Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2014:3263
2014-09-24
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
14-2650 WMO-VV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hangende het verzoek om voorlopige voorziening is met de toelating van verzoeker tot de opvang bij het opvangcentrum zodanig aan zijn verzoek tegemoet gekomen dat dit voor hem aanleiding vormde om zijn verzoek in te trekken. Dit betekent dat het college een voorlopige maatregel heeft genomen die kan worden aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb en dat het verzoek om proceskostenvergoeding dient te worden toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (123)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9171 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-09-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8542 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-09-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:10727 Rechtbank Rotterdam 28-08-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6072 Rechtbank Midden-Nederland 27-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23336 Rechtbank Den Haag 20-08-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3241 Rechtbank Midden-Nederland 16-06-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4230 Rechtbank Gelderland 27-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18874 Rechtbank Den Haag 27-05-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:5805 Rechtbank Rotterdam 22-05-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2027 Rechtbank Noord-Nederland 22-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4430 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4663 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4338 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11340 Rechtbank Den Haag 11-05-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:4516 Rechtbank Rotterdam 20-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2690 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-03-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:859 Rechtbank Noord-Nederland 18-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9488 Rechtbank Den Haag 18-03-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:1966 Rechtbank Amsterdam 25-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1935 Rechtbank Den Haag 06-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6914 Rechtbank Den Haag 27-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9361 Rechtbank Den Haag 08-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:288 Rechtbank Den Haag 08-01-2026
- ECLI:NL:RBROT:2025:15093 Rechtbank Rotterdam 30-12-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:7560 Rechtbank Overijssel 24-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24009 Rechtbank Den Haag 18-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8421 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8433 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8468 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21916 Rechtbank Den Haag 20-11-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:9168 Rechtbank Amsterdam 07-11-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:8389 Rechtbank Amsterdam 07-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7597 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20919 Rechtbank Den Haag 05-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20917 Rechtbank Den Haag 05-11-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:6787 Rechtbank Oost-Brabant 21-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6918 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:7239 Rechtbank Amsterdam 01-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16820 Rechtbank Den Haag 11-09-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:3758 Rechtbank Noord-Nederland 10-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5565 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-08-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9879 Rechtbank Rotterdam 19-08-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5198 Rechtbank Overijssel 14-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15194 Rechtbank Den Haag 14-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14730 Rechtbank Den Haag 07-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14731 Rechtbank Den Haag 07-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14578 Rechtbank Den Haag 06-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14388 Rechtbank Den Haag 25-07-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9103 Rechtbank Rotterdam 25-07-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:8327 Rechtbank Rotterdam 11-07-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:8254 Rechtbank Rotterdam 11-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4497 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-07-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:7675 Rechtbank Rotterdam 01-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3974 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3057 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-05-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:3075 Rechtbank Amsterdam 13-05-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:2078 Rechtbank Noord-Nederland 09-05-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:2969 Rechtbank Amsterdam 08-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11798 Rechtbank Den Haag 30-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2559 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-04-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (5.245 tekens)
14/2650 WMO-VV
Datum uitspraak: 24 september 2014
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb.
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 januari 2013, 12/1123. Tevens heeft mr. Fischer bij brief van 9 mei 2014 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Bij brief van 10 juni 2014 heeft mr. Fischer het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de Raad gevraagd zich uit te laten over de proceskosten.
Bij brief van 25 juni 2013 heeft het college verweer gevoerd op het verzoek van verzoeker om vergoeding van proceskosten.
OVERWEGINGEN
1.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb verklaart de artikelen 8:75 en 8:75a van overeenkomstige toepassing op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2.
Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Awb in een voorlopige voorzieningprocedure dient de vraag of en in hoeverre het bestuursorgaan aan het verzoek is tegemoetgekomen in de eerste plaats te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bodemprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan een voorlopige maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
3.
De brief van mr. Fischer van 10 juni 2014 houdt in dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat verzoeker een plek heeft om te slapen en wekelijks een toelage ontvangt om eten te kopen. Mr. Fischer stelt zich, gelet hierop, op het standpunt dat spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet meer bestaat.
4.
