Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4257
2026-05-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 23/11803
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM, mandaatverbod
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2002:AD9084 Hoge Raad 08-02-2002
- ECLI:NL:HR:2007:AZ8572 Hoge Raad 16-02-2007
- ECLI:NL:HR:2025:192 Hoge Raad 07-02-2025
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22358 Rechtbank Den Haag 23-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22358 Rechtbank Den Haag 23-07-2026
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.811 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11803
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] h.o.d.n. [bedrijf 1] , te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 11.929 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan [bedrijf 2] B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De uitspraak op bezwaar bevat een gebrek dat door de inspecteur moet worden hersteld.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op 25 augustus 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Audi Q8 4.0 TFSI SQ8 quattro met VIN-nummer [nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 12.517.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Het bij de aangifte gevoegde taxatierapport vermeldt een datum van 24 augustus 2022. Volgens het rapport is de auto op diezelfde datum geschouwd.
4.2.
De RDW heeft de auto op 28 april 2022 gekeurd.
4.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de taxatie heeft plaatsgevonden na goedkeuring van de auto door de RDW. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 24.446 en de naheffingsaanslag opgelegd.
4.4.
De brieven getiteld ‘kennisgeving naheffingsaanslag BPM’ en ‘mededeling naheffingsaanslag BPM’ zijn namens de inspecteur ondertekend door drs. [persoon 1] . Op de naheffingsaanslag zelf is niet vermeld wie namens de inspecteur de naheffingsaanslag heeft opgelegd.
4.5.
De uitspraak op bezwaar is namens de inspecteur ondertekend door [persoon 2] .
Motivering
5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen en dus het mandaatverbod is overtreden.
Mandaatverbod
5.1.
Belanghebbende heeft in zijn aanvulling van de gronden in beroep, op 26 februari 2024 gesteld dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar. Daartoe voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. De naam van deze persoon wordt overal, bij met name geautomatiseerde berichten, gebruikt zonder dat deze persoon daadwerkelijk betrokken is. Gelet op de hoeveelheid kennisgevingen en mededelingen en naheffingsaanslagen die deze persoon dan zou hebben gedaan, kan dit niet kloppen. Dat is een schending van fundamentele beginselen omdat niet vastgesteld kan worden dat aan het mandaatverbod is voldaan.
5.2.
De inspecteur heeft niet op het standpunt van belanghebbende gereageerd.
5.3.
De rechtbank overweegt dat artikel 10:3, derde lid, van de Awb bepaalt dat het mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Deze bepaling strekt ertoe te waarborgen dat in de bezwaarschriftprocedure een zorgvuldige heroverweging van het aldus genomen primaire besluit plaatsvindt. De heroverweging in de bezwaarschriftprocedure moet dan kort en goed geschieden door een ander dan degene die in feite het primaire besluit heeft genomen. Het gaat hier om een essentieel voorschrift bij overtreding waarvan moet worden geoordeeld dat de beslissing op het bezwaarschrift onbevoegd is genomen.
5.4.
Belanghebbende heeft gemotiveerd in twijfel getrokken dat [persoon 1] degene was die het besluit heeft genomen om tot naheffing over te gaan. Het is de rechtbank uit een andere zaak bekend – wat ook de behandeld inspecteur en de gemachtigde bekend is, nu zij beiden bij dat dossier betrokken waren – dat het gedurende enige tijd voorkwam dat bepaalde stukken zoals kennisgevingen BPM en mededelingen BPM op naam werden gezet van [persoon 1] , maar het feitelijk een ander persoon was die betrokken was.
5.5.
De inspecteur heeft niet gesteld of met stukken onderbouwd dat de beslissing tot naheffing in deze zaak daadwerkelijk namens de inspecteur door [persoon 1] is genomen, dan wel de beslissing op het bezwaarschrift door een ander is gedaan dan degene die de naheffingsaanslag (bij mandaat) heeft opgelegd. De inspecteur heeft kort gezegd niet inhoudelijk gereageerd op deze beroepsgrond.
5.6.
