Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:18874
2026-05-27
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.56750
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De voorzieningenrechter wijst het verzoek van eiser om vergoeding van zijn proceskosten af.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2014:3263 Centrale Raad van Beroep 24-09-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.090 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56750
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. V. Karapetjan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: A. Bondarev).
Inleiding
1. Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een visum kort verblijf. De minister heeft op 30 oktober 2025 de aanvraag van verzoeker afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen op 18 november 2025 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. V. Sarkisian namens de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.
3. De minister heeft op 20 januari 2026 beslist op het bezwaar en heeft het bezwaar gegrond verklaard. Verzoeker heeft zijn verzoek om voorlopige voorziening daarna ingetrokken. Bij de intrekking van het verzoek heeft verzoeker verzocht om een proceskostenveroordeling.
4. De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van verzoeker om veroordeling van de minister in de proceskosten. De minister heeft daarop aangegeven geen aanleiding te zien voor het vergoeden van de proceskosten.
5. De voorzieningenrechter doet op het verzoek om proceskostenveroordeling zonder zitting uitspraak.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
7. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
7.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Connexiteit
8. De minister betoogt dat geen grond bestaat voor vergoeding van de proceskosten, omdat met het besluit op bezwaar van 20 januari 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening niet langer connex is aan een bodemprocedure waardoor dit verzoek niet-ontvankelijk is. Dit betoogt faalt. Dat de connexiteit van een verzoek om voorlopige voorziening met een bodemprocedure komt te ontbreken doordat een besluit op het bezwaar wordt genomen, staat een proceskostenveroordeling niet in de weg indien aan de verzoeker tegemoet is gekomen zoals hiervoor beschreven in overweging 7.1 van deze uitspraak.
Is de minister aan het verzoek tegemoetgekomen?
9. Verzoeker voert aan dat de gevraagde voorziening een zwaarwegend spoedeisend karakter had, gelet op het reeds verleende visum aan de moeder van verzoeker en zij tegelijkertijd moesten reizen. Indien er geen verzoek om voorlopige voorziening was ingediend, had de minister niet met spoed een besluit genomen op het bezwaar.
10. Hoewel in de beslissing op bezwaar van 20 januari 2026 de minister het bezwaar van verzoeker gegrond heeft verklaard en aan hem een visum kort verblijf heeft verleend, is de minister naar het oordeel van de voorzieningenrechter hiermee niet tegemoetgekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. De stelling dat het verzoek nodig was voor een spoedige beslissing, is in dit kader niet relevant. Het voortvarend nemen van een beslissing op bezwaar is namelijk niet het doel van de voorlopige-voorzieningenprocedure. Verder is van belang dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een visum kort verblijf en dat de minister bij de beoordeling daarvan een ruime beoordelingsmarge heeft. Op de zitting van 7 januari 2026 is naar voren gekomen dat de minister met een brief van 22 december 2025 ontbrekende informatie aangaande die voorwaarden bij verzoeker heeft opgevraagd. Verzoeker heeft deze informatie kort na de zitting aan de minister verstrekt. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat de minister ook zonder die informatie al tot een inwilligende beslissing had moeten komen. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van tegemoetkomen zoals hiervoor omschreven in overweging 7.1 van deze uitspraak. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten daarom af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 8:75a en artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb.
Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56750
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. V. Karapetjan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: A. Bondarev).
Inleiding
1. Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een visum kort verblijf. De minister heeft op 30 oktober 2025 de aanvraag van verzoeker afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen op 18 november 2025 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. V. Sarkisian namens de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.
3. De minister heeft op 20 januari 2026 beslist op het bezwaar en heeft het bezwaar gegrond verklaard. Verzoeker heeft zijn verzoek om voorlopige voorziening daarna ingetrokken. Bij de intrekking van het verzoek heeft verzoeker verzocht om een proceskostenveroordeling.
4. De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van verzoeker om veroordeling van de minister in de proceskosten. De minister heeft daarop aangegeven geen aanleiding te zien voor het vergoeden van de proceskosten.
5. De voorzieningenrechter doet op het verzoek om proceskostenveroordeling zonder zitting uitspraak.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
7. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
7.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Connexiteit
8. De minister betoogt dat geen grond bestaat voor vergoeding van de proceskosten, omdat met het besluit op bezwaar van 20 januari 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening niet langer connex is aan een bodemprocedure waardoor dit verzoek niet-ontvankelijk is. Dit betoogt faalt. Dat de connexiteit van een verzoek om voorlopige voorziening met een bodemprocedure komt te ontbreken doordat een besluit op het bezwaar wordt genomen, staat een proceskostenveroordeling niet in de weg indien aan de verzoeker tegemoet is gekomen zoals hiervoor beschreven in overweging 7.1 van deze uitspraak.
Is de minister aan het verzoek tegemoetgekomen?
9. Verzoeker voert aan dat de gevraagde voorziening een zwaarwegend spoedeisend karakter had, gelet op het reeds verleende visum aan de moeder van verzoeker en zij tegelijkertijd moesten reizen. Indien er geen verzoek om voorlopige voorziening was ingediend, had de minister niet met spoed een besluit genomen op het bezwaar.
10. Hoewel in de beslissing op bezwaar van 20 januari 2026 de minister het bezwaar van verzoeker gegrond heeft verklaard en aan hem een visum kort verblijf heeft verleend, is de minister naar het oordeel van de voorzieningenrechter hiermee niet tegemoetgekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. De stelling dat het verzoek nodig was voor een spoedige beslissing, is in dit kader niet relevant. Het voortvarend nemen van een beslissing op bezwaar is namelijk niet het doel van de voorlopige-voorzieningenprocedure. Verder is van belang dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een visum kort verblijf en dat de minister bij de beoordeling daarvan een ruime beoordelingsmarge heeft. Op de zitting van 7 januari 2026 is naar voren gekomen dat de minister met een brief van 22 december 2025 ontbrekende informatie aangaande die voorwaarden bij verzoeker heeft opgevraagd. Verzoeker heeft deze informatie kort na de zitting aan de minister verstrekt. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat de minister ook zonder die informatie al tot een inwilligende beslissing had moeten komen. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van tegemoetkomen zoals hiervoor omschreven in overweging 7.1 van deze uitspraak. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten daarom af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 8:75a en artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb.
Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.