierapport van eiseres niet betrouwbaar is en daarom niet als bewijsmiddel kan dienen voor de onderhavige waardebepaling.



Waardevermindering wegens schade


Ten aanzien van auto 3




11.1.
Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte het standpunt inneemt dat sprake is van gebruiksschade. In het beroepschrift heeft eiseres foto’s bijgevoegd van het scherm, de achterbumper en de portier met een totale schade van € 2.982 (inclusief BTW). Uitgaande van een aftrekpercentage van 72% dient de waardevermindering € 2.147 te bedragen, resulterend in een handelsinkoopwaarde van € 48.195.




Ten aanzien van auto 4

11.2.
Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte enkel schade heeft toegekend voor de achterklep, nu de auto ook schade heeft aan de voorbumper. Uitgaande van een aftrekpercentage van 72% en een schade van € 684 (inclusief BTW) dient de waardevermindering € 492 te bedragen, resulterend in een handelsinkoopwaarde van € 53.135.




Ten aanzien van auto 5

11.3.
Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte het standpunt inneemt dat sprake is van gebruiksschade. In het beroepschrift heeft eiseres foto’s bijgevoegd van een kras op de portier en schade aan de achterbumper met een totale schade van € 2.097 (inclusief BTW). Uitgaande van een aftrekpercentage van 72% dient de waardevermindering € 1.509 te bedragen, resulterend in een handelsinkoopwaarde van € 108.202.




Ten aanzien van auto 6

11.4.
Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte het standpunt inneemt dat sprake is van gebruiksschade. In het beroepschrift heeft eiseres foto’s bijgevoegd van krassen op de portier met een totale schade van € 491 (inclusief BTW). Uitgaande van een aftrekpercentage van 72% dient de waardevermindering € 353 te bedragen, resulterend in een handelsinkoopwaarde van € 107.786.



11.5.
Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres de door haar voorgestane waardeverminderingen niet aannemelijk gemaakt.



11.6.
De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto’s rust op eiseres. Eiseres heeft daartoe verwezen naar de taxatierapporten en de bijgevoegde foto’s die ten grondslag liggen aan de aangiften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto’s ten tijde van het doen van aangifte meer schade hadden dan door DRZ is onderkend (voor zover schade is onderkend door DRZ). Met de taxatierapporten en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over de aard en omvang van de gestelde schade.



11.7.
Eiseres heeft gesteld dat DRZ schade over het hoofd heeft gezien, mogelijk omdat de desbetreffende medewerkers ondeskundig waren of onzorgvuldig hebben opgetreden. Bovendien heeft DRZ verzuimd om binnen de autobranche ontwikkeld beleid over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade toe te passen. De rechtbank verwerpt deze klachten. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ. Zij zijn ook niet gebonden aan (eventueel) beleid dat de autobranche voert en hetzelfde geldt voor verweerder



Historische nieuwprijs auto 2




12.1.
Eiseres bepleit een historische nieuwprijs van € 114.176, uitgaande van de door de inspecteur vastgestelde inkoopwaarde van € 47.397 volgens de koerslijst van Xray.



12.2.
Verweerder stelt dat de juiste historische nieuwprijs als uitgangspunt is genomen bij het opleggen van de naheffingsaanslag omdat voor het berekenen van de afschrijving zowel de handelsinkoopwaarde als de historische nieuwprijs uit dezelfde koerslijst moeten volgen.



12.3.
De rechtbank stelt vast dat het door eiseres overgelegde taxatierapport niet kan dienen ter onderbouwing van de gestelde schade, omdat in het taxatierapport schade is opgevoerd die door DRZ niet is aangetroffen. De verwerping van het taxatierapport en het feit dat DRZ geen schade heeft vastgesteld leidt tot uitsluiting van de taxatiemethode. Dit betekent dat de vermindering moet worden bepaald aan de hand van een andere methode, namelijk de koerslijstmethode of de forfaitaire afschrijvingsmethode. In dit geval stelt de rechtbank vast dat de koerslijstmethode de meest gunstige methode is voor de waardebepaling van de auto van eiseres. Verweerder is bij de vaststelling van de naheffingsaanslag uitgegaan van de waardebepaling door DRZ. DRZ heeft geconstateerd dat geen sprake is van schade en dat de koerslijst methode de meest gunstige uitkomst biedt voor eiseres. DRZ heeft daarom de afschrijving bepaald aan de hand van de gegevens van de meest geschikte referentieauto in de X-ray koerslijst, die het meest gunstig voor eiseres. Bij de (zuivere) koerslijst methode dient voor het afschrijvingspercentage de prijs van de referentieauto te worden afgezet tegen de historische nieuwprijs van de referentieauto. Voor een correctie van de historische nieuwprijs op basis van de CO2-uitstoot van de auto is dan geen aanleiding.



