Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22358
2026-07-23
Bestuursrecht; Belastingrecht
SGR 24/8245
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM
Citeert (16)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4257 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-05-2026
- ECLI:NL:HR:2002:AD9084 Hoge Raad 08-02-2002
- ECLI:NL:HR:2007:AZ8572 Hoge Raad 16-02-2007
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4257 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-05-2026
- ECLI:NL:HR:2019:393 Hoge Raad 22-03-2019
- ECLI:NL:HR:2017:847 Hoge Raad 12-05-2017
- ECLI:NL:HR:2020:296 Hoge Raad 21-02-2020
- ECLI:NL:HR:2019:1783 Hoge Raad 15-11-2019
- ECLI:NL:HR:2021:415 Hoge Raad 26-03-2021
- ECLI:NL:HR:2025:1472 Hoge Raad 03-10-2025
- ECLI:NL:HR:2022:752 Hoge Raad 27-05-2022
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5453 Rechtbank Gelderland 09-07-2025
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (33.388 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8245
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: A.M.F.J. Verhoeven)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 12 april 2024 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 4.153. Er is daarbij een bedrag van € 99 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar 4 september 2024 de naheffingsaanslag gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft geen proceskosten vergoed of ambtshalve teruggaaf verleend.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bij brief van 22 april 2026 overeenkomstig artikel 8:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) partijen verzocht om inlichtingen te verstrekken.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 3 december 2023, voor de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz GLC Klasse uit Duitsland, waarvan het voertuigidentificatienummer eindigt op [nummer] (hierna: de auto), in het kentekenregister. De registratie is op 14 december 2023 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken] . De auto is op 30 november 2023 gekeurd door de Dienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld. Eiser heeft bij de aangifte ook de koerslijst AutotelexPRO gevoegd.
Datum eerste toelating
23-11-2022
CO2-uitstoot
175 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 61.010
Bruto bpm
€ 14.621
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 85.308
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 26.461
Verschuldigde bpm
€ 4.533
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] en ondertekend door [naam 3] . Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op
24 november 2023 tussen 15:30 en 16:00 uur te Rotterdam. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 56.563,33 (herleid aan de hand van drie referentievoertuigen die op internet te koop stonden) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken (vastgesteld op € 26.096,29, inclusief btw). Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
4. Verweerder verwerpt het door eiser gehanteerde taxatierapport. Daartoe is redengevend dat het rapport niet voldoet aan artikel 10 Wet bpm jo. artikel 8, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling bpm. Bij het rapport is namelijk geen inkoopfactuur of inkoopverklaring gevoegd. Daarnaast vertoont de auto essentiële gebreken, waardoor het voertuig niet de openbare weg op mag, aldus verweerder. De kilometerstand ten tijde van de keuring door de RDW wijkt significant af van de kilometerstand ten tijde van de fysieke opname. Het is verder onduidelijk waar de bedragen in de aangifte op gebaseerd zijn, gezien de afwijkende bedragen in de aangifte, het taxatierapport en de koerslijst. Verweerder heft na op basis van de koerslijst.
5. Bij brief van 19 februari 2024 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de herberekeningen door verweerder, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 8.686. Na aftrek van de voldane bpm
(€ 4.533), resteert een te betalen bedrag van € 4.153. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiser op 19 maart 2024 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd en een bedrag van € 99 aan belastingrente in rekening gebracht. Het totaalbedrag komt daarmee neer op € 4.252.
Geschil
6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
7. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Het mandaatverbod van artikel 10:3 Awb is geschonden;
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiser acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiser ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
De verplichting tot het betalen van griffierecht voorafgaande aan de behandeling van het beroep leidt tot een onevenredige belemmering van eisers rechten;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
De rechten van eiser, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
De bewijslast met betrekking tot de hoogte van de te betalen bpm berust volledig bij verweerder;
Verweerder heeft het door eiser gehanteerde taxatierapport onterecht verworpen;
Het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent is te laag;
Eiser heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.
Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Subsidiair concludeert eiser tot vermindering van de naheffingsaanslag. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Het mandaatverbod van artikel 10:3, derde lid Awb (grief a)
10. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen omdat het mandaatverbod van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden. Ter onderbouwing wijst hij op de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 mei 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:4257) en voert hij aan dat feitenonderzoek uitwijst dat alle uitspraken op bezwaar beweerdelijk zijn gedaan door [naam 4] . De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak de kennisgeving, mededeling van de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar zijn ondertekend door [naam 4] .
11. In artikel 10:3, derde lid, van de Awb is bepaald dat het mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Deze bepaling strekt ertoe te waarborgen dat in de bezwaarschriftprocedure een zorgvuldige heroverweging van het aldus genomen primaire besluit plaatsvindt. De heroverweging in de bezwaarschriftprocedure moet dan geschieden door een ander dan degene die in feite het primaire besluit heeft genomen. Het gaat hier om een essentieel voorschrift bij overtreding waarvan moet worden geoordeeld dat de beslissing op het bezwaarschrift onbevoegd is genomen (vgl. HR 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9084 en HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8572).
12. In tegenstelling tot de situatie in de procedure voor rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2026:4257) heeft verweerder in de onderhavige zaak inhoudelijk gereageerd op deze beroepsgrond. Verweerder heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken onderbouwd dat de behandelaar van de kennisgeving en de mededeling ‘ [userID 1] ’ is en de behandelaar van de naheffingsaanslag ‘ [userID 2] ’. De behandelaar van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag is volgens deze stukken ‘ [userID 3] ’. Dit zijn de gebruikersnamen (‘userID’s’) van medewerkers van verweerder. Deze bestaan uit de eerste vier letters van de achternaam en de eerste letter van de voornaam van een medewerker. Gelet hierop kan geen van de genoemde gebruikersnamen van [naam 4] zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van een schending van het mandaatverbod van artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Dat verweerder door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is niet gebleken.
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief b)
13. Eiser heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van het VWEU. Eiser heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiser evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiser niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiser genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
14. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiser dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiser in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De heffing van griffierecht (grief c)
15. Eiser stelt onder verwijzing naar het arrest Kantarev dat het griffierecht in ieder geval niet meer mag bedragen dan 4% van het in geschil zijnde bedrag. Het van eiser geheven griffierecht bedraagt meer dan de gehele vordering, hetgeen in strijd is met het Unierecht. Ook het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus eiser.
16. Uit het arrest Kantarev kan niet de algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4% van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Verder geldt dat de Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht niet van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. De rechtbank betrekt in het oordeel dat ter zake van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan kan worden indien de heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. De klachten van eiser over het griffierecht, mede omvattend het vooraf betalen daarvan, treffen daarom geen doel.
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief d)
17. Eiser stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiser voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 2 juli 2024, namelijk bij brief van 11 juni 2024. Het hoorgesprek heeft op voornoemde datum plaatsgevonden. Zowel eiser als verweerder waren ingelogd. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief e)
18. Eiser stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiser daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiser bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiser nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiser is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiser in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
19. In het onderhavige geval heeft eiser met dagtekening 19 februari 2024, respectievelijk 19 maart 2024, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiser kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eisers rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU) kan hier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiser naar artikel 47 HGEU maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. De verwijzing van eiser naar artikel 7:2 van de Awb biedt voor een dergelijke verplichting ook geen grondslag. Deze nationaal rechtelijke bepaling heeft betrekking op de bezwaarfase en niet op de periode voorafgaande aan de besluitvorming. In laatstgenoemde fase gaat het erom dat een bestuursorgaan de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij de voorbereiding van zijn besluit. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Vormvereisten zijn daarin – anders dan voor de bezwaarfase – niet gegeven. Een tweemaal gegeven mogelijkheid om schriftelijk te reageren acht de rechtbank niet in strijd met dat zorgvuldigheidvereiste. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief f)
20. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt – brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De verdeling van de bewijslast (grief g)
21. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en
17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:296) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, de plicht rust om feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien de belastingplichtige er in is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat, met die feiten in aanmerking genomen, de geheven belasting niet in strijd is met artikel 110 VWEU. De heffing op geïmporteerde gebruikte auto’s mag, al dan niet rechtstreeks, niet tot een hogere binnenlandse belasting leiden dan welke van gelijksoortige nationale producten wordt geheven en de import van dergelijke auto’s mag niet onderworpen zijn aan een zodanige binnenlandse belasting, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen concludeert de rechtbank dat eiser niet aan de bewijslast voldaan heeft. Het is dan ook aan eiser om de door hem genoemde koerslijsten in het geding te brengen.
