Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22341

2026-07-14 Bestuursrecht; Belastingrecht SGR 23 / 7163
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 23 / 7163
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM

Citeert (13)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (41.414 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Team belastingrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 23 / 7163


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

SBJ Automotive B.V., gevestigd te Rotterdam , eiseres
(gemachtigde: A.FM.J. Verhoeven)


en


de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder




Procesverloop


Verweerder heeft aan eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 7 oktober 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 2.185. Er is daarbij geen belastingrente in rekening gebracht.



Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2023 het bezwaar ongegrond verklaard en geen proceskosten vergoed.



Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld op 1 november 2023.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 29 november 2023.



Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] .





Overwegingen



Feiten


1. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 16 november 2021, voor de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz CLA-klasse uit België, waarvan het voertuigidentificatienummer eindigt op [nummer] (hierna: auto), in het kentekenregister. De registratie is op 18 maart 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken ( [kenteken] ).

2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld.









Datum eerste toelating



3 februari 2020





CO2-uitstoot



141 gr/km WLTP





Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties



€ 32.055





Bruto bpm



€ 5.038





Historische nieuwprijs cf. taxatierapport



€ 44.903





Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport



€ 4.580





Verschuldigde bpm



€ 513






3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] en ondertekend door [naam 4] . Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 1 januari 2022 tussen 9:00 en 9:30 uur te Rotterdam. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 32.951,67 waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken vastgesteld op € 21.781,65 inclusief btw. Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.

4. Verweerder verwerpt het taxatierapport van eiseres, met de reden dat verweerder vermoed dat de auto voorafgaand aan de keuring bij de RDW reeds gerepareerd is. Verweerder heft na op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel.

5. Bij brief van 2 augustus 2022 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de verwerping van het taxatierapport en de berekeningen door verweerder heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 2.695. Na aftrek van de voldane bpm (€ 513), resteert een te betalen bedrag van € 2.182. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eisers op 14 september 2022 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd op 7 oktober 2022.



Geschil 6.In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.

7. Eiseres heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:


Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiseres acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiseres ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;


Uitlegging van de Hoge Raad over diverse door eiseres in eerdere procedures ingenomen standpunten, zoals de mogelijkheid na te heffen na het belastbaar feit, de schending van het verdedigingsbeginsel en de bewijslastverdeling acht eiseres onverbindend en rechtsongeldig, omdat de rechtmatigheid van artikel 81 lid 1 RO in geschil is door de ABRvS (13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632);


Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiseres in kennelijke strijd met het recht van de Unie;


De verplichting tot het betalen van griffierecht voorafgaande aan de behandeling van het beroep leidt tot een onevenredige belemmering van eisers rechten;


Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;


De rechten van eiseres, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;


Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;


De bewijslast met betrekking tot de hoogte van de te betalen bpm berust volledig bij verweerder;


Verweerder heeft het door eiser gehanteerde taxatierapport onterecht verworpen;


De wetswijziging van 1 januari 2023 heeft tot gevolg dat het belastbaar feit is gewijzigd. Hierdoor heeft eiser recht op een extra leeftijdskorting;


Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht;


Er dient een leeftijdskorting vergoed te worden, indien er zich meer dan vijf dagen bevinden tussen datum aangifte en datum tenaamstelling;


De gewijzigde wijze van heffing, waarbij thans een CO2-meting met behulp van de zogenaamde WLTP-methode plaatsvindt terwijl in het verleden gebruik werd gemaakt van de NEDC-methode, leidt tot een verboden onderscheid en daarmee tot schending van artikel 110 VWEU;


Verweerder had gebruik moeten maken van de Scandinavische rekenmethode. Eiseres verwijst daarvoor naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:1963);


Eiseres heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.




Eiseres concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.


8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.



Beoordeling van het geschil


10. Eiseres heeft verschillende niet ter zake doende argumenten aangevoerd. Hierop zal de rechtbank niet ingaan. Eiseres voert als grief aan dat verweerder belastingrente in rekening heeft gebracht, maar er is geen belastingrente in rekening gebracht. Eiseres voert ook als grief aan dat DRZ niet ontvankelijk is, terwijl er geen DRZ heeft plaatsgevonden. Daarnaast voert eiseres als grief aan dat verweerders keuze voor ambtshalve teruggaaf onjuist en nadelig is, maar er heeft geen ambtshalve teruggaaf plaatsgevonden.