Slotsom

13. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard voor zover dit is gericht tegen de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de naheffingsaanslagen van auto 3 en auto 5 en dient het beroep voor het overige ongegrond te worden verklaard. De naheffingsaanslagen van auto 3 en auto 5 dienen te worden verminderd




Immateriële schadevergoeding




14.1.
Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (ISV). De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen voor wat betreft de ISV aan als samenhangende zaken.[5] De rechtbank heeft daarbij onder andere in aanmerking genomen dat de zaken in de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld en in hoofdzaak betrekking hebben op dezelfde onderwerpen. Het oudste bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 17 mei 2022 (zaaknummer SGR 23/7926) en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 18 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 6 mei 2025 gedaan. Dat is afgerond 36 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met 12 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 18 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend.



14.2.
Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen ISV is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake.[6] Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, geheel te vergoeden door verweerder.



Proceskosten




15.1.
De rechtbank zal de toegekende kostenvergoeding in de bezwaarfase voor auto 1 niet verhogen, omdat de vermindering van de naheffingsaanslag niet te wijten is aan een onrechtmatigheid van verweerder. De naheffingsaanslag is namelijk zuiver gebaseerd op de aangifte die eiser heeft gedaan. Eiser heeft in de bezwaarfase pas aangegeven dat ten onrechte de afschrijvingsmethode is toegepast in plaats van de taxatiemethode.



Gegronde beroepen




15.2.
Nu het beroep ten aanzien van auto 3 en 5 (SGR 23/7927 en 23/7929) gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 4.662 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1, vermenigvuldigd met een factor 1,5 omdat twee beroepen gegrond zijn).


(…)



[4] ECLI:NL:HR:2023:1572.
[5] HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3 en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700, r.o. 2.2.2
[6] Vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3 en HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, r.o. 3.2.3.”








Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd, meer specifiek of de waardeverminderingen wegens schade voor alle auto’s, met uitzondering van auto 2, op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Ter zake van auto 1 is in geschil of de Inspecteur belanghebbendes taxatierapport voldoende heeft betwist. Ter zake van auto 2 is in geschil of de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde juist zijn vastgesteld. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.



4.1.2.
Tussen partijen is ten aanzien van een eventueel toe te kennen proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase niet in geschil dat de gemachtigde van belanghebbende kwalificeert als een bijzonder geval in de zin van de tweede volzin van artikel 19a, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:155, r.o. 3.5.1 en 3.5.2 en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:671, r.o. 2.4.2).



4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en:


primair tot vernietiging van de naheffingsaanslagen;


subsidiair voor auto 1: tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 224.209, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 100.540, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 25.015 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op nihil;


subsidiair voor auto 2: tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 114.175, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 47.397, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 11.915 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 4.643;


subsidiair voor auto 3: tot vaststelling van de (historische) bruto bpm € 30.515, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 48.195, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 9.145 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 2.997;


subsidiair voor auto 4: tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 53.135, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 13.869 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 7.425;


subsidiair voor auto 5: tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 224.772, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 108.202, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 25.283 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 2.636;


meer subsidiair voor auto 5: tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 224.772, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 109.711, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 25.635 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 2.988;


subsidiair voor auto 6: tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 258.763, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 107.786, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 26.785 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 4.247.


Voorts concludeert belanghebbende tot een hogere proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase en verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten in hoger beroep.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.






Beoordeling van het hoger beroep



Tardiefverklaring (auto 2)




5.1.1.
De Inspecteur heeft op 7 april 2026 een nader stuk ingediend. Volgens de Inspecteur volgt uit dit stuk dat de reële handelsinkoopwaarde van auto 2 € 60.000 bedraagt. Belanghebbende heeft ter zitting bij het Hof verzocht om het nadere stuk wegens de late indiening buiten beschouwing te laten.



