Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4492

2026-07-07 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/716
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/716
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM. Diverse formeelrechtelijke grieven

Citeert (18)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (31.226 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/716
uitspraakdatum: 7 juli 2026



Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 februari 2024, nummer ARN 22/3791, in het geding tussen belanghebbende en



de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur), en



de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (hierna: de Staat).





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 7 januari 2022 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 5.002.



1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 mei 2022 het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarnaast de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500, veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van € 437,50 en bepaald dat de Staat het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.



1.5.
Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.



1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens A.F.J.M. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.





2Vaststaande feiten


2.1.
Belanghebbende heeft op 19 augustus 2021 aangifte gedaan in verband met de inschrijving in het Nederlandse kentekenregister van een Volkswagen Tiguan Allspace 2.0, met kenteken [kenteken1] (de auto).



2.2.
Volgens de aangifte heeft belanghebbende vanwege de gebruikte staat van de auto een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2021; hierna: de Wet BPM) in aanmerking genomen. Voor het bepalen van de hoogte van deze vermindering (de afschrijving) heeft zij gebruik gemaakt van de zogenoemde taxatiemethode als omschreven in artikel 10, lid 8, van de Wet BPM. Bij de aangifte is een taxatierapport van 17 augustus 2021 gevoegd.



2.3.
Belanghebbende is in de aangifte uitgegaan van de volgende gegevens, die overeenkomen met de gegevens in het taxatierapport:













Datum eerste toelating


Historische nieuwprijs


Handelsinkoop-waarde in onbeschadigde staat



Herstelkosten schade


In aanmerking te nemen % van de herstelkosten


Historische bruto bpm


BPM op aangifte te voldoen




21-11-2019


€ 65.861


€ 26.638,67


€ 11.833,07


100%


€ 15.222


€ 3.420







De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat heeft belanghebbende bepaald op basis van een vergelijking met referentievoertuigen daarbij rekening houdend met een handelsmarge van 20%. Belanghebbende heeft een bedrag van € 3.420 op aangifte voldaan.




2.4.
De Inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd de auto te tonen bij Domeinen Roerende zaken (DRZ). Belanghebbende heeft de auto getoond bij DRZ. DRZ heeft zijn bevindingen van de auto vastgelegd in een verslag van 30 augustus 2021 dat is ondertekend door [taxateur] . DRZ heeft geen meer dan normale gebruiksschade aan de auto geconstateerd. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ de naheffingsaanslag van € 5.002 opgelegd, welke als volgt is berekend:








Catalogusprijs


€ 45.108




Historische bruto BPM (CO2-uitstoot 165 gr/km)


€ 15.222




Historische nieuwprijs


€ 60.330












Afschrijvingspercentage aan de hand van forfaitaire tabel


44,668%












Verschuldigde BPM (€ 15.222 x (100 – 44,668%)) =


€ 8.422












Betaald op aangifte


-/- € 3.420




Naheffingsaanslag


€ 5.002










3Geschil


3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend. Daarnaast is in geschil of de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld.



3.2.
Belanghebbende heeft in hoger beroep de volgende beroepsgronden aangevoerd:

a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
c. Belanghebbende is ten onrechte niet gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag.
d. De Inspecteur heeft ten onrechte nageheven nadat het belastbare feit heeft plaatsgevonden, waarmee sprake is van een verschil in heffingsmodaliteit.
e. De bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering van de verschuldigde BPM rust in het licht van artikel 110 VWEU op de Inspecteur.
f. De bevindingen van DRZ kunnen niet tot bewijs dienen, nu de onafhankelijkheid van DRZ ten opzichte van de Inspecteur niet is gewaarborgd.
g. De catalogusprijs van de auto is hoger dan die waarvan de Inspecteur is uitgegaan bij het vaststellen van de naheffingsaanslag.
h. De handelsinkoopwaarde van de auto is lager dan die waarvan de Inspecteur is uitgegaan, de Inspecteur heeft daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met de in het bij de aangifte gevoegde taxatierapport gecalculeerde herstelkosten wegens schade.
i. De door de Rechtbank toegekende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is te laag.
j. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.






4Beoordeling van het geschil



Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht



4.1.
Belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.



4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.



4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.




Ad b. Vooraf heffen griffierecht




4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.



4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is om dezelfde redenen evenmin sprake.



4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.



Ad c. Verdedigingsbeginsel




4.7.
Belanghebbende stelt dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, nu hij niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag. Zo dit beginsel in het onderhavige geval al van toepassing is – het Hof kan dat in het midden laten – dan nog is van een schending daarvan geen sprake. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Dit betekent dat nu belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgenodigd schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus dat standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat belanghebbende ook wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek.



Ad d en e. Naheffing van BPM en bewijslast




4.8.
Belanghebbende betoogt dat te weinig geheven BPM niet op grond van artikel 20 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorrijtuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Dit betoog is niet juist.