De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)


11. Eiseres heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van het VWEU. Eiser heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiser evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiser niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiser genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.

12. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiser dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiser in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.



De stelling dat de arresten van de Hoge Raad niet kunnen worden gevolgd (grief b)


13. Het betoog van eiseres, dat de Hoge Raad niet bevoegd is Unierechtelijke regelgeving te beoordelen en dat deze jurisprudentie daarom ‘onverbindend en rechtsongeldig’ is, onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank er op, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea (ECLI:EU:C:2015:74), dat in zijn algemeenheid het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Dat de Hoge Raad in onderhavig geval buiten zijn bevoegdheden is getreden is door eiser niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover eiser in dit verband een beroep doet op het recente arrest in de zaak Remling, C-767/23, EU:C:2025:486 inzake onder meer de toepasselijkheid van artikel 81 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, stelt de rechtbank vast dat voornoemd artikel geen betrekking heeft op de wijze van afdoening van rechtsgeschillen door rechtbanken en gerechtshoven, zodat ook een toekomstig oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie over deze materie geen gevolgen kan hebben voor de uitkomst van het onderhavige beroep.




De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief c)


14. In dit kader heeft eiseres betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiser volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.

15. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.

16. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiser opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.

17. Anders dan eiseres betoogt doet zich, bij de inschrijving in het kentekenregister van gebruikte uit andere lidstaten afkomstige voertuigen en de daarmee verbonden heffing van bpm, niet de situatie voor dat de bij de vaststelling van de grondslag van de berekende belasting waarderingsfactoren in aanmerking worden genomen die een waardeverschil ten opzichte van het overeenkomstige nationale product creëert of vergroot. Het heffingsmoment, de registratie in het kentekenregister, is immers bij dat overeenkomstige nationale product over het algemeen de datum van eerste toelating in Nederland. Op dat moment zijn er eenvoudigweg nog geen waarde verminderende factoren die tot een lagere heffing kunnen leiden. Dat in de spaarzame gevallen waarin een binnenlands product wel op een later moment aan de heffing wordt onderworpen – zoals bijvoorbeeld bij voormalige taxi’s - een waarderingsmethode wordt gehanteerd die afwijkt van de methode die wordt gebruikt bij geïmporteerde voertuigen is gesteld noch gebleken.

18. Ook het betoog van eiseres dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.



De heffing van griffierecht (grief d)


19. Eiseres stelt onder verwijzing naar het arrest Kantarev dat het griffierecht in ieder geval niet meer mag bedragen dan 4% van het in geschil zijnde bedrag. Ook het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus eiseres.

20. Uit het arrest Kantarev kan niet de algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4% van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Verder geldt dat de Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht niet van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. De rechtbank betrekt in het oordeel dat ter zake van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan kan worden indien de heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. De klachten van eiser over het griffierecht, mede omvattend het vooraf betalen daarvan, treffen daarom geen doel.



De hoorplicht in de bezwaarfase (grief e)


21. Eiseres stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiseres voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar twee keer is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 29 november 2022, namelijk bij brieven van 8 november 2022 en 14 november 2022. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiser gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd en vervolgens retour ontvangen door verweerder. De brieven zijn ook per gewone post aan gemachtigde gezonden. Verweerder heeft de dossiers ook digitaal aan gemachtigde aangeboden. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiseres heeft niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek.

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.



De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief f)


23. Eiseres stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiseres daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiseres bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiser nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiseres is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiseres in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.

24. In het onderhavige geval heeft eiseres met dagtekening 2 augustus 2022, respectievelijk 14 september 2022, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiseres kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eisers rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU) kan hier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiseres naar artikel 47 HGEU maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. De verwijzing van eiser naar artikel 7:2 van de Awb biedt voor een dergelijke verplichting ook geen grondslag. Deze nationaal rechtelijke bepaling heeft betrekking op de bezwaarfase en niet op de periode voorafgaande aan de besluitvorming. In laatstgenoemde fase gaat het erom dat een bestuursorgaan de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij de voorbereiding van zijn besluit. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Vormvereisten zijn daarin – anders dan voor de bezwaarfase – niet gegeven. Een tweemaal gegeven mogelijkheid om schriftelijk te reageren acht de rechtbank niet in strijd met dat zorgvuldigheidvereiste. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.



