Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:9361
2026-01-08
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/5834
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vovo. Intrekking wegens tegemoetkoming. Toekenning verzoek om pkv.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CRVB:2014:3263 Centrale Raad van Beroep 24-09-2014
- ECLI:NL:CRVB:2019:3252 Centrale Raad van Beroep 15-10-2019
- ECLI:NL:RVS:2015:1930 Raad van State 12-06-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.985 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5834
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Berkel),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. W.P. van Lith).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten.
1.1.
Verzoekster had beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juli 2025 en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Op 13 oktober 2025 heeft de behandeling ter zitting bij de voorzieningenrechter plaatsgevonden. Daar is verzoekster verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde die digitaal heeft deelgenomen aan de zitting, en de gemachtigde van verweerder. Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of de toegewezen parkeerplaats kon worden verruimd voor het voertuig van verzoekster.
1.3.
Op 27 oktober 2025 heeft verzoekster de rechtbank geïnformeerd haar verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken, omdat verweerder aan de overkant van de eerder toegewezen locatie een parkeerplaats heeft gerealiseerd waar het voertuig van verzoekster kan worden geparkeerd. Zij heeft bij haar intrekking verzocht om de veroordeling van verweerder in de proceskosten.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
1.5.
De voorzieningenrechter doet zonder (nadere) zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is verweerder aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Verweerder is met de realisatie van de parkeerplaats aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient verweerder te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft twee proceshandelingen verricht: het indienen van een verzoekschrift en het verschijnen ter zitting. Deze proceshandelingen leveren twee punten op met een waarde van € 934,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die verweerder moet vergoeden € 1.868,- bedragen.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat verweerder aan verzoekster is tegemoetgekomen betaalt de griffier het griffierecht ter hoogte van € 53,- aan verzoekster terug.
Beslissing
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk Centrale Raad van Beroep (CRvB) 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5834
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Berkel),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. W.P. van Lith).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten.
1.1.
Verzoekster had beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juli 2025 en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Op 13 oktober 2025 heeft de behandeling ter zitting bij de voorzieningenrechter plaatsgevonden. Daar is verzoekster verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde die digitaal heeft deelgenomen aan de zitting, en de gemachtigde van verweerder. Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of de toegewezen parkeerplaats kon worden verruimd voor het voertuig van verzoekster.
1.3.
Op 27 oktober 2025 heeft verzoekster de rechtbank geïnformeerd haar verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken, omdat verweerder aan de overkant van de eerder toegewezen locatie een parkeerplaats heeft gerealiseerd waar het voertuig van verzoekster kan worden geparkeerd. Zij heeft bij haar intrekking verzocht om de veroordeling van verweerder in de proceskosten.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
1.5.
De voorzieningenrechter doet zonder (nadere) zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is verweerder aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Verweerder is met de realisatie van de parkeerplaats aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient verweerder te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft twee proceshandelingen verricht: het indienen van een verzoekschrift en het verschijnen ter zitting. Deze proceshandelingen leveren twee punten op met een waarde van € 934,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die verweerder moet vergoeden € 1.868,- bedragen.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat verweerder aan verzoekster is tegemoetgekomen betaalt de griffier het griffierecht ter hoogte van € 53,- aan verzoekster terug.
Beslissing
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk Centrale Raad van Beroep (CRvB) 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.