4.9.
Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Volgens belanghebbende berusten stelplicht en - bij betwisting - bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren niet op haar. Ook dit betoog faalt. Op iemand die zich beroept op een vermindering van de verschuldigde BPM rust de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die daartoe kunnen leiden. Daarbij moet diegene wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Artikel 110 VWEU verzet zich dan niet tegen deze bewijslastverdeling.



Ad f. Onafhankelijkheid DRZ




4.10.
Belanghebbende stelt dat de onafhankelijkheid van DRZ ten opzichte van de Inspecteur niet is gewaarborgd en wijst er daarbij op dat degene die het verslag van DRZ heeft ondertekend in dienst is van de Belastingdienst. Volgens belanghebbende moeten daarom de bevindingen van de DRZ buiten beschouwing blijven. Het Hof verwerpt deze beroepsgrond van belanghebbende. Het staat de Inspecteur vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Dat die deskundige werkzaam is bij de Belastingdienst, staat daaraan niet in de weg. Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende aanvoert ook geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van de taxateur van DRZ en evenmin aanleiding om minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. Niet is gebleken dat de Inspecteur (de taxateur van) DRZ heeft beïnvloed of geïnstrueerd over de wijze van taxeren van de auto. Het Hof merkt hierbij nog op dat het Hof de bewijsmiddelen van partijen weegt en aan belanghebbendes bewijsmiddelen geen hogere eisen stelt dan aan die van de Inspecteur.



Ad g. Catalogusprijs




4.11.
Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur de catalogusprijs van de auto onjuist, dat wil zeggen te laag, heeft vastgesteld. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur geen rekening gehouden met alle extra voorzieningen waarover de auto beschikt. Belanghebbende heeft in dit verband in hoger beroep een uitdraai van een koerslijst van XRAY overgelegd, waaruit een catalogusprijs van € 52.922 volgt. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij is uitgegaan van de juiste catalogusprijs.



4.12.
Het Hof overweegt dat op belanghebbende de bewijslast rust om de juistheid van de catalogusprijs te onderbouwen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende in dit geval aan de hand van de door hem overlegde koerslijst van XRAY aannemelijk gemaakt dat de catalogusprijs van de auto moet worden gesteld op € 52.922. Het Hof overweegt daartoe dat tussen partijen niet in geschil is dat alle extra voorzieningen waarover de auto beschikt, zijn genoemd in het door de Inspecteur overgelegde SilverDAT VIN-informatie Rapport van de auto en dat deze extra voorzieningen zijn aangebracht door of namens de fabrikant of de importeur. De in de door belanghebbende overgelegde koerslijst van XRAY genoemde extra voorzieningen, worden alle genoemd in dit SilverDAT VIN-informatie Rapport. De Inspecteur heeft verder de prijzen die voor deze extra voorzieningen zijn opgenomen in de koerslijst van XRAY niet bestreden.




Ad h. Handelsinkoopwaarde




4.13.
Uit hetgeen het Hof hiervoor in 4.12. heeft overwogen over de catalogusprijs van de auto, volgt dat de auto voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. Met belanghebbende is het Hof daarom van oordeel dat ook wat betreft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat kan worden aangesloten bij de handelsinkoopwaarde van € 37.362 die volgt uit deze koerslijst. Anders dan belanghebbende betoogt, bestaat er op grond van Unierecht geen aanleiding om op deze koerslijst een extra korting toe te passen wegens ‘ex-rental’. Belanghebbende heeft in dit verband ook niet gemotiveerd gesteld dat de auto een huurverleden heeft of vergelijkbaar is met een auto met een huurverleden. Het Hof heeft verder op basis van de vele foto’s in het dossier, opgenomen in het taxatierapport van belanghebbende en het verslag van DRZ, niet de door belanghebbende gestelde meer dan normale gebruiksschade kunnen constateren. Ook overigens heeft belanghebbende de door haar gestelde meer dan normale gebruiksschade niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat voor de berekening van de vermindering van BPM uit moet worden gegaan van een handelsinkoopwaarde van € 37.362.



4.14.
Hetgeen het Hof hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde leidt ertoe dat de naheffingsaanslag als volgt moet worden vastgesteld:








Catalogusprijs


€ 52.922




Historische bruto BPM (CO2-uitstoot 165 gr/km)


€ 15.222




Historische nieuwprijs


€ 68.144












Handelinkoopwaarde (onbeschadigd XRAY)


€ 37.362












Afschrijvingspercentage


45,16%












Verschuldigde BPM (€ 15.222 x (100 – 45,16%)) =


€ 8.346




Extra leeftijdskorting


-/ € 136




Verschuldigde BPM (na leeftijdskorting)


€ 8.212












Betaald op aangifte


-/- € 3.420




Naheffingsaanslag


€ 4.792








Ad i. Vergoeding van immateriële schade in eerste aanleg




4.15.
Belanghebbende betoogt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg te laag heeft vastgesteld, omdat op grond van het Unierecht een hogere vergoeding moet worden toegekend. Het Hof volgt belanghebbende niet in dit betoog. Belanghebbende kan op grond van het Unierecht geen aanspraak maken op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn dan de vergoeding die door de Rechtbank is toegekend.