De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief g)
25. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt - brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.

De verdeling van de bewijslast (grief h)


26. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:296) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, de plicht rust om feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien de belastingplichtige er in is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat, met die feiten in aanmerking genomen, de geheven belasting niet in strijd is met artikel 110 VWEU. De heffing op geïmporteerde gebruikte auto’s mag, al dan niet rechtstreeks, niet tot een hogere binnenlandse belasting leiden dan welke van gelijksoortige nationale producten wordt geheven en de import van dergelijke auto’s mag niet onderworpen zijn aan een zodanige binnenlandse belasting, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen concludeert de rechtbank dat eiseres niet aan de bewijslast voldaan heeft.


De aan het taxatierapport van eiser toe te kennen belang (grief i)

27. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder het bij de aangifte gevoegde taxatierapport ten onrechte heeft verworpen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Daartoe is redengevend dat het taxatierapport niet voldoet aan de daaraan in de Uitvoeringsregeling bpm gestelde eisen (artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling in samenhang met de Bijlage bij de Uitvoeringsregeling), nu geen aankoopfactuur of aankoopverklaring van de auto is bijgevoegd. Eiser heeft deze bescheiden ook niet later in de procedure alsnog ingebracht. Reeds daarom komt aan het taxatierapport niet de betekenis toe die eiser daaraan toegekend wenst te zien. Ook het verschil in CO2 uitstoot draagt bij aan dit oordeel. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een deel van de gestelde schade al is gerepareerd voorafgaand aan de keuring door de RDW. Eiseres heeft daar niet afdoende op gereageerd zodat de rechtbank het standpunt van verweerder aannemelijk acht.



Wijziging belastbaar feit per 1 januari 2023; strijd met artikel 110 VWEU (grief j)


28. Eiser heeft gesteld dat verweerder ten onrechte geen dan wel over een te korte periode een leeftijdskorting heeft toegepast, zich daarbij baserend op de wetswijziging in de nationale wet- en regelgeving per 1 januari 2022. Dat is – zo heeft eiser gesteld – in kennelijke strijd met het recht van de Unie, nu volgens vaste rechtspraak van het Hof in dergelijke gevallen uitgegaan moet worden van de geldende heffings- en betalingsmodaliteiten ten tijde van de eerste toelating van het voertuig (Hof van Justitie, 16 november 2023, NM, EU:C:2023:888, dictum). Artikel 110 VWEU, welk artikel rechtstreeks en met voorrang doorwerkt in de nationale rechtsorden, richt zich met een fiscaal discriminatieverbod tot de lidstaten en moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat op de datum waarop in een lidstaat een voertuig dat voor het eerst in een andere lidstaat werd geregistreerd tot verbruik wordt uitgeslagen, een motorrijtuigenbelasting wordt berekend volgens de op die datum geldende regels, terwijl op de datum waarop dat voertuig voor het eerst werd geregistreerd een eerdere versie van die belastingregeling van kracht was die tot een lagere belastingheffing zou hebben geleid en van toepassing was op gelijksoortige voertuigen met dezelfde relevante kenmerken als dat voertuig, maar die voor het eerst in eerstgenoemde lidstaat zijn geregistreerd, indien en voor zover het bedrag van de belasting die op dat ingevoerde voertuig wordt geheven hoger is dan de restwaarde van de belasting die vervat is in de waarde van soortgelijke nationale voertuigen op de binnenlandse markt van tweedehands voertuigen. Aldus geldt volgens eiser voor voertuigen met een datum eerste toelating voor 1 januari 2022 nog immer dat voor de berekening van de verschuldigde belasting uitgegaan dient te worden van de tenaamstelling als het belastbare feit. Bijgevolg heeft eiser recht op een extra leeftijdskorting.

29. Verweerder heeft het standpunt van eiser verworpen en heeft daartoe een beroep gedaan op uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie door de Hoge Raad der Nederlanden in zijn arrest van 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, maar die uitlegging is – zo heeft eiser gesteld – a priori rechtsongeldig en onverbindend, nu de Hoge Raad geen bevoegdheid heeft om die uitlegging te geven (Hof van Justitie, 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.0. 52 en 72). Aldus is het standpunt van verweerder volgens eiser onrechtmatig.