De aan het taxatierapport van eiser toe te kennen belang (grief h)
22. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder het bij de aangifte gevoegde taxatierapport ten onrechte heeft verworpen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Daartoe is redengevend dat het taxatierapport niet voldoet aan de daaraan in de Uitvoeringsregeling bpm gestelde eisen (artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling in samenhang met de Bijlage bij de Uitvoeringsregeling), nu geen aankoopfactuur of aankoopverklaring van de auto is bijgevoegd. Ook zijn de gestelde schadeposten niet inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Ook de beperkte tijdsduur waarin de controle heeft plaatsgevonden komt de rechtbank onaannemelijk voor. Eiser heeft deze bescheiden ook niet later in de procedure alsnog ingebracht. Bovendien wijken de bedragen van de handelsinkoopwaarde in het taxatierapport en de aangifte af. Ook gebruikt de taxateur het forfaitaire percentage van 31%, terwijl in de aangifte 72% staat aangegeven. Deze verschillen worden door eiser niet toegelicht. Reeds daarom komt aan het taxatierapport niet de betekenis toe die eiser daaraan toegekend wenst te zien.
23. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat sprake is van essentiële gebreken en op grond daarvan het gebruik van een taxatierapport moet worden verworpen. Verweerder noemt daarbij de slechte staat van de elektrische installatie, het lakwerk, de carrosserie, het interieur en de bekleding. Bovendien zijn de kofferbak, de achterklep, de bumper, de achterlichten en de spatborden beschadigd. Eiser heeft de juistheid van dat standpunt betwist. Essentiële gebreken is een uitvloeisel van onrechtmatige en onregelmatige uitlegging door de Hoge Raad der Nederlanden van artikel 110 VWEU in zijn uitspraak van 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415. Verweerder miskent het recht van de Unie, meer bepaald het verbod tot uitlegging van de Hoge Raad. De uitspraak is daarmee, zo heeft eiser gesteld, rechtsongeldig en onverbindend.
24. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt en verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.2.2 tot en met 4.2.5. Aldaar heeft de Hoge Raad uiteengezet dat met ingang van 1 januari 2015 de taxatiemethode slechts beperkt kan worden toegepast, namelijk voor schadevoertuigen met uitsluiting van schadevoertuigen die niet langer deugdelijk van bouw en inrichting zijn (zogenoemde WOK-auto’s). Het vorenstaande leidt ertoe dat eiser dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken dat het voertuig met schade niet kwalificeert als een WOK-auto zodat de aangifte kan worden gedaan met gebruik van een taxatierapport. Eiser heeft niet aan haar stel- en bewijsplicht voldaan. Voorts merkt de rechtbank nog op – wellicht ten overvloede – dat toepassing van de taxatiemethode volgens de wet alleen dan aan de orde is wanneer de belastingplichtige al bij het doen van aangifte voor die methode heeft gekozen, onder overlegging van een taxatierapport dat voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling en de bijlage bij de Uitvoeringsregeling. Ook deze grief faalt.
Het door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentage (grief i)
25. Eiser heeft betoogd dat het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent te laag is.
26. Verweerder heeft het afschrijvingspercentage van 40,59% in het onderhavige geval ontleend aan de koerslijst. Eiser verdedigt een afschrijvingspercentage van 42,70% en baseert zich daartoe op de aanname dat verweerder de onjuiste historische nieuwprijs heeft gehanteerd in zijn berekeningen. Verweerder past in zijn berekeningen een historische nieuwprijs van € 85.308 toe. Dit had het bedrag van € 88.443 moeten zijn. Het afschrijvingspercentage zou dus hoger moeten komen te liggen, aldus eiser.
27. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens eiser bedraagt de verschuldigde belasting, met een historische nieuwprijs van € 88.443 en een handelsinkoopwaarde van
€ 50.682, in totaal € 8.378 (en niet de door verweerder voorgestane € 8.686). Eiser stelt dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden met € 308.
28. In zijn nadere stuk van 29 mei 2026 beroept verweerder zich op interne compensatie. Voor zover eiser betoogt dat het Unierecht zich verzet tegen interne compensatie, is dat betoog onjuist (Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752). Verweerder kan terecht een beroep doen op interne compensatie. Na interne compensatie heeft eiser geen recht meer op een teruggave bpm. In zoverre is het beroep dus ongegrond.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief j)
29. Eiser heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie
30. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade
31. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
32. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan eiser betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
33. Op grond van het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
34. Vast staat dat de gemachtigde in zijn beroepschrift van 14 november 2024 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een immateriële schadevergoeding toe te kennen en sluit zich aan bij overweging 39 van de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5453:
“39. (…) Belanghebbende heeft zijn stelling met betrekking tot het door hem voorgestane bedrag aan terug te geven BPM niet cijfermatig onderbouwd en op grond van de stukken van het geding is niet te beoordelen of sprake is van een financieel belang van € 1.000. In dit geval ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting (Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.). Belanghebbende heeft hiervoor niets gesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat geen sprake is van financieel belang van € 1.000 of meer. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende diverse stellingen heeft ingenomen waarbij de feitelijke grondslag ontbreekt of de stelling op geen enkele wijze concreet is onderbouwd. Dat in een aantal zaken de redelijke termijn met meer dan 12 maanden is overschreden leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds opgemerkt heeft de gemachtigde grote hoeveelheden zaken met veelal gelijkluidende beroepsgronden aangebracht. Bovendien hebben deze beroepsgronden veelal een algemeen karakter. Zij zijn dus vaak niet van toepassing op zaak waarin zij worden aangevoerd. Daar komt dan bij dat belanghebbende niets heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Laat staan dat hij heeft onderbouwd dat en zo ja, tot welk bedrag, zij immateriële schade heeft geleden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, ook al is de redelijke termijn met meer dan 12 maanden overschreden, niet of nauwelijks sprake van spanning en frustratie. Zij volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.”
35. Volgens eiser moet de naheffingsaanslag verminderd worden met € 308. Dit ligt onder de grens van € 1.000 die de rechtbank hanteert bij het bepalen van het financieel belang. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat er in onderhavige zaak geen financieel belang van € 1.000 of meer speelt. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade.
36. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond, en
wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8245
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: A.M.F.J. Verhoeven)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 12 april 2024 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 4.153. Er is daarbij een bedrag van € 99 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar 4 september 2024 de naheffingsaanslag gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft geen proceskosten vergoed of ambtshalve teruggaaf verleend.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bij brief van 22 april 2026 overeenkomstig artikel 8:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) partijen verzocht om inlichtingen te verstrekken.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 3 december 2023, voor de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz GLC Klasse uit Duitsland, waarvan het voertuigidentificatienummer eindigt op [nummer] (hierna: de auto), in het kentekenregister. De registratie is op 14 december 2023 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken] . De auto is op 30 november 2023 gekeurd door de Dienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld. Eiser heeft bij de aangifte ook de koerslijst AutotelexPRO gevoegd.
Datum eerste toelating
23-11-2022
CO2-uitstoot
175 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 61.010
Bruto bpm
€ 14.621
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 85.308
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 26.461
Verschuldigde bpm
€ 4.533
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] en ondertekend door [naam 3] . Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op
24 november 2023 tussen 15:30 en 16:00 uur te Rotterdam. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 56.563,33 (herleid aan de hand van drie referentievoertuigen die op internet te koop stonden) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken (vastgesteld op € 26.096,29, inclusief btw). Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
4. Verweerder verwerpt het door eiser gehanteerde taxatierapport. Daartoe is redengevend dat het rapport niet voldoet aan artikel 10 Wet bpm jo. artikel 8, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling bpm. Bij het rapport is namelijk geen inkoopfactuur of inkoopverklaring gevoegd. Daarnaast vertoont de auto essentiële gebreken, waardoor het voertuig niet de openbare weg op mag, aldus verweerder. De kilometerstand ten tijde van de keuring door de RDW wijkt significant af van de kilometerstand ten tijde van de fysieke opname. Het is verder onduidelijk waar de bedragen in de aangifte op gebaseerd zijn, gezien de afwijkende bedragen in de aangifte, het taxatierapport en de koerslijst. Verweerder heft na op basis van de koerslijst.