5.1.2.
Dienaangaande geldt dat gelet op artikel 8:58, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze stukken worden, bijzondere omstandigheden daargelaten, tot de gedingstukken gerekend. Partijen zijn conform artikel 8:58, lid 2, Awb in de uitnodiging voor de zitting van het Hof met dagtekening 26 januari 2026 erop gewezen dat nadere stukken uiterlijk tien dagen voor de zitting moeten worden ingediend.



5.1.3
Het nadere stuk van de Inspecteur is buiten deze termijn ingediend. Het nadere stuk is een dag voor de zitting door de administratie van het Hof ontvangen en met belanghebbende gedeeld. De inhoud van het nadere stuk betreft e-mailcorrespondentie die dateert van 29 oktober 2025. Mede gelet op de inhoud van het geschil lag het op de weg van de Inspecteur om het nadere stuk met daarin de e-mailcorrespondentie in een eerder stadium over te leggen. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur niet voldoende gelegenheid heeft gehad om het nadere stuk eerder over te leggen.



5.1.4.
Desgevraagd heeft de Inspecteur ter zitting toegelicht dat het stuk buiten de termijn is ingediend, omdat soms iets mis kan gaan in het administratieve proces van de Belastingdienst en hij niet altijd kan zien welke bijlagen bij het verweerschrift worden ingediend. Het Hof acht dit in dit geval een omstandigheid die voor rekening en risico van de Inspecteur komt. Belanghebbende is door de te late indiening niet in staat geweest het nadere stuk te beoordelen en daarop te reageren. Gelet op het voorgaande en de goede procesorde zal het Hof het nadere stuk van de Inspecteur buiten beschouwing laten.



5.1.5.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof een stuk overgelegd, zijnde een passage uit de toelichting op Artikel IX, onderdeel D (…) van de Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen en van enige overige uitvoeringsregelingen van 12 december 2012, nr. DB 2012-475M. De Inspecteur heeft ter zitting bij het Hof verzocht om dit stuk wegens de late indiening buiten beschouwing te laten.



5.1.6.
Het Hof is van oordeel dat geen redelijk (processueel) belang zich verzet tegen het in het geding brengen van het stuk van belanghebbende, nu het uitsluitend een passage uit de toelichting betreft die openbaar is te raadplegen en waarvan het Hof veronderstelt dat deze de Inspecteur al redelijkerwijs bekend is. Het Hof wijst het verzoek van de Inspecteur tot tardiefverklaring als voormeld derhalve af.



Taxatierapport (Auto 1)





5.2.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank in haar overwegingen 10.1 tot en met 10.3 op goede gronden heeft geoordeeld dat belanghebbendes taxatierapport niet kan dienen ter onderbouwing van de waarde van de auto. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.



Waardevermindering wegens schade (auto’s 3, 4, 5 en 6)




5.3.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat één of meer van de auto’s geen schade (anders dan normale gebruiksschade) had. Volgens belanghebbende blijkt uit de taxatierapporten en de bijgevoegde schadecalculatie dat sprake is van een waardevermindering wegens schade.



5.3.2.
Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat en in welke mate rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering vanwege schade aan de auto’s. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2).



5.3.3.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat één of meer van de auto’s ten tijde van het doen van de aangifte bpm meer schade (anders dan normale gebruiksschade) had dan door de Inspecteur is onderkend. De Rechtbank heeft dan ook in haar overweging 11.6 op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van de auto’s 3, 5 en 6 sprake is van een waardevermindering wegens schade en dat ten aanzien van auto 4 met meer schade rekening moet worden gehouden dan door de Inspecteur is onderkend. De enkele verwijzing naar de taxatierapporten, de bijgevoegde schadecalculatie en de daarbij behorende foto’s is daarvoor onvoldoende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur. Belanghebbende voldoet daarmee niet aan de op haar rustende bewijslast. De sporen die op de foto’s te zien zijn, zijn te kwalificeren als normale gebruikssporen voor de onderhavige auto’s.



Historische nieuwprijs (auto 2)





5.4.1.
Belanghebbende stelt dat de historische nieuwprijs van auto 2 op € 114.175 moet worden vastgesteld. Belanghebbende baseert dit op de in het rapport van DRZ vermelde netto catalogusprijs van € 70.434, € 14.791 btw (21%) en een (historische) bruto bpm van € 28.950.