30. Verweerder heeft het vorenstaande gemotiveerd bestreden. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiser en sluit zich aan bij overwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.6 van de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 24 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2915. De rechtbank maakt deze overwegingen tot de hare.



De hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief k)


31. Het door eiseres bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Het taxatierapport moet in ieder geval één maand voorafgaand aan de aangifte worden opgemaakt. Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om het taxatierapport van eiser te volgen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.



De zogenaamde ‘(extra-)leeftijdskorting’ (grief l)


32. Eiseres stelt dat in het onderhavige geval een leeftijdskorting vergoed dient te worden, omdat er zich meer dan vijf dagen bevinden tussen de datum van de aangifte (in casu 16 november 2021) en de datum van de tenaamstelling (in casu 18 maart 2022).

33. Verweerder stelt zich dienaangaande op het standpunt dat extra leeftijdskorting niet van toepassing is bij onderhavige naheffing.

34. Eiseres stelt dat er altijd extra leeftijdskorting moet worden toegepast als er meer dan vijf werkdagen zijn verstreken tussen de aangifte en de tenaamstelling. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiseres naar een uitspraak van rechtbank Gelderland van 24 oktober 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:4793). De rechtbank begrijpt dat eiseres doelt op de volgende passage uit die uitspraak.


“(…)artikel 6, tweede lid, van de Wet bpm (…) is naar het oordeel van de rechtbank echter niet in strijd met het Unierecht. Daarbij is van belang dat er standaard (op basis van goedkeurend beleid in het Kaderbesluit bpm, nr. 2017/1135M) rekening wordt gehouden met een termijn van vijf werkdagen tussen de aangifte en registratie. De rechtbank acht het aannemelijk dat in het merendeel van de gevallen die termijn genoeg is om de registratie af te ronden. Voor zover dat in het individuele geval niet lukt, bestaat recht op leeftijdskorting.”


35. De rechtbank stelt voorop dat in de laatste zin de tekst logischerwijze zou moeten eindigen met “bestaat recht op extra leeftijdskorting”, aangezien de termijn van vijf werkdagen al leeftijdskorting kan inhouden. De zin omschrijft enkel de regeling uit het Kaderbesluit bpm en bevat geen oordeel. Hieruit volgt dus niet de conclusie die eiseres hieraan wenst te verbinden. Een andere onderbouwing heeft eiser niet gegeven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor toepassing van extra leeftijdskorting.



De CO2-uitstoot (grief m) en de Scandinavische rekenmethode (grief n)


36. Met betrekking tot deze problematiek heeft de rechtbank Zeeland West-Brabant prejudiciële vragen gesteld. De Hoge Raad heeft deze vragen bij arrest van 26 april 2024 geadresseerd (ECLI:NL:HR:2024:653). Voor wat betreft de in aanmerking te nemen CO²-uitstoot en de daaraan te verbinden fiscale gevolgen bij de import van gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dat de omstandigheid dat de CO²-uitstoot van gelijksoortige binnenlandse en buitenlandse personenauto’s volgens een verschillende, in de transitieregeling voorziene methode is of kan zijn vastgesteld, alleen dan niet leidt tot strijd met artikel 110 VWEU, indien de voor de buitenlandse personenauto te heffen bpm wordt berekend naar de CO²-uitstoot die is vastgesteld volgens de methode die voor de belastingplichtige het meest voordelig is. Met betrekking tot de vraag wat de belastingplichtige in dit verband daarvoor aannemelijk moet maken heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de belastingplichtige, die stelt dat artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, aannemelijk moet maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.
37. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat sprake is van een gebruikte auto met een kilometerstand waaruit blijkt dat de auto niet nieuw is. Ook is sprake van een datum van eerste toelating in België voorafgaande aan de registratie ervan in Nederland. De eerste vraag is daarmee bevestigend beantwoord. Voor wat betreft de tweede vraag lijkt het redelijk om aan te nemen dat het betreffende type CLA 180 in dezelfde vorm en met gelijke specificaties ook op de Nederlandse markt als nieuw is verkocht. Het vragen van een nader bewijs dienaangaande aan eiser acht de rechtbank dan ook zinledig.