De rechtbank acht het bij deze stand van zaken onwaarschijnlijk dat [persoon 1] daadwerkelijk betrokken was. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw de hoeveelheid stukken die hij dan zelf behandeld zou moeten hebben en voorts dat de inspecteur in de hiervoor genoemde zaak heeft aangegeven dat gedurende een bepaalde periode er inderdaad een werkwijze bestond die inhield dat de naam van [persoon 1] werd gebruikt onder stukken, zonder dat hij daadwerkelijk betrokken was.
5.7.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet in staat is gesteld door de inspecteur om vast te stellen dat de beslissing op het bezwaarschrift door een ander is gedaan dan degene die de naheffingsaanslag (bij mandaat) heeft opgelegd. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat de uitspraak op bezwaar bevoegdelijk is gedaan. De rechtbank merkt hierover op dat de kennelijke werkwijze van de inspecteur toentertijd ten principale onjuist is omdat het overkomt alsof [persoon 1] degene is geweest die de brieven heeft geschreven en dus – gelet op de tekst daarvan – het primaire besluit heeft genomen, terwijl dat dan kennelijk niet altijd het geval was. Wie wel het besluit heeft genomen valt uit de gedingstukken niet op te maken en het is dus onduidelijk of het mandaatverbod is overtreden. De rechtbank houdt het er daarom op dat de uitspraak op bezwaar gebrekkig is.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende hierdoor benadeeld, nu niet kan worden gezegd dat in de bezwaarfase een volledige heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb heeft plaatsgevonden. [inspecteur 2] , de rechtbank kan dit niet toetsen. De uitspraak op bezwaar kan daarom niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand worden gelaten. Dat betekent dat het beroep in zoverre gegrond is en de uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen en wijst de zaken terug naar de inspecteur, zodat de inspecteur het geconstateerde gebrek kan herstellen.
5.9.
Gelet op dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan behandeling van de andere gronden van belanghebbende tegen de opgelegde naheffingsaanslag.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en bepaalt dat de inspecteur een nieuwe uitspraak op bezwaar moet doen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is, heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding en een vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.
6.1.
De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan € 1.868.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
draagt de inspecteur op een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Vgl. Hoge Raad 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9084 en Hoge Raad 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8572.
Zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:192, r.o. 4.7.
Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11803
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] h.o.d.n. [bedrijf 1] , te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 11.929 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan [bedrijf 2] B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De uitspraak op bezwaar bevat een gebrek dat door de inspecteur moet worden hersteld.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op 25 augustus 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Audi Q8 4.0 TFSI SQ8 quattro met VIN-nummer [nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 12.517.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Het bij de aangifte gevoegde taxatierapport vermeldt een datum van 24 augustus 2022. Volgens het rapport is de auto op diezelfde datum geschouwd.
4.2.
De RDW heeft de auto op 28 april 2022 gekeurd.
4.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de taxatie heeft plaatsgevonden na goedkeuring van de auto door de RDW. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 24.446 en de naheffingsaanslag opgelegd.
4.4.
De brieven getiteld ‘kennisgeving naheffingsaanslag BPM’ en ‘mededeling naheffingsaanslag BPM’ zijn namens de inspecteur ondertekend door drs. [persoon 1] . Op de naheffingsaanslag zelf is niet vermeld wie namens de inspecteur de naheffingsaanslag heeft opgelegd.
4.5.
De uitspraak op bezwaar is namens de inspecteur ondertekend door [persoon 2] .
Motivering
5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen en dus het mandaatverbod is overtreden.
Mandaatverbod
5.1.
Belanghebbende heeft in zijn aanvulling van de gronden in beroep, op 26 februari 2024 gesteld dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar. Daartoe voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. De naam van deze persoon wordt overal, bij met name geautomatiseerde berichten, gebruikt zonder dat deze persoon daadwerkelijk betrokken is. Gelet op de hoeveelheid kennisgevingen en mededelingen en naheffingsaanslagen die deze persoon dan zou hebben gedaan, kan dit niet kloppen. Dat is een schending van fundamentele beginselen omdat niet vastgesteld kan worden dat aan het mandaatverbod is voldaan.