5.4.2.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703 stelt het Hof de historische nieuwprijs van auto 2 vast op € 113.848, gebaseerd op de in het rapport van DRZ vermelde netto catalogusprijs van € 70.434, € 14.791 btw (21%) en een (historische) bruto bpm van € 28.623 zoals toegepast in de betreffende aangifte en naheffingsaanslag.



Handelsinkoopwaarde (auto 2)





5.5.1.
De Inspecteur stelt dat de handelsinkoopwaarde van auto 2 op minimaal € 59.740 dient te worden vastgesteld en baseert zich daarbij op een koerslijst van AutotelexPro waarin een handelsinkoopwaarde van € 59.740 is vermeld. De naheffingsaanslag is daardoor eerder te laag dan te hoog opgelegd.



5.5.2.
Het Hof zal de handelsinkoopwaarde vaststellen op € 47.397. De waarde is vastgesteld door DRZ, de deskundige van de Inspecteur, op basis van de bij het rapport van DRZ gevoegde koerslijst Xray. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de Inspecteur ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat dit de koerslijst van het meest geschikte referentievoertuig is. De Inspecteur heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om de bruikbaarheid van deze koerslijst in twijfel te trekken. Hoewel de bewijslast op belanghebbende rust, verzet geen rechtsregel zich ertegen dat belanghebbende zich beroept op bewijs van de wederpartij.



Tussenconclusie (auto 2)





5.5.3.
Uitgaande van een (historische) bruto bpm van € 28.623, een historische nieuwprijs van € 113.738 en een handelsinkoopwaarde van € 47.397, stelt het Hof de naheffingsaanslag ter zake van auto 2 vast op € 4.643 (€ 47.397/€ 113.848 x € 28.623 -/- € 7.273 (op aangifte voldaan) = € 4.643).



Naheffingsaanslag auto 5






5.6.
Het Hof heeft bevonden dat de uitspraak van de Rechtbank een misslag bevat. In de beslissing van de Rechtbank staat abusievelijk vermeld dat de naheffingsaanslag van auto 5 tot € 3.404 wordt verminderd, terwijl uit overweging 7 van de uitspraak van de Rechtbank blijkt dat de naheffingsaanslag van auto 5 tot € 2.988 wordt verminderd. Het Hof zal de naheffingsaanslag van auto 5 overeenkomstig het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende derhalve verder verminderen tot € 2.988. Aan wijziging van de naheffingsaanslag ter zake van auto 3 (met daarin een misslag in het voordeel van belanghebbende) komt het Hof niet toe, omdat de Inspecteur geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank en zich op het standpunt heeft gesteld dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd (vgl. Hoge Raad 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8547).



Proceskostenvergoeding bezwaarfase (auto 1)





5.7.
Belanghebbende stelt dat de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase tot een te laag bedrag is vastgesteld. Belanghebbende voert daarbij aan dat sprake is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbendes stelling miskent dat de Rechtbank de vergoeding van kosten in de bezwaarfase reeds heeft vastgesteld op twee punten tegen het ten tijde van de uitspraak van de Rechtbank geldende tarief van € 647 en wegingsfactor 1,5. Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding.


Slotsom




5.8.
Het hoger beroep is gegrond.






Proceskosten


6.1.
Er bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.998 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 666 x 1,5 (gewicht van de zaak)), € 2.802 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 1,5 (gewicht van de zaak)) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 6.668.



6.2.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 365, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 579 te worden vergoed (totaal € 944).




Beslissing


Het Gerechtshof:



vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover het de beslissingen omtrent de naheffingsaanslagen ter zake van auto 2 en auto 5, de proceskostenvergoeding en het griffierecht betreft;


vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op auto 2, auto 5 en de proceskostenvergoeding;


vermindert de naheffingsaanslag ter zake van auto 2 tot € 4.643;


vermindert de naheffingsaanslag ter zake van auto 5 tot € 2.988;


veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 6.668; en


gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 944 aan griffierechten te vergoeden.





Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.




De griffier, de voorzitter,












T.S.K.L. Tjon M.J.M. van der Weijden



De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).





Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.





Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.