Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2003:AF7103
2003-04-11
Bestuursrecht; Belastingrecht
38281
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (39)
- ECLI:NL:HR:2026:859 Hoge Raad 05-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:782 Hoge Raad 05-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:744 Hoge Raad 01-05-2026
- ECLI:NL:HR:2025:1729 Hoge Raad 21-11-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1695 Hoge Raad 14-11-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1484 Hoge Raad 03-10-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1391 Hoge Raad 26-09-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1363 Hoge Raad 19-09-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1269 Hoge Raad 12-09-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1236 Hoge Raad 05-09-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1178 Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:HR:2025:993 Hoge Raad 27-06-2025
- ECLI:NL:HR:2025:965 Hoge Raad 20-06-2025
- ECLI:NL:HR:2025:941 Hoge Raad 13-06-2025
- ECLI:NL:HR:2025:862 Hoge Raad 06-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:507 Parket bij de Hoge Raad 02-05-2025
- ECLI:NL:HR:2025:248 Hoge Raad 28-02-2025
- ECLI:NL:HR:2025:336 Hoge Raad 28-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:91 Parket bij de Hoge Raad 24-01-2025
- ECLI:NL:HR:2024:1880 Hoge Raad 20-12-2024
- ECLI:NL:HR:2024:679 Hoge Raad 26-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:472 Parket bij de Hoge Raad 26-04-2024
- ECLI:NL:HR:2024:528 Hoge Raad 05-04-2024
- ECLI:NL:HR:2023:1746 Hoge Raad 15-12-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1677 Hoge Raad 18-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2020:657 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2020
- ECLI:NL:HR:2020:783 Hoge Raad 24-04-2020
- ECLI:NL:HR:2020:784 Hoge Raad 24-04-2020
- ECLI:NL:HR:2020:700 Hoge Raad 17-04-2020
- ECLI:NL:HR:2020:345 Hoge Raad 28-02-2020
- ECLI:NL:HR:2019:1778 Hoge Raad 15-11-2019
- ECLI:NL:HR:2019:511 Hoge Raad 05-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1442 Parket bij de Hoge Raad 31-12-2018
- ECLI:NL:HR:2018:1036 Hoge Raad 29-06-2018
- ECLI:NL:HR:2018:879 Hoge Raad 08-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1216 Parket bij de Hoge Raad 19-10-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1242 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2016
- ECLI:NL:PHR:2013:772 Parket bij de Hoge Raad 26-07-2013
- ECLI:NL:PHR:2013:781 Parket bij de Hoge Raad 26-07-2013
Volledige tekst
Volledige tekst (2.838 tekens)
Nr. 38.281
11 april 2003
wv
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 maart 2002, nr. BK-01/00682, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 21.455, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Op klachten, aan de Hoge Raad ter kennis gebracht na afloop van de termijn voor het indienen van een beroepschrift in cassatie - of, indien voor het motiveren van een beroepschrift op de voet van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht een termijn is gesteld: na afloop van die termijn - slaat de Hoge Raad geen acht. De door belanghebbende eerst bij de conclusie van repliek in cassatie aangevoerde klachten blijven derhalve buiten behandeling.
3.2. Voorzover de in het beroepschrift in cassatie aangevoerde klachten berusten op feiten waarvan uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat daarop ook reeds voor het Hof een beroep is gedaan, kunnen zij niet tot cassatie leiden, omdat behandeling van die klachten in zoverre een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is.
3.3. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2003.
11 april 2003
wv
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 maart 2002, nr. BK-01/00682, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 21.455, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Op klachten, aan de Hoge Raad ter kennis gebracht na afloop van de termijn voor het indienen van een beroepschrift in cassatie - of, indien voor het motiveren van een beroepschrift op de voet van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht een termijn is gesteld: na afloop van die termijn - slaat de Hoge Raad geen acht. De door belanghebbende eerst bij de conclusie van repliek in cassatie aangevoerde klachten blijven derhalve buiten behandeling.
3.2. Voorzover de in het beroepschrift in cassatie aangevoerde klachten berusten op feiten waarvan uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat daarop ook reeds voor het Hof een beroep is gedaan, kunnen zij niet tot cassatie leiden, omdat behandeling van die klachten in zoverre een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is.
3.3. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2003.