Het college heeft verzocht het verzoek om vergoeding van proceskosten af te wijzen. Volgens het college is het ontstaan van de situatie oorzakelijk niet gelegen in daarop gerichte besluitvorming van het college en kost het realiseren van een oplossing gezien de beperkte mogelijkheden in de gegeven situatie in alle redelijkheid tijd. Verzoeker is inmiddels wel toegelaten tot het algemeen opvangcentrum [opvangcentrum].
5.
De voorzieningenrechter maakt uit de gedingstukken op dat het probleem van opvang bij verzoeker is ontstaan op 25 april 2014, dat het college betrokken was bij het zoeken naar een oplossing en dat het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend omdat een oplossing uitbleef. Hangende het verzoek om voorlopige voorziening is met de toelating van verzoeker tot de opvang bij [opvangcentrum] zodanig aan zijn verzoek tegemoet gekomen dat dit voor hem aanleiding vormde om zijn verzoek in te trekken. Dit betekent dat het college een voorlopige maatregel heeft genomen die kan worden aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb en dat het verzoek om proceskostenvergoeding dient te worden toegewezen. Dat met het treffen van deze maatregel enige tijd was gemoeid, betekent niet dat de met het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening gemoeide proceskosten niet redelijkerwijs zijn gemaakt.
6.
Het voorgaande betekent dat aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten worden begroot op € 487,- voor het indienen van het verzoekschrift. Voorts ziet de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:82, vijfde lid, in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb aanleiding het college op te dragen het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 487,-;
- bepaalt dat het college aan verzoeker het ten behoeve van het verzoek om voorlopige
voorziening betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) R.L. Rijnen
QH
Datum uitspraak: 24 september 2014
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb.
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 januari 2013, 12/1123. Tevens heeft mr. Fischer bij brief van 9 mei 2014 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Bij brief van 10 juni 2014 heeft mr. Fischer het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de Raad gevraagd zich uit te laten over de proceskosten.
Bij brief van 25 juni 2013 heeft het college verweer gevoerd op het verzoek van verzoeker om vergoeding van proceskosten.
OVERWEGINGEN
1.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb verklaart de artikelen 8:75 en 8:75a van overeenkomstige toepassing op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2.
Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Awb in een voorlopige voorzieningprocedure dient de vraag of en in hoeverre het bestuursorgaan aan het verzoek is tegemoetgekomen in de eerste plaats te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bodemprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan een voorlopige maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
3.
De brief van mr. Fischer van 10 juni 2014 houdt in dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat verzoeker een plek heeft om te slapen en wekelijks een toelage ontvangt om eten te kopen. Mr. Fischer stelt zich, gelet hierop, op het standpunt dat spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet meer bestaat.
4.
Het college heeft verzocht het verzoek om vergoeding van proceskosten af te wijzen. Volgens het college is het ontstaan van de situatie oorzakelijk niet gelegen in daarop gerichte besluitvorming van het college en kost het realiseren van een oplossing gezien de beperkte mogelijkheden in de gegeven situatie in alle redelijkheid tijd. Verzoeker is inmiddels wel toegelaten tot het algemeen opvangcentrum [opvangcentrum].
5.
De voorzieningenrechter maakt uit de gedingstukken op dat het probleem van opvang bij verzoeker is ontstaan op 25 april 2014, dat het college betrokken was bij het zoeken naar een oplossing en dat het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend omdat een oplossing uitbleef. Hangende het verzoek om voorlopige voorziening is met de toelating van verzoeker tot de opvang bij [opvangcentrum] zodanig aan zijn verzoek tegemoet gekomen dat dit voor hem aanleiding vormde om zijn verzoek in te trekken. Dit betekent dat het college een voorlopige maatregel heeft genomen die kan worden aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb en dat het verzoek om proceskostenvergoeding dient te worden toegewezen. Dat met het treffen van deze maatregel enige tijd was gemoeid, betekent niet dat de met het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening gemoeide proceskosten niet redelijkerwijs zijn gemaakt.
6.
Het voorgaande betekent dat aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten worden begroot op € 487,- voor het indienen van het verzoekschrift. Voorts ziet de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:82, vijfde lid, in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb aanleiding het college op te dragen het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 487,-;
- bepaalt dat het college aan verzoeker het ten behoeve van het verzoek om voorlopige
voorziening betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) R.L. Rijnen
QH