5. Bij brief van 19 februari 2024 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de herberekeningen door verweerder, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 8.686. Na aftrek van de voldane bpm
(€ 4.533), resteert een te betalen bedrag van € 4.153. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiser op 19 maart 2024 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd en een bedrag van € 99 aan belastingrente in rekening gebracht. Het totaalbedrag komt daarmee neer op € 4.252.
Geschil
6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
7. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Het mandaatverbod van artikel 10:3 Awb is geschonden;
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiser acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiser ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
De verplichting tot het betalen van griffierecht voorafgaande aan de behandeling van het beroep leidt tot een onevenredige belemmering van eisers rechten;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
De rechten van eiser, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
De bewijslast met betrekking tot de hoogte van de te betalen bpm berust volledig bij verweerder;
Verweerder heeft het door eiser gehanteerde taxatierapport onterecht verworpen;
Het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent is te laag;
Eiser heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.
Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Subsidiair concludeert eiser tot vermindering van de naheffingsaanslag. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Het mandaatverbod van artikel 10:3, derde lid Awb (grief a)
10. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen omdat het mandaatverbod van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden. Ter onderbouwing wijst hij op de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 mei 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:4257) en voert hij aan dat feitenonderzoek uitwijst dat alle uitspraken op bezwaar beweerdelijk zijn gedaan door [naam 4] . De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak de kennisgeving, mededeling van de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar zijn ondertekend door [naam 4] .
11. In artikel 10:3, derde lid, van de Awb is bepaald dat het mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Deze bepaling strekt ertoe te waarborgen dat in de bezwaarschriftprocedure een zorgvuldige heroverweging van het aldus genomen primaire besluit plaatsvindt. De heroverweging in de bezwaarschriftprocedure moet dan geschieden door een ander dan degene die in feite het primaire besluit heeft genomen. Het gaat hier om een essentieel voorschrift bij overtreding waarvan moet worden geoordeeld dat de beslissing op het bezwaarschrift onbevoegd is genomen (vgl. HR 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9084 en HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8572).
12. In tegenstelling tot de situatie in de procedure voor rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2026:4257) heeft verweerder in de onderhavige zaak inhoudelijk gereageerd op deze beroepsgrond. Verweerder heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken onderbouwd dat de behandelaar van de kennisgeving en de mededeling ‘ [userID 1] ’ is en de behandelaar van de naheffingsaanslag ‘ [userID 2] ’. De behandelaar van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag is volgens deze stukken ‘ [userID 3] ’. Dit zijn de gebruikersnamen (‘userID’s’) van medewerkers van verweerder. Deze bestaan uit de eerste vier letters van de achternaam en de eerste letter van de voornaam van een medewerker. Gelet hierop kan geen van de genoemde gebruikersnamen van [naam 4] zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van een schending van het mandaatverbod van artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Dat verweerder door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is niet gebleken.
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief b)
13. Eiser heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van het VWEU. Eiser heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiser evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiser niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiser genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
14. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiser dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiser in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De heffing van griffierecht (grief c)
15. Eiser stelt onder verwijzing naar het arrest Kantarev dat het griffierecht in ieder geval niet meer mag bedragen dan 4% van het in geschil zijnde bedrag. Het van eiser geheven griffierecht bedraagt meer dan de gehele vordering, hetgeen in strijd is met het Unierecht. Ook het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus eiser.
16. Uit het arrest Kantarev kan niet de algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4% van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Verder geldt dat de Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht niet van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. De rechtbank betrekt in het oordeel dat ter zake van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan kan worden indien de heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. De klachten van eiser over het griffierecht, mede omvattend het vooraf betalen daarvan, treffen daarom geen doel.
