Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2011:BT6841
2011-10-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
10/05199
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2011:BT6841 → ECLI:NL:GHSGR:2010:BO2662 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Art. 8:75 Awb. Beroepsmatig verleende rechtsbijstand op basis van “no cure no pay” komt voor vergoeding in aanmerking.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (69)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2835 Gerechtshof Den Haag 02-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6107 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:959 Parket bij de Hoge Raad 05-09-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:3661 Rechtbank Limburg 18-04-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:2281 Rechtbank Oost-Brabant 16-04-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:1456 Rechtbank Amsterdam 04-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2611 Gerechtshof Den Haag 20-11-2024
- ECLI:NL:OGEAC:2024:184 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 29-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1141 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2028 Gerechtshof Den Haag 22-10-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2981 Gerechtshof Amsterdam 10-09-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2517 Gerechtshof Amsterdam 04-07-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1947 Gerechtshof Amsterdam 20-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:999 Gerechtshof Den Haag 18-06-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1524 Gerechtshof Amsterdam 04-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:409 Gerechtshof Den Haag 19-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:226 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:220 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:221 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:222 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:224 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:225 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8929 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8933 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8932 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8931 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8930 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8934 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8928 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1042 Parket bij de Hoge Raad 17-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1042 Parket bij de Hoge Raad 17-11-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:8798 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-10-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:8797 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-10-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:4883 Rechtbank Oost-Brabant 09-10-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:7546 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-09-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1768 Gerechtshof Den Haag 30-08-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1769 Gerechtshof Den Haag 30-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4390 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4399 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4392 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4395 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4391 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4396 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4400 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4389 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4398 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4397 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1909 Gerechtshof Den Haag 14-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:756 Parket bij de Hoge Raad 16-08-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:2551 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:3266 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-04-2020
- ECLI:NL:HR:2017:965 Hoge Raad 02-06-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1186 Gerechtshof Den Haag 25-04-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:81 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:81 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2017
- ECLI:NL:GHARL:2016:8256 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-10-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3041 Gerechtshof Den Haag 11-10-2016
- ECLI:NL:RBGEL:2016:3933 Rechtbank Gelderland 19-07-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1598 Gerechtshof Den Haag 31-05-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1597 Gerechtshof Den Haag 31-05-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (3.307 tekens)
nr. 10/05199
7 oktober 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 oktober 2010, nr. BK-10/00037, betreffende een ten aanzien van X te Z (hierna: belanghebbende) genomen beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: de woning) voor het jaar 2009 vastgesteld. Aan belanghebbende is voorts voor het jaar 2009 wegens het genot krachtens zakelijk recht en het gebruik van de woning een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Alphen aan den Rijn opgelegd naar de waarde vastgesteld bij voormelde beschikking.
Na door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaren heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn (hierna: de heffingsambtenaar) bij in één geschrift vervatte uitspraken de vastgestelde waarde en de aanslag gehandhaafd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 09/3189 WOZ) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd en de vastgestelde waarde en de aanslag verminderd.
2. Geding in cassatie
Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij vier middelen voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Daarbij verdient opmerking dat - zoals het Hof terecht heeft overwogen - aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet in de weg staat dat die bijstand is verleend op basis van "no cure no pay".
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2011.
Van de gemeente Alphen aan den Rijn wordt ter zake van het door het College ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.
7 oktober 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 oktober 2010, nr. BK-10/00037, betreffende een ten aanzien van X te Z (hierna: belanghebbende) genomen beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: de woning) voor het jaar 2009 vastgesteld. Aan belanghebbende is voorts voor het jaar 2009 wegens het genot krachtens zakelijk recht en het gebruik van de woning een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Alphen aan den Rijn opgelegd naar de waarde vastgesteld bij voormelde beschikking.
Na door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaren heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn (hierna: de heffingsambtenaar) bij in één geschrift vervatte uitspraken de vastgestelde waarde en de aanslag gehandhaafd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 09/3189 WOZ) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd en de vastgestelde waarde en de aanslag verminderd.
2. Geding in cassatie
Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij vier middelen voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Daarbij verdient opmerking dat - zoals het Hof terecht heeft overwogen - aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet in de weg staat dat die bijstand is verleend op basis van "no cure no pay".
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2011.
Van de gemeente Alphen aan den Rijn wordt ter zake van het door het College ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.