Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4430
2026-05-21
Bestuursrecht
26/2091
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om veroordeling in de proceskosten bij intrekking van een verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om veroordeling in de proceskosten af omdat sprake is van een bijzondere omstandigheid.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CRVB:2014:3263 Centrale Raad van Beroep 24-09-2014
- ECLI:NL:CRVB:2019:3252 Centrale Raad van Beroep 15-10-2019
- ECLI:NL:RVS:2015:1930 Raad van State 12-06-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.730 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2091
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.A.A. Maat),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, het college
(gemachtigde: mr. S.A. Keij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 19 maart 2026. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken omdat het college heeft laten weten de werking van dit besluit op te schorten totdat op het bezwaar is beslist.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet voor een proceskostenvergoeding.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het verlengen van de begunstigingstermijn aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
4.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is onder meer sprake van een bijzondere omstandigheid wanneer verzoeker, voordat hij een verzoek om voorlopige voorziening indient, niet eerst bij het bestuursorgaan vraagt de werking van het besluit op te schorten.
Is sprake van een bijzondere omstandigheid?
5. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is sprake van deze bijzondere omstandigheid. Verzoeker heeft het college namelijk onvoldoende tijd gegeven om te reageren op zijn verzoek om de werking van het besluit van 19 maart 2026 te schorsen. Verzoeker heeft dat verzoek gedaan in zijn bezwaarschrift van vrijdag 3 april 2026 en daaraan een termijn gekoppeld van 24 uur na die datum. Op zaterdag 4 april 2026 heeft hij vervolgens zijn verzoekschrift ingediend bij de voorzieningenrechter. Verzoeker betoogt dat het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening noodzakelijk was omdat het college niet binnen 24 uur had gereageerd op zijn schorsingsverzoek. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat de begunstigtingstermijn nog liep tot en met 20 april 2026. Bovendien heeft college direct na ontvangst van het bezwaarschrift op dinsdag 7 april 2026 (na het paasweekend) ingestemd met het schorsingsverzoek door de begunstigingstermijn te verlengen totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter concludeert dat het college tussen het indienen van het bezwaarschrift en het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, niet voldoende de gelegenheid heeft gehad om de werking van het besluit op te schorten. Dit komt omdat verzoeker zijn verzoek in het bezwaarschrift een dag voor het paasweekend bij het college heeft ingediend én hij vervolgens in het paasweekend een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend. Gelet op de begunstigingstermijn en bij gebreke van omstandigheden die tot een andere conclusie leiden, kon het college meer tijd worden gegund. Dit is reden om het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Conclusie en gevolgen
6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 21 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2091
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.A.A. Maat),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, het college
(gemachtigde: mr. S.A. Keij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 19 maart 2026. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken omdat het college heeft laten weten de werking van dit besluit op te schorten totdat op het bezwaar is beslist.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet voor een proceskostenvergoeding.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het verlengen van de begunstigingstermijn aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
4.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is onder meer sprake van een bijzondere omstandigheid wanneer verzoeker, voordat hij een verzoek om voorlopige voorziening indient, niet eerst bij het bestuursorgaan vraagt de werking van het besluit op te schorten.
Is sprake van een bijzondere omstandigheid?
5. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is sprake van deze bijzondere omstandigheid. Verzoeker heeft het college namelijk onvoldoende tijd gegeven om te reageren op zijn verzoek om de werking van het besluit van 19 maart 2026 te schorsen. Verzoeker heeft dat verzoek gedaan in zijn bezwaarschrift van vrijdag 3 april 2026 en daaraan een termijn gekoppeld van 24 uur na die datum. Op zaterdag 4 april 2026 heeft hij vervolgens zijn verzoekschrift ingediend bij de voorzieningenrechter. Verzoeker betoogt dat het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening noodzakelijk was omdat het college niet binnen 24 uur had gereageerd op zijn schorsingsverzoek. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat de begunstigtingstermijn nog liep tot en met 20 april 2026. Bovendien heeft college direct na ontvangst van het bezwaarschrift op dinsdag 7 april 2026 (na het paasweekend) ingestemd met het schorsingsverzoek door de begunstigingstermijn te verlengen totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter concludeert dat het college tussen het indienen van het bezwaarschrift en het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, niet voldoende de gelegenheid heeft gehad om de werking van het besluit op te schorten. Dit komt omdat verzoeker zijn verzoek in het bezwaarschrift een dag voor het paasweekend bij het college heeft ingediend én hij vervolgens in het paasweekend een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend. Gelet op de begunstigingstermijn en bij gebreke van omstandigheden die tot een andere conclusie leiden, kon het college meer tijd worden gegund. Dit is reden om het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Conclusie en gevolgen
6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 21 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.