Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10727
2026-08-28
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ROT 26/5418
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om een proceskostenveroordeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van tegemoetkomen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2014:3263 Centrale Raad van Beroep 24-09-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.181 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5418
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter een verzoek om een veroordeling van het college in de proceskosten na intrekking van een verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft op 4 augustus 2026 gereageerd.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
2.1.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
3. Uit het verzoekschrift volgt dat verzoekster met haar verzoek om voorlopige voorziening wil bereiken dat haar voorlopig urgentie wordt toegekend. Bij het verzoekschrift heeft verzoekster het beroepschrift gevoegd, dat zij op 26 juni 2026 heeft ingediend tegen de beslissing op bezwaar van het college van 18 mei 2026. Daarbij heeft zij verder onder meer recente medische stukken van na het bestreden besluit ingebracht. Naar aanleiding hiervan heeft het college voorgesteld de situatie van verzoekster zo spoedig mogelijk ter advisering aan de GGD voor te leggen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiermee geen sprake van tegemoetkomen. Ook verder is niet gebleken dat anderszins een maatregel is genomen waartoe het verzoek om voorlopige voorziening strekt.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
ROT 26/5417
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5418
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter een verzoek om een veroordeling van het college in de proceskosten na intrekking van een verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft op 4 augustus 2026 gereageerd.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
2.1.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
3. Uit het verzoekschrift volgt dat verzoekster met haar verzoek om voorlopige voorziening wil bereiken dat haar voorlopig urgentie wordt toegekend. Bij het verzoekschrift heeft verzoekster het beroepschrift gevoegd, dat zij op 26 juni 2026 heeft ingediend tegen de beslissing op bezwaar van het college van 18 mei 2026. Daarbij heeft zij verder onder meer recente medische stukken van na het bestreden besluit ingebracht. Naar aanleiding hiervan heeft het college voorgesteld de situatie van verzoekster zo spoedig mogelijk ter advisering aan de GGD voor te leggen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiermee geen sprake van tegemoetkomen. Ook verder is niet gebleken dat anderszins een maatregel is genomen waartoe het verzoek om voorlopige voorziening strekt.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
ROT 26/5417