Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1199

2026-03-27 Bestuursrecht; Belastingrecht UTR 24/3154
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-03-27
Publicatiedatum
2026-03-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 24/3154
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WOZ. Geschil over de hoogte van de dwangsom, het beroep is gegrond omdat de heffingsambtenaar de hoogte van de dwangsom niet juist heeft vastgesteld. Eiser voert aan dat het cessieverbod van artikel 30a lid 4 en 5 van de Wet WOZ een uitzondering vormt op het recht van ongestoord eigendom. De rechtbank sluit zich aan bij de uitspraak van de HR van 31 januari 2025 dat de bestuursrechter niet bevoegd is om te oordelen over een dergelijke vraag.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.144 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummers: UTR 24/3154



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen




[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. N.V.M.R. Kerstges)


en




de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeente en hoogheemraadschap [gemeente] , verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)





Inleiding


1. In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 481.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar ook een aanslag onroerendzaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.



1.1.

Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar
van 12 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de waarde verlaagd naar € 400.000,-. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar een dwangsom toegekend van € 184,- vanwege het niet tijdig nemen van een uitspraak op het bezwaar.




1.2.
Tegen de vastgestelde dwangsom heeft eiser beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.3.

Het beroep is behandeld op de zitting van 7 januari 2026. De gemachtigde van
eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.






Beoordeling door de rechtbank



Het geschil



2. In geschil is de toegekende hoogte van de dwangsom. De heffingsambtenaar heeft een dwangsom ter hoogte van € 184,- toegekend. Eiser vindt dat de waarde € 276,- of € 392,- moet zijn, afhankelijk van de verzendadministratie van de heffingsambtenaar.
Beoordelingskader

3. Een dwangsom kan verschuldigd zijn wanneer een bestuursorgaan niet tijdig een besluit neemt op een aanvraag of bezwaar. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist en een ingebrekestelling krijgt, heeft een bestuursorgaan nog twee weken om een besluit te nemen. Die termijn van twee weken vangt aan wanneer het bestuursorgaan een ingebrekestelling ontvangt.

4. Na twee weken is het bestuursorgaan voor elke dag dat zij in gebreke blijft een geldbedrag verschuldigd. De dwangsom loopt tot en mét de dag waarop het besluit verzonden is.



Beoordeling van het geschil



5. Niet in het geschil is dat de ingebrekestelling is binnengekomen op 20 februari 2024. Dat betekent dat de heffingsambtenaar tot 5 maart 2024 de tijd heeft gehad om uitspraak te doen.

6. De heffingsambtenaar heeft de dwangsom vastgesteld op € 184,-, 8 dagen à € 23,- van 6 maart 2024 tot 13 maart 2024.

7. Eiser stelt dat de dwangsom verkeerd is vastgesteld. In de uitspraak op bezwaar staat dat de uitspraak is verzonden op 16 maart 2024. Als daarvan wordt uitgegaan, dan betekent dat dat de termijn waarover dwangsom is verschuldigd doorliep tot 16 maart 2024. Bovendien wijst eiser er op dat de uitspraak op bezwaar pas is aangekomen op 21 maart 2024. Gelet daarop is de uitspraak op bezwaar waarschijnlijk pas op 20 maart 2024 verzonden, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van eiser. Eiser pleit er in dat geval voor dat de dwangsom € 392,- bedraagt: 14 dagen (5 maart 2024 t/m 18 maart 2024) à € 23,- en 2 dagen (19 en 20 maart 2024) à € 35,-.

8. In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat uit onderzoek is gebleken dat de uitspraak op bezwaar inderdaad vertraagd is verzonden en stelt dat de termijn daarom loopt van 6 maart 2024 tot 20 maart 2024. Volgens de heffingsambtenaar moet de hoogte van de dwangsom worden vastgesteld op € 357,-. Ter zitting heeft eiser aangegeven daarmee akkoord te zijn.