5.2.
De inspecteur heeft niet op het standpunt van belanghebbende gereageerd.
5.3.
De rechtbank overweegt dat artikel 10:3, derde lid, van de Awb bepaalt dat het mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Deze bepaling strekt ertoe te waarborgen dat in de bezwaarschriftprocedure een zorgvuldige heroverweging van het aldus genomen primaire besluit plaatsvindt. De heroverweging in de bezwaarschriftprocedure moet dan kort en goed geschieden door een ander dan degene die in feite het primaire besluit heeft genomen. Het gaat hier om een essentieel voorschrift bij overtreding waarvan moet worden geoordeeld dat de beslissing op het bezwaarschrift onbevoegd is genomen.
5.4.
Belanghebbende heeft gemotiveerd in twijfel getrokken dat [persoon 1] degene was die het besluit heeft genomen om tot naheffing over te gaan. Het is de rechtbank uit een andere zaak bekend – wat ook de behandeld inspecteur en de gemachtigde bekend is, nu zij beiden bij dat dossier betrokken waren – dat het gedurende enige tijd voorkwam dat bepaalde stukken zoals kennisgevingen BPM en mededelingen BPM op naam werden gezet van [persoon 1] , maar het feitelijk een ander persoon was die betrokken was.
5.5.
De inspecteur heeft niet gesteld of met stukken onderbouwd dat de beslissing tot naheffing in deze zaak daadwerkelijk namens de inspecteur door [persoon 1] is genomen, dan wel de beslissing op het bezwaarschrift door een ander is gedaan dan degene die de naheffingsaanslag (bij mandaat) heeft opgelegd. De inspecteur heeft kort gezegd niet inhoudelijk gereageerd op deze beroepsgrond.
5.6.
De rechtbank acht het bij deze stand van zaken onwaarschijnlijk dat [persoon 1] daadwerkelijk betrokken was. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw de hoeveelheid stukken die hij dan zelf behandeld zou moeten hebben en voorts dat de inspecteur in de hiervoor genoemde zaak heeft aangegeven dat gedurende een bepaalde periode er inderdaad een werkwijze bestond die inhield dat de naam van [persoon 1] werd gebruikt onder stukken, zonder dat hij daadwerkelijk betrokken was.
5.7.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet in staat is gesteld door de inspecteur om vast te stellen dat de beslissing op het bezwaarschrift door een ander is gedaan dan degene die de naheffingsaanslag (bij mandaat) heeft opgelegd. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat de uitspraak op bezwaar bevoegdelijk is gedaan. De rechtbank merkt hierover op dat de kennelijke werkwijze van de inspecteur toentertijd ten principale onjuist is omdat het overkomt alsof [persoon 1] degene is geweest die de brieven heeft geschreven en dus – gelet op de tekst daarvan – het primaire besluit heeft genomen, terwijl dat dan kennelijk niet altijd het geval was. Wie wel het besluit heeft genomen valt uit de gedingstukken niet op te maken en het is dus onduidelijk of het mandaatverbod is overtreden. De rechtbank houdt het er daarom op dat de uitspraak op bezwaar gebrekkig is.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende hierdoor benadeeld, nu niet kan worden gezegd dat in de bezwaarfase een volledige heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb heeft plaatsgevonden. [inspecteur 2] , de rechtbank kan dit niet toetsen. De uitspraak op bezwaar kan daarom niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand worden gelaten. Dat betekent dat het beroep in zoverre gegrond is en de uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen en wijst de zaken terug naar de inspecteur, zodat de inspecteur het geconstateerde gebrek kan herstellen.
5.9.
Gelet op dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan behandeling van de andere gronden van belanghebbende tegen de opgelegde naheffingsaanslag.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en bepaalt dat de inspecteur een nieuwe uitspraak op bezwaar moet doen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is, heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding en een vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.
6.1.
De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan € 1.868.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
draagt de inspecteur op een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Vgl. Hoge Raad 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9084 en Hoge Raad 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8572.
Zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:192, r.o. 4.7.
Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.