Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:3414

2026-05-27 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/1618
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-05-27
Publicatiedatum
2026-05-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1618
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Proceskostenvergoeding

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.614 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1618
uitspraakdatum: 27 mei 2026



Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 9 juli 2024, nummer LEE 22/4272, in het geding tussen belanghebbende en



de heffingsambtenaar van de gemeente Westerveld (hierna: de heffingsambtenaar)






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 442.000. Tegelijk met deze beschikking is een aanslag onroerendezaakbelasting en een aanslag rioolheffing vastgesteld.



1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslagen gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de waarde verminderd tot € 417.000 en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd. Verder heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade van € 500, heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar in de proceskosten veroordeeld, en verder bepaald dat de heffingsambtenaar het griffierecht dient te vergoeden.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, waarbij het Hof ten onrechte drie zaaknummers heeft aangemaakt. De zaaknummers 24/1619 en 24/1620 zullen administratief worden verwijderd.



1.5.
Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.






2Vaststaande feiten


2.1.
De Rechtbank heeft in de voorliggende uitspraak van 9 juli 2024 de proceskosten voor verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.185, te weten 1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 310, en verder 1 punt voor het ingediende beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde van € 875. De Rechtbank heeft daarbij een wegingsfactor van 0,5 gehanteerd.



2.2.
In een e-mail van 15 augustus 2024 heeft de gemachtigde van belanghebbende de heffingsambtenaar erop gewezen dat de Rechtbank de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag heeft vastgesteld gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 en dat er daarom een aanvullende vergoeding voor de bezwaarfase dient te worden toegekend.



2.3.
De gemachtigde heeft op 19 augustus 2024, twee dagen voor het verstrijken van de hogerberoepstermijn, hoger beroep ingediend. In het hogerberoepschrift verzoekt de gemachtigde het Hof, onder verwijzing naar voornoemd arrest, om de proceskostenvergoeding te corrigeren door een vergoeding van € 624 per punt te hanteren.



2.4.
Op 26 augustus 2024 heeft de heffingsambtenaar in verband met het onder 2.2 genoemde verzoek om aanvullende gegevens verzocht. De gemachtigde heeft op 29 augustus 2024 gereageerd.



2.5.
Op 3 september 2024 heeft de heffingsambtenaar een bedrag van € 628 overgemaakt naar de rekening van belanghebbende.






3Geschil


3.1.
In geschil in hoger beroep is de hoogte van de door de Rechtbank voor de bezwaarfase toegekende proceskostenvergoeding.



3.2.
Belanghebbende stelt dat ten onrechte niet is uitgegaan van de hoge puntwaarde in bezwaar. Wanneer het Hof tot een kostenveroordeling komt, verzoekt de gemachtigde om rechtstreekse uitbetaling van de proceskostenvergoeding aan hem. De gemachtigde stelt ter zake van het laatste punt dat belanghebbende de vorderingen vóór de invoering van artikel 30a, lid 4 en 5, van de Wet WOZ rechtsgeldig heeft gecedeerd, zodat aan de gemachtigde moet worden uitbetaald.



3.3.
De heffingsambtenaar concludeert tot een niet-ontvankelijk hoger beroep omdat er door de nabetaling geen procesbelang meer is. Subsidiair concludeert hij tot een ongegrond hoger beroep, omdat hij inmiddels geheel tegemoet is gekomen aan belanghebbende. Omdat het hier gaat om een uitbetaling na 1 januari 2024, dienen volgens de heffingsambtenaar de bepalingen van artikel 30a, lid 4 en 5, Wet WOZ te worden toegepast. Er is daarom terecht aan belanghebbende uitbetaald.






4Beoordeling van het geschil


4.1.
De heffingsambtenaar is, nadat belanghebbende hoger beroep heeft ingesteld, geheel tegemoetgekomen aan het hoger beroep van belanghebbende. Daarbij merkt het Hof op dat de heffingsambtenaar uiteindelijk meer heeft toegekend dan waarom, gelet op de gronden van het hoger beroep, is gevraagd, nu belanghebbende enkel is opgekomen tegen de hoogte van de puntwaarde en niet tegen de gehanteerde wegingsfactor. Wanneer een bestuursorgaan geheel tegemoetkomt aan de belanghebbende die een rechtsmiddel heeft aangewend, komt het belang bij de procedure die met dat rechtsmiddel is ingeleid in beginsel te vervallen. In zo’n geval behoort de bestuursrechter het rechtsmiddel niet-ontvankelijk te verklaren, en op de voet van artikel 8:74, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vergoeding van griffierecht te gelasten. Bovendien moet hij als hoofdregel het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten die op de voet van artikel 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komen. Dit is slechts anders als de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende. Van het laatste is het Hof in deze zaak niet gebleken, zodat zal worden overgegaan tot een veroordeling in de proceskosten voor het hoger beroep.



4.2.
Ter zake van de wijze van uitbetaling van de proceskostenvergoeding wijst het Hof erop dat de belastingrechter niet bevoegd is daarover een oordeel te geven. Belanghebbende dient zich bij een geschil over de uitbetaling van de proceskostenvergoeding te wenden tot de burgerlijke rechter.



Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk.







5Griffierecht en proceskosten


Gelet op het in 4.1 overwogene dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.



Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 23,35 (1 punt hogerberoepschrift  wegingsfactor 0,25 € 934 x factor 0,10 (artikel 30a, lid 2, Wet WOZ)).

















6Beslissing


Het Hof:


– verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 23,35,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.



De beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.




De griffier, De voorzitter,








(J.H. Riethorst) (T. Tanghe)



Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.



Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.



Vgl. HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1468, rechtsoverweging 3.2.1 en 3.2.2., HR 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:660, rechtsoverweging 2.3 en HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:155, rechtsoverweging 2.7.


Hoge Raad 20 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3148 en Hoge Raad 8 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8210.


Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, onderdeel 5.4.


Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.