Cessieverbod



9. Gemachtigde van eiser verzoekt de rechtbank te bepalen dat betaling van de proceskostenvergoeding rechtstreeks aan de gemachtigde van eiser dient plaats te vinden en vraagt de rechtbank voorbij te gaan aan artikel 30a, vierde en vijfde lid van de Wet WOZ. Het daarin neergelegde cessieverbod is volgens gemachtigde van eiser in strijd met artikel 1, protocol 1 van het EVRM. Volgens gemachtigde van eiser vormt het cessieverbod namelijk een uitzondering op het ongestoord genot van het eigendomsrecht van eiser die niet is toegestaan. Volgens eiser is die uitzondering niet proportioneel en onwerkbaar voor zowel bedrijven die op no-cure-no-pay basis rechtsbijstand verlenen als voor de gewone advocatuur. Eiser verzoekt de rechtbank de cessie tussen eiser en de gemachtigde van eiser dan ook te honoreren.

10. Artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ bepaalt sinds 1 januari 2024 dat het griffierecht, de proceskostenvergoeding en de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn rechtstreeks aan belanghebbende zelf worden moeten betaald. Het vijfde lid van dat artikel bepaalt dat vorderingen tot uitbetaling als bedoeld in het vierde lid niet vatbaar zijn voor vervreemding of verpanding. In zijn uitspraak van 31 januari 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de bestuurs- en belastingrechter niet bevoegd is een oordeel te geven over de wijze waarop een eventuele uitbetaling van de in artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ genoemde vergoedingen dient plaats te vinden. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd om te oordelen over een dergelijke vraag. De rechtbank zal dan ook niet inhoudelijk ingaan op de bezwaren van eiser tegen artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ.



Immateriële schadevergoeding



11. De gemachtigde van eiser heeft tijdens de zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.

12. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 30 maart 2023. De rechtbank constateert dat sinds de indiening van het bezwaarschrift de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) twaalf maanden is overschreden.

13. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het overgangsrecht is niet van toepassing, aangezien de redelijke termijn nog niet was overschreden op 14 juni 2024. Dat betekent dat het arrest van de Hoge Raad in dit geval van toepassing is. Eiser heeft slechts verzocht om een immateriële schadevergoeding. Niet gesteld noch gebleken is dat het financiële belang in deze zaak hoger is dan € 1.000,-. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.




Conclusie en gevolgen

14. Nu de hoogte van de dwangsom hoger is dan in de uitspaak op bezwaar is vastgesteld, is het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Eiser krijgt het griffierecht terug en vergoeding van zijn proceskosten.



Proceskostenvergoeding en griffierecht



15. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden en krijgt hij een vergoeding voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld.

16. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert.

17. De aanslag dateert van voor 1 januari 2024, waardoor bij de vaststelling van de proceskosten in de bezwaarfase de wettelijke vermenigvuldigingsfactor buiten toepassing blijft. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 666,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1).

18. De uitspraak op bezwaar dateert van na 1 januari 2024. De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase dan ook vast met toepassing van artikel 30a van de
Wet WOZ op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, waarbij wegingsfactor 0,5 wordt gehanteerd en vermenigvuldigingsfactor 0,25).

19. In totaal wijst de rechtbank € 899,50,- aan proceskosten toe.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de vastgestelde dwangsom;
- voorziet zelf in de zaak en stelt de dwangsom vast op een bedrag van € 357,-;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 899,50,- aan proceskosten aan eiser.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Vermeer, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.













griffier


rechter









Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Deze regeling is neergelegd in artikel 4:17 lid 1 Awb.


Artikel 4:17 lid 3 Awb.


De geldbedragen zijn te vinden in artikel 4:17 lid 2 Awb.


uit artikel 30a lid 4 Wet WOZ.


ECLI:NL:HR:2025:156.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5.


Conform het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer proceskostenvergoeding, 1.3 onder b, in de bijlage bij ECLI:NL:GHARL:2024:5335.