Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:965
2017-06-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
16/03967
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2017:965 → ECLI:NL:GHDHA:2016:2165 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:965 → ECLI:NL:PHR:2017:81 gevolgd
Inhoudsindicatie
‘No cure no pay’ staat niet in de weg aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Citeert (4)
- ECLI:NL:PHR:2017:81 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2017
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2011:BT6841 Hoge Raad 07-10-2011
- ECLI:NL:HR:2012:BY2770 Hoge Raad 16-11-2012
Geciteerd door (122)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2289 Gerechtshof Den Haag 30-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1434 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2047 Gerechtshof Den Haag 13-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2870 Gerechtshof Den Haag 17-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8416 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2919 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2920 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2867 Gerechtshof Den Haag 18-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2864 Gerechtshof Den Haag 18-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2366 Gerechtshof Den Haag 12-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6667 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2236 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2237 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2423 Gerechtshof Amsterdam 02-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2774 Gerechtshof Amsterdam 02-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1836 Gerechtshof Den Haag 12-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1838 Gerechtshof Den Haag 12-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2142 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1038 Gerechtshof Amsterdam 03-04-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1030 Gerechtshof Amsterdam 01-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1105 Gerechtshof Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1102 Gerechtshof Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:243 Gerechtshof Den Haag 19-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:242 Gerechtshof Den Haag 19-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:495 Gerechtshof Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:494 Gerechtshof Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:81 Gerechtshof Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:497 Gerechtshof Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:79 Gerechtshof Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:496 Gerechtshof Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:82 Gerechtshof Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:262 Gerechtshof Den Haag 14-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2677 Gerechtshof Den Haag 13-11-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2195 Gerechtshof Den Haag 24-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2367 Gerechtshof Den Haag 23-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2360 Gerechtshof Den Haag 23-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2358 Gerechtshof Den Haag 23-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2366 Gerechtshof Den Haag 23-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1958 Gerechtshof Den Haag 22-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2249 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2247 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2246 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2245 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6433 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6432 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2981 Gerechtshof Amsterdam 10-09-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1383 Gerechtshof Den Haag 31-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1262 Gerechtshof Den Haag 10-07-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2517 Gerechtshof Amsterdam 04-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1198 Gerechtshof Den Haag 02-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:999 Gerechtshof Den Haag 18-06-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1524 Gerechtshof Amsterdam 04-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:775 Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3359 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3358 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2855 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2276 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2173 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2172 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2168 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (4.791 tekens)
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 16/03967
2 juni 2017
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 juli 2016, nr. BK-15/01084, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam (hierna: de heffingsambtenaar) tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 14/1175) betreffende de ten aanzien van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [Q] voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat] te [Q]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 9 februari 2017 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:81).
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hiervoor genoemde beschikking en aanslag is op 27 februari 2013 door de heffingsambtenaar ontvangen. Op 27 december 2013 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
2.1.2.
De Rechtbank heeft op 6 februari 2014 het beroepschrift ontvangen. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 21 oktober 2015.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep is overschreden en op grond daarvan een vergoeding van immateriële schade toegekend.
2.2.2.
Aan de toekenning van vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade doet volgens het Hof niet af dat namens belanghebbende een gemachtigde optreedt op basis van ‘no cure no pay’.
2.3.1.
Tegen de hiervoor in 2.2.1 en 2.2.2 weergegeven oordelen richt zich het middel.
2.3.2.
Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof heeft nagelaten vast te stellen dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, miskent het dat voor de toekenning van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn, het ontstaan van spanning en frustratie door dat tijdsverloop – behoudens bijzondere omstandigheden – wordt verondersteld (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140).
2.3.3.
Voor zover het middel klaagt over ’s Hofs in 2.2.2 weergegeven oordeel, faalt het eveneens. Aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn staat niet in de weg dat aan de belanghebbende bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’ (vgl. HR 7 oktober 2011, nr. 10/05199, ECLI:NL:HR:2011:BT6841, BNB 2011/281). Evenmin staat daaraan in de weg dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald (vgl. HR 16 november 2012, nr. 11/02517, ECLI:NL:HR:2012:BY2770, BNB 2013/41).
2.3.4.
De overige in het middel vervatte klachten kunnen ook niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam wordt een griffierecht geheven van € 503.
Derde Kamer
Nr. 16/03967
2 juni 2017
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 juli 2016, nr. BK-15/01084, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam (hierna: de heffingsambtenaar) tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 14/1175) betreffende de ten aanzien van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [Q] voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat] te [Q]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 9 februari 2017 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:81).
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hiervoor genoemde beschikking en aanslag is op 27 februari 2013 door de heffingsambtenaar ontvangen. Op 27 december 2013 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
2.1.2.
De Rechtbank heeft op 6 februari 2014 het beroepschrift ontvangen. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 21 oktober 2015.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep is overschreden en op grond daarvan een vergoeding van immateriële schade toegekend.
2.2.2.
Aan de toekenning van vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade doet volgens het Hof niet af dat namens belanghebbende een gemachtigde optreedt op basis van ‘no cure no pay’.
2.3.1.
Tegen de hiervoor in 2.2.1 en 2.2.2 weergegeven oordelen richt zich het middel.
2.3.2.
Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof heeft nagelaten vast te stellen dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, miskent het dat voor de toekenning van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn, het ontstaan van spanning en frustratie door dat tijdsverloop – behoudens bijzondere omstandigheden – wordt verondersteld (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140).
2.3.3.
Voor zover het middel klaagt over ’s Hofs in 2.2.2 weergegeven oordeel, faalt het eveneens. Aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn staat niet in de weg dat aan de belanghebbende bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’ (vgl. HR 7 oktober 2011, nr. 10/05199, ECLI:NL:HR:2011:BT6841, BNB 2011/281). Evenmin staat daaraan in de weg dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald (vgl. HR 16 november 2012, nr. 11/02517, ECLI:NL:HR:2012:BY2770, BNB 2013/41).
2.3.4.
De overige in het middel vervatte klachten kunnen ook niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam wordt een griffierecht geheven van € 503.