Ad j. Vergoeding van immateriële schade in hoger beroep




4.16.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Belanghebbende heeft op 2 april 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Dit betekent dat belanghebbende, met toepassing van artikel 19a, lid 3, Wet BPM, recht heeft op een vergoeding van € 50, te vergoeden door de Staat. Anders dan belanghebbende betoogt is artikel 19a, lid 3, Wet BPM niet in strijd met het Unierecht. Het Hof merkt hierbij nog op dat belanghebbende ter onderbouwing van zijn standpunt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, onder meer heeft verwezen naar het bij de aangifte overgelegde taxatierapport dat is opgesteld door een door belanghebbende ingeschakelde taxateur. Als gevolg daarvan kan niet worden gezegd dat belanghebbende de naheffingsaanslag in zijn geheel tegen beter weten in bestrijdt en daarom het financiële belang in deze zaak minder is dan € 1.000.



Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Ook heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.







5Griffierecht en proceskosten


5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden. De Rechtbank heeft in haar uitspraak de Staat opgedragen het in verband met het beroep betaalde griffierecht te vergoeden. De Staat heeft geen hoger beroep ingesteld, zodat het Hof deze beslissing in stand zal laten.



5.2.
De Rechtbank heeft de kosten van belanghebbende voor de behandeling van het beroep vastgesteld op € 437,50 en de Staat veroordeeld tot het vergoeden daarvan. Deze veroordeling houdt verband met de veroordeling van de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij is uitgegaan van een wegingsfactor van 0,5. Omdat de Staat geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof ook deze beslissing in stand laten.



5.3.
In hoger beroep heeft belanghebbende – anders dan in eerste aanleg – (gedeeltelijk) gelijk gekregen over het geschil betreffende de naheffingsaanslag, zodat het Hof aanleiding ziet de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.332 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)  wegingsfactor 1  € 666), € 1.868 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934) en € 467 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934 x 0,25 (wegens toepassing van artikel 19a, lid 2, Wet BPM)), ofwel in totaal op € 3.667. Opmerking verdient in dit verband dat belanghebbende niet heeft gesteld dat zij een bijzonder geval is in de zin van artikel van de tweede volzin van artikel 19a, lid 2, Wet BPM. Anders dan belanghebbende betoogt, is artikel 19a, lid 2, Wet BPM niet in strijd met het Unierecht. Nu de Staat door de Rechtbank reeds is veroordeeld in de proceskosten voor een bedrag van € 437,50, zal het Hof de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van een bedrag aan proceskosten van € 3.229,50 (= € 3.667 -/- € 437,50).



5.4.
Het bedrag aan proceskosten en het bedrag van de immateriële schadevergoeding moeten op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a, lid 4, Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening worden uitbetaald. Het Hof als belastingrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of deze bedragen moeten worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.






6Beslissing


Het Hof:


– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoedingen van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht ten laste van de Staat,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
– vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.792,
– veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 50,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.229,50,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het betaalde griffierecht van € 559 in verband met het hoger beroep bij het Hof, en
– bepaalt dat voornoemde vergoedingen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.





Deze uitspraak is gedaan door, mr. R.R. van der Heide voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.



De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.




De griffier, De voorzitter,







(E.D. Postema) (R.R. van der Heide)







Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.



Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.




De historische nieuwprijs is de in artikel 10, lid 2, van de Wet BPM bedoelde som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 5, van de Wet BPM, en het bedrag aan BPM op het tijdstip waarop de te registreren auto voor het eerst in gebruik is genomen.


Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687.


Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.


Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.


Hoge Raad 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.


Vgl. Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917, r.o. 4.2.3.


Hoge Raad 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1.


Hoge Raad 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1.


Hoge Raad 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2.


Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8.


Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.6; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8.


Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10322, r.o. 4.8.


Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.4.3.


De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.


Artikel 19a, lid 3, Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze bepaling vindt toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan sprake, nu het hogerberoepschrift na 1 januari 2024 is ingediend.


Artikel 19a, lid 2, Wet BPM is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op een proceskostenvergoeding in een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank die is bekendgemaakt na 1 januari 2024 (artikel IV, aanhef en letter a Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan sprake, nu de rechtbankuitspraak na 1 januari 2024 is bekendgemaakt. Verder wordt in het onderhavige geval het bestreden besluit vernietigd, zodat de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 van toepassing is.


Zie Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.1. en 3.5.2.


Vergelijk Hoge Raad 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:399, r.o. 2.3.


Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.