Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:332
2023-03-03
Bestuursrecht; Belastingrecht
22/02928
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2023:332 → ECLI:NL:GHAMS:2022:2753
Inhoudsindicatie
WOZ; motivering oordeel dat de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld in het licht van met bewijsmiddelen onderbouwde stelling van belanghebbende
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2753 Gerechtshof Amsterdam 23-06-2022
Geciteerd door (288)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6955 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4636 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4639 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4502 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4495 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4501 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4497 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2573 Gerechtshof Amsterdam 02-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2148 Gerechtshof Den Haag 01-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2290 Gerechtshof Den Haag 30-06-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4310 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-06-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4067 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-06-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4065 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2044 Gerechtshof Den Haag 10-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1894 Gerechtshof Den Haag 02-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2344 Gerechtshof Den Haag 02-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1811 Gerechtshof Den Haag 28-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1812 Gerechtshof Den Haag 28-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1813 Gerechtshof Den Haag 28-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:3405 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:3406 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4400 Rechtbank Midden-Nederland 21-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4395 Rechtbank Midden-Nederland 21-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4398 Rechtbank Midden-Nederland 21-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3123 Rechtbank Midden-Nederland 20-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 Gerechtshof Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 Gerechtshof Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3661 Rechtbank Midden-Nederland 19-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3914 Rechtbank Midden-Nederland 13-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2850 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1818 Gerechtshof Den Haag 22-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1886 Gerechtshof Den Haag 16-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:876 Gerechtshof Den Haag 16-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1835 Gerechtshof Den Haag 08-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3117 Rechtbank Midden-Nederland 27-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1831 Gerechtshof Den Haag 17-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1828 Gerechtshof Den Haag 11-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:328 Gerechtshof Den Haag 25-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:292 Gerechtshof Den Haag 25-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:325 Gerechtshof Den Haag 25-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:327 Gerechtshof Den Haag 25-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:420 Gerechtshof Den Haag 18-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:417 Gerechtshof Den Haag 18-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1888 Gerechtshof Den Haag 18-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1013 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1021 Gerechtshof Den Haag 04-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:696 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:704 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:76 Gerechtshof Den Haag 22-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:415 Gerechtshof Den Haag 22-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:415 Gerechtshof Den Haag 22-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:414 Gerechtshof Den Haag 22-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:414 Gerechtshof Den Haag 22-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:136 Gerechtshof Den Haag 14-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:60 Gerechtshof Den Haag 14-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:135 Gerechtshof Den Haag 14-01-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2025:8459 Rechtbank Oost-Brabant 23-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2839 Gerechtshof Den Haag 17-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:7989 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:7997 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-12-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (5.040 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02928
Datum 3 maart 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 juni 2022, nr. 21/01133, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 21/177) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Amsterdam voor het jaar 2020 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z].
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2019 voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 502.000.
2.2.
Na tevergeefs bezwaar te hebben gemaakt heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2.3.1.
Zowel voor de Rechtbank als voor het Hof heeft de heffingsambtenaar de door hem vastgestelde waarde verdedigd onder verwijzing naar een taxatierapport. In dit taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak getaxeerd op € 502.000, als resultaat van een vergelijking van de onroerende zaak met drie woningen die zijn gelegen in dezelfde straat als de onroerende zaak en die alle drie zijn verkocht enige tijd voor de waardepeildatum.
2.3.2.
Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep gewezen op zes andere woningen, gelegen in dezelfde straat, die enige tijd voor of na de waardepeildatum zijn verkocht. Een vergelijking met alle negen verkoopcijfers leidt volgens belanghebbende tot de conclusie dat de waarde van de onroerende zaak moet worden vastgesteld op € 457.209.
2.3.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar kon deze waarde afleiden uit het gewogen gemiddelde van drie vergelijkbare objecten. Hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd doet daaraan geen afbreuk, aldus het Hof.
3Beoordeling van de middelen
3.1
De middelen zijn gericht tegen het hiervoor in 2.3.3 genoemde oordeel.
3.2
Dit oordeel behoefde nadere motivering in het licht van belanghebbendes met bewijsmiddelen onderbouwde stelling dat de opbrengst van de verkoop van zes andere objecten, waarvan de vergelijkbaarheid overigens niet in geschil is, lager was dan die van de drie panden waarvan de heffingsambtenaar is uitgegaan.
3.3
In zoverre slagen de middelen. Voor het overige behoeven zij geen behandeling. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.674 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2023.
ECLI:NL:GHAMS:2022:2753.
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02928
Datum 3 maart 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 juni 2022, nr. 21/01133, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 21/177) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Amsterdam voor het jaar 2020 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z].
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2019 voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 502.000.
2.2.
Na tevergeefs bezwaar te hebben gemaakt heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2.3.1.
Zowel voor de Rechtbank als voor het Hof heeft de heffingsambtenaar de door hem vastgestelde waarde verdedigd onder verwijzing naar een taxatierapport. In dit taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak getaxeerd op € 502.000, als resultaat van een vergelijking van de onroerende zaak met drie woningen die zijn gelegen in dezelfde straat als de onroerende zaak en die alle drie zijn verkocht enige tijd voor de waardepeildatum.
2.3.2.
Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep gewezen op zes andere woningen, gelegen in dezelfde straat, die enige tijd voor of na de waardepeildatum zijn verkocht. Een vergelijking met alle negen verkoopcijfers leidt volgens belanghebbende tot de conclusie dat de waarde van de onroerende zaak moet worden vastgesteld op € 457.209.
2.3.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar kon deze waarde afleiden uit het gewogen gemiddelde van drie vergelijkbare objecten. Hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd doet daaraan geen afbreuk, aldus het Hof.
3Beoordeling van de middelen
3.1
De middelen zijn gericht tegen het hiervoor in 2.3.3 genoemde oordeel.
3.2
Dit oordeel behoefde nadere motivering in het licht van belanghebbendes met bewijsmiddelen onderbouwde stelling dat de opbrengst van de verkoop van zes andere objecten, waarvan de vergelijkbaarheid overigens niet in geschil is, lager was dan die van de drie panden waarvan de heffingsambtenaar is uitgegaan.
3.3
In zoverre slagen de middelen. Voor het overige behoeven zij geen behandeling. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.674 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2023.
ECLI:NL:GHAMS:2022:2753.