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief d)
17. Eiser stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiser voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 2 juli 2024, namelijk bij brief van 11 juni 2024. Het hoorgesprek heeft op voornoemde datum plaatsgevonden. Zowel eiser als verweerder waren ingelogd. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief e)
18. Eiser stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiser daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiser bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiser nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiser is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiser in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
19. In het onderhavige geval heeft eiser met dagtekening 19 februari 2024, respectievelijk 19 maart 2024, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiser kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eisers rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU) kan hier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiser naar artikel 47 HGEU maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. De verwijzing van eiser naar artikel 7:2 van de Awb biedt voor een dergelijke verplichting ook geen grondslag. Deze nationaal rechtelijke bepaling heeft betrekking op de bezwaarfase en niet op de periode voorafgaande aan de besluitvorming. In laatstgenoemde fase gaat het erom dat een bestuursorgaan de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij de voorbereiding van zijn besluit. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Vormvereisten zijn daarin – anders dan voor de bezwaarfase – niet gegeven. Een tweemaal gegeven mogelijkheid om schriftelijk te reageren acht de rechtbank niet in strijd met dat zorgvuldigheidvereiste. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief f)
20. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt – brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De verdeling van de bewijslast (grief g)
21. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en
17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:296) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, de plicht rust om feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien de belastingplichtige er in is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat, met die feiten in aanmerking genomen, de geheven belasting niet in strijd is met artikel 110 VWEU. De heffing op geïmporteerde gebruikte auto’s mag, al dan niet rechtstreeks, niet tot een hogere binnenlandse belasting leiden dan welke van gelijksoortige nationale producten wordt geheven en de import van dergelijke auto’s mag niet onderworpen zijn aan een zodanige binnenlandse belasting, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen concludeert de rechtbank dat eiser niet aan de bewijslast voldaan heeft. Het is dan ook aan eiser om de door hem genoemde koerslijsten in het geding te brengen.
De aan het taxatierapport van eiser toe te kennen belang (grief h)
22. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder het bij de aangifte gevoegde taxatierapport ten onrechte heeft verworpen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Daartoe is redengevend dat het taxatierapport niet voldoet aan de daaraan in de Uitvoeringsregeling bpm gestelde eisen (artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling in samenhang met de Bijlage bij de Uitvoeringsregeling), nu geen aankoopfactuur of aankoopverklaring van de auto is bijgevoegd. Ook zijn de gestelde schadeposten niet inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Ook de beperkte tijdsduur waarin de controle heeft plaatsgevonden komt de rechtbank onaannemelijk voor. Eiser heeft deze bescheiden ook niet later in de procedure alsnog ingebracht. Bovendien wijken de bedragen van de handelsinkoopwaarde in het taxatierapport en de aangifte af. Ook gebruikt de taxateur het forfaitaire percentage van 31%, terwijl in de aangifte 72% staat aangegeven. Deze verschillen worden door eiser niet toegelicht. Reeds daarom komt aan het taxatierapport niet de betekenis toe die eiser daaraan toegekend wenst te zien.
23. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat sprake is van essentiële gebreken en op grond daarvan het gebruik van een taxatierapport moet worden verworpen. Verweerder noemt daarbij de slechte staat van de elektrische installatie, het lakwerk, de carrosserie, het interieur en de bekleding. Bovendien zijn de kofferbak, de achterklep, de bumper, de achterlichten en de spatborden beschadigd. Eiser heeft de juistheid van dat standpunt betwist. Essentiële gebreken is een uitvloeisel van onrechtmatige en onregelmatige uitlegging door de Hoge Raad der Nederlanden van artikel 110 VWEU in zijn uitspraak van 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415. Verweerder miskent het recht van de Unie, meer bepaald het verbod tot uitlegging van de Hoge Raad. De uitspraak is daarmee, zo heeft eiser gesteld, rechtsongeldig en onverbindend.
24. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt en verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.2.2 tot en met 4.2.5. Aldaar heeft de Hoge Raad uiteengezet dat met ingang van 1 januari 2015 de taxatiemethode slechts beperkt kan worden toegepast, namelijk voor schadevoertuigen met uitsluiting van schadevoertuigen die niet langer deugdelijk van bouw en inrichting zijn (zogenoemde WOK-auto’s). Het vorenstaande leidt ertoe dat eiser dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken dat het voertuig met schade niet kwalificeert als een WOK-auto zodat de aangifte kan worden gedaan met gebruik van een taxatierapport. Eiser heeft niet aan haar stel- en bewijsplicht voldaan. Voorts merkt de rechtbank nog op – wellicht ten overvloede – dat toepassing van de taxatiemethode volgens de wet alleen dan aan de orde is wanneer de belastingplichtige al bij het doen van aangifte voor die methode heeft gekozen, onder overlegging van een taxatierapport dat voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling en de bijlage bij de Uitvoeringsregeling. Ook deze grief faalt.
Het door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentage (grief i)
25. Eiser heeft betoogd dat het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent te laag is.
26. Verweerder heeft het afschrijvingspercentage van 40,59% in het onderhavige geval ontleend aan de koerslijst. Eiser verdedigt een afschrijvingspercentage van 42,70% en baseert zich daartoe op de aanname dat verweerder de onjuiste historische nieuwprijs heeft gehanteerd in zijn berekeningen. Verweerder past in zijn berekeningen een historische nieuwprijs van € 85.308 toe. Dit had het bedrag van € 88.443 moeten zijn. Het afschrijvingspercentage zou dus hoger moeten komen te liggen, aldus eiser.
27. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens eiser bedraagt de verschuldigde belasting, met een historische nieuwprijs van € 88.443 en een handelsinkoopwaarde van
€ 50.682, in totaal € 8.378 (en niet de door verweerder voorgestane € 8.686). Eiser stelt dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden met € 308.
28. In zijn nadere stuk van 29 mei 2026 beroept verweerder zich op interne compensatie. Voor zover eiser betoogt dat het Unierecht zich verzet tegen interne compensatie, is dat betoog onjuist (Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752). Verweerder kan terecht een beroep doen op interne compensatie. Na interne compensatie heeft eiser geen recht meer op een teruggave bpm. In zoverre is het beroep dus ongegrond.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief j)
29. Eiser heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie
30. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade
31. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
32. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan eiser betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
33. Op grond van het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
34. Vast staat dat de gemachtigde in zijn beroepschrift van 14 november 2024 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een immateriële schadevergoeding toe te kennen en sluit zich aan bij overweging 39 van de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5453:
“39. (…) Belanghebbende heeft zijn stelling met betrekking tot het door hem voorgestane bedrag aan terug te geven BPM niet cijfermatig onderbouwd en op grond van de stukken van het geding is niet te beoordelen of sprake is van een financieel belang van € 1.000. In dit geval ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting (Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.). Belanghebbende heeft hiervoor niets gesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat geen sprake is van financieel belang van € 1.000 of meer. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende diverse stellingen heeft ingenomen waarbij de feitelijke grondslag ontbreekt of de stelling op geen enkele wijze concreet is onderbouwd. Dat in een aantal zaken de redelijke termijn met meer dan 12 maanden is overschreden leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds opgemerkt heeft de gemachtigde grote hoeveelheden zaken met veelal gelijkluidende beroepsgronden aangebracht. Bovendien hebben deze beroepsgronden veelal een algemeen karakter. Zij zijn dus vaak niet van toepassing op zaak waarin zij worden aangevoerd. Daar komt dan bij dat belanghebbende niets heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Laat staan dat hij heeft onderbouwd dat en zo ja, tot welk bedrag, zij immateriële schade heeft geleden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, ook al is de redelijke termijn met meer dan 12 maanden overschreden, niet of nauwelijks sprake van spanning en frustratie. Zij volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.”
35. Volgens eiser moet de naheffingsaanslag verminderd worden met € 308. Dit ligt onder de grens van € 1.000 die de rechtbank hanteert bij het bepalen van het financieel belang. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat er in onderhavige zaak geen financieel belang van € 1.000 of meer speelt. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade.
36. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond, en
wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).