38. In het onderhavige geval is verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een uitstoot ter grootte van 141 gram per kilometer. De rechtbank heeft aan de hand van het in de ‘Kennisgeving Naheffingsaanslag’ van 2 augustus 2022 met vermelde kenteken van de auto [kenteken] , op basis van openbare bronnen (i.c. www.voertuig.net), vastgesteld dat deze uitstoot overeenkomt met de uitkomst van een zogenaamde NEDC-meting. De rechtbank stelt vast dat de auto een datum eerste toelating heeft in de periode dat de WLTP-methode de wettelijke gangbare methode is voor het meten van de CO2-uitstoot. Het WLTP-resultaat komt neer op 141 gram per kilometer. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiser geen nadeel heeft ondervonden dat kan worden toegeschreven aan de toegepaste wijze van meten van de CO²-uitstoot en dat daarom niet van strijdigheid met artikel 110 VWEU is gebleken.

39. Eiseres heeft betoogd dat verweerder bij de vaststelling van de omvang van de CO²-uitstoot van de auto gebruik had moeten maken van de zogenaamde ‘Scandinavische berekeningsmethode’. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Uitgangspunt bij de bepaling van de CO²-uitstoot vormt artikel 6a van de Uitvoeringsregeling bpm. Het eerste en tweede lid van dit artikel luiden als volgt (tekst 2025).


1 Voor de toepassing van artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de wet blijkt de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer uit het kentekenregister.

2 Indien de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer niet blijkt uit het kentekenregister blijkt de CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:
a. de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;
b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven: de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994;
c. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring van de auto, waarbij de CO2-uitstoot is gemeten overeenkomstig de ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen geldende voorschriften;
d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de CO2-uitstoot van de auto blijkt, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.

40. Uit de redactie van deze bepaling blijkt dat voor de vaststelling van de uitstoot sprake is van een rangorde, waarbij aan een methode eerst wordt toegekomen indien de eerdergenoemdemethodes niet tot een vaststelling hebben kunnen leiden.
41. In het onderhavige geval dient daarom met toepassing van het eerste lid het kentekenregister in het land van de eerste toelating als leidend te worden beschouwd. Bij gebreke aan de gegevens uit het kentekenregister dient in eerste instantie te worden teruggevallen aan een typegoedkeuring te ontlenen gegevens en daarna indien nodig op het zogenaamde ‘Certificaat van overeenstemming’. Voorts dient te worden bezien of een testrapport van de betreffende auto soelaas biedt. Indien dat allemaal niet het geval is, zijn de onder d genoemde metingen aan de orde. Niet valt uit te sluiten dat de door eiseres verdedigde Scandinavische rekenmethode voldoet aan de onder d vermelde voorwaarden, maar dat is eerst aan de orde indien toetsing aan de bronnen, genoemd onder a, b en c, geen resultaat heeft opgeleverd. Daarnaast bestaat natuurlijk de mogelijkheid dat de uitstootwaardes die in de eerste drie bronnen zijn weergegeven zijn gebaseerd op deze berekeningsmethode. Ook dan kan de Scandinavische rekenmethode leiden tot de voor de vaststelling van de bpm te hanteren CO²-uitstoot van de auto. Voor de door eiseres gewenste toepassing van de methode in alle gevallen wanneer dit tot een voor de belastingplichtige gunstiger is, biedt de wet echter geen ruimte. Voor de conclusie dat deze bewijsregels kunnen leiden tot een uitkomst die onverenigbaar is met artikel 110 VWEU ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.



De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief o)
42. Eiseres heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.


Conclusie
43. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Vergoeding van immateriële schade



45. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van eiser geregistreerd onder nummer 23/7215 en 23/7165 dat een vrijwel identiek geschil betreft aansluitend en dat op dezelfde zitting is behandeld. De vastgestelde samenhang brengt met zich dat in die voormelde uitspraak de immateriële schadevergoeding is vervat. De rechtbank volstaat in deze zaak met de constatering dat de redelijke termijn voor berechting van het geschil in eerste aanleg is overschreden.






Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep ongegrond;


verwijst voor de vergoeding van de immateriële schade naar de samenhangende zaak met zaaknummer 23/7215




Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van T.T. Langeveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.







griffier rechter




Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.



Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:



Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.



a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).