Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:393
2019-03-22
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/01157
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:393 → ECLI:NL:GHSHE:2018:567
Inhoudsindicatie
BPM; Unierechtelijk verdedigingsbeginsel; art. 20 AWR; art. 110 VWEU; gelegenheid geven om te worden gehoord voordat een belastingaanslag wordt opgelegd; uitleg ‘horen’; naheffing BPM ook mogelijk nadat het motorvoertuig te naam is gesteld; geen discriminatie in de zin van art. 110 VWEU.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2017:843
- ECLI:NL:HR:2015:3467 Hoge Raad 04-12-2015
Geciteerd door (315)
- ECLI:NL:HR:2026:1494 Hoge Raad 18-09-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1415 Hoge Raad 18-09-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1494 Hoge Raad 18-09-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1415 Hoge Raad 18-09-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5579 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5579 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:5579 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22358 Rechtbank Den Haag 23-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20115 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20121 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20119 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20113 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22348 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20117 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20115 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20124 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20119 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21978 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20124 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22351 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20117 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21978 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22354 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22128 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22133 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22341 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22351 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20108 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22348 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22354 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20113 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20121 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20108 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20106 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20122 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4492 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4492 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20112 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4492 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4486 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20112 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20110 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20110 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20109 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20109 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20114 Rechtbank Den Haag 01-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20114 Rechtbank Den Haag 01-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19818 Rechtbank Den Haag 01-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19817 Rechtbank Den Haag 01-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19817 Rechtbank Den Haag 01-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19818 Rechtbank Den Haag 01-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20107 Rechtbank Den Haag 29-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17940 Rechtbank Den Haag 29-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17944 Rechtbank Den Haag 29-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19819 Rechtbank Den Haag 29-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19819 Rechtbank Den Haag 29-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20107 Rechtbank Den Haag 29-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18009 Rechtbank Den Haag 29-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18019 Rechtbank Den Haag 29-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17945 Rechtbank Den Haag 29-06-2026
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.462 tekens)
22 maart 2019
Nr. 18/01157
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 februari 2018, nr. 17/00357, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/1135) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
Middel I steunt op de opvatting dat het in het Unierecht verankerde recht van eenieder om te worden ‘gehoord’ voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, betekent dat het bestuursorgaan in elk geval de belanghebbende moet uitnodigen voor een hoorgesprek.
Middel I faalt. Het hiervoor bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor hem nadelig besluit wordt genomen, houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zijn standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken (vgl. HvJ 9 november 2017, Teodor Ispas, C-298/16, ECLI:EU:C:2017:843, punt 26, en HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467). Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken. Wel mag de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormen voor de belanghebbende om van zijn recht gebruik te maken. Dit betekent dat als de belanghebbende is uitgenodigd om schriftelijk zijn standpunt kenbaar te maken en hij in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus zijn standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat hij wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de te weinig geheven belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) op grond van artikel 20 AWR kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Het Hof heeft verder geoordeeld dat het opleggen van een naheffingsaanslag in de bpm aan de koper van een dergelijk motorvoertuig, geen schending van artikel 110 VWEU vormt voor zover die naheffingsaanslag niet leidt tot een hoger bedrag aan bpm dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op gebruikte, in het binnenland geregistreerde motorvoertuigen. Dat een koper kosten van rechtsbijstand zou moeten maken om te laten vaststellen of de naheffingsaanslag in de bpm (on)rechtmatig is, maakt naar het oordeel van het Hof niet dat gezegd kan worden dat een dergelijk motorvoertuig zwaarder wordt belast in de zin van artikel 110 VWEU dan een aangekocht, gebruikt en in het binnenland geregistreerd motorvoertuig.
Middel II is gericht tegen deze oordelen van het Hof. Het middel faalt, omdat deze oordelen juist zijn.
2.3.
Middel III kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, omdat dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2019.
Nr. 18/01157
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 februari 2018, nr. 17/00357, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/1135) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
Middel I steunt op de opvatting dat het in het Unierecht verankerde recht van eenieder om te worden ‘gehoord’ voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, betekent dat het bestuursorgaan in elk geval de belanghebbende moet uitnodigen voor een hoorgesprek.
Middel I faalt. Het hiervoor bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor hem nadelig besluit wordt genomen, houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zijn standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken (vgl. HvJ 9 november 2017, Teodor Ispas, C-298/16, ECLI:EU:C:2017:843, punt 26, en HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467). Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken. Wel mag de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormen voor de belanghebbende om van zijn recht gebruik te maken. Dit betekent dat als de belanghebbende is uitgenodigd om schriftelijk zijn standpunt kenbaar te maken en hij in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus zijn standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat hij wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de te weinig geheven belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) op grond van artikel 20 AWR kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Het Hof heeft verder geoordeeld dat het opleggen van een naheffingsaanslag in de bpm aan de koper van een dergelijk motorvoertuig, geen schending van artikel 110 VWEU vormt voor zover die naheffingsaanslag niet leidt tot een hoger bedrag aan bpm dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op gebruikte, in het binnenland geregistreerde motorvoertuigen. Dat een koper kosten van rechtsbijstand zou moeten maken om te laten vaststellen of de naheffingsaanslag in de bpm (on)rechtmatig is, maakt naar het oordeel van het Hof niet dat gezegd kan worden dat een dergelijk motorvoertuig zwaarder wordt belast in de zin van artikel 110 VWEU dan een aangekocht, gebruikt en in het binnenland geregistreerd motorvoertuig.
Middel II is gericht tegen deze oordelen van het Hof. Het middel faalt, omdat deze oordelen juist zijn.
2.3.
Middel III kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, omdat dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2019.