Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:1083
2015-04-24
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/04104
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:1083 → ECLI:NL:GHSHE:2014:2555 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Art. 25, lid 6, en art. 27e, letter a, AWR. Vereiste aangifte niet gedaan indien het bedrag aan belasting dat daardoor niet zou worden geheven relatief en absoluut omvangrijk is. Een gebrek in de aangifte dat ertoe leidde dat de volgens aangifte verschuldigde belasting € 2101 (19 percent) lager was dan de werkelijk verschuldigde belasting is op zichzelf beschouwd en verhoudingsgewijs aanzienlijk.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2009:BH1083 Hoge Raad 30-10-2009
Geciteerd door (217)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8010 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-08-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2577 Gerechtshof Amsterdam 30-06-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2577 Gerechtshof Amsterdam 30-06-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2576 Gerechtshof Amsterdam 30-06-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:8400 Rechtbank Noord-Holland 25-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1538 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-06-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2208 Rechtbank Noord-Nederland 09-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1458 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1221 Gerechtshof Amsterdam 14-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3000 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2919 Rechtbank Noord-Holland 19-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5315 Rechtbank Den Haag 10-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5204 Rechtbank Den Haag 10-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5203 Rechtbank Den Haag 10-02-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:1907 Rechtbank Noord-Holland 05-02-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:236 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:58 Gerechtshof Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3509 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3548 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-12-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15786 Rechtbank Noord-Holland 02-12-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15786 Rechtbank Noord-Holland 02-12-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15830 Rechtbank Noord-Holland 02-12-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:14315 Rechtbank Noord-Holland 26-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22445 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22439 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22440 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:9132 Rechtbank Gelderland 29-10-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:9142 Rechtbank Gelderland 29-10-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:9142 Rechtbank Gelderland 29-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2909 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6613 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-10-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3972 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-06-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1613 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:583 Parket bij de Hoge Raad 23-05-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:3829 Rechtbank Gelderland 16-05-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:3830 Rechtbank Gelderland 16-05-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1081 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:524 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:542 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:200 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:200 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6894 Rechtbank Noord-Holland 07-01-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14221 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14220 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14223 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14222 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3163 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3010 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-09-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8828 Rechtbank Noord-Holland 28-08-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1928 Gerechtshof Amsterdam 11-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2222 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1382 Gerechtshof Den Haag 25-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1381 Gerechtshof Den Haag 25-06-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2009 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3479 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-05-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:5335 Rechtbank Noord-Holland 21-05-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:5335 Rechtbank Noord-Holland 21-05-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (5.829 tekens)
24 april 2015
nr. 14/04104
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 25 juli 2014, nr. 13/00834, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/124) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2008 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
2.1.1.
Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (2008) € 33.552 aan loon uit dienstbetrekking genoten. Hij heeft voor het jaar 2008 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.225. De aangifte is door de Inspecteur gevolgd.
2.1.2.
Op 13 januari 2009 is door de politie in een door belanghebbende gehuurd pand een hennepkwekerij met 254 hennepplanten aangetroffen.
2.1.3.
De politierechter heeft bij vonnis van 15 december 2009 het wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met de hennepteelt vastgesteld op een bedrag van € 5338 en aan belanghebbende de verplichting opgelegd tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De berekening is gebaseerd op de eigen verklaring van belanghebbende dat er één eerdere oogst is geweest met een opbrengst van 2,1 kilogram.
2.1.4.
In een rapport dat is opgesteld naar aanleiding van een bij belanghebbende verricht boekenonderzoek is geconcludeerd tot een opbrengst van € 46.987, uitgaande van twee eerdere oogsten. De navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.225 + € 46.987 = € 80.121.
2.1.5.
De Rechtbank heeft de navorderingsaanslag verminderd overeenkomstig het nader in beroep ingenomen standpunt van de Inspecteur dat de correctie van het inkomen uit werk en woning dient te worden bepaald op € 16.975.
2.2.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daartoe heeft het Hof eerst onderzocht of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangifte.
Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat gelet op de door belanghebbende gestelde opbrengst van de oogst ten bedrage van € 5000, althans niet meer dan € 5338, afgezet tegen de looninkomsten ten bedrage van € 33.552, de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de op basis van de aangifte verschuldigde belasting zowel relatief als absoluut aanzienlijk lager is dan de daadwerkelijk verschuldigde belasting, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde is.
2.3.1.
Het eerste middel bestrijdt het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel met het betoog dat zelfs bij de door het Hof aannemelijk geachte verzwegen inkomsten van € 5000 sprake is van een absoluut en relatief omvangrijk bedrag aan gederfde belasting, zodat de vereiste aangifte niet is gedaan.
2.3.2.
Voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: belasting) geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (zie HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47).
2.3.3.
Op grond van het door belanghebbende aangegeven inkomen is een bedrag aan belasting verschuldigd van € 8938. De verschuldigde belasting over het door het Hof vastgestelde inkomen van € 38.225 bedraagt € 11.039. Dit is € 2101 oftewel 19 percent meer dan de op grond van de aangifte verschuldigde belasting. Dit is niet alleen verhoudingsgewijs, maar ook op zichzelf beschouwd aanzienlijk. Het eerste middel slaagt derhalve. Het tweede middel behoeft geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2015.
nr. 14/04104
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 25 juli 2014, nr. 13/00834, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/124) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2008 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
2.1.1.
Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (2008) € 33.552 aan loon uit dienstbetrekking genoten. Hij heeft voor het jaar 2008 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.225. De aangifte is door de Inspecteur gevolgd.
2.1.2.
Op 13 januari 2009 is door de politie in een door belanghebbende gehuurd pand een hennepkwekerij met 254 hennepplanten aangetroffen.
2.1.3.
De politierechter heeft bij vonnis van 15 december 2009 het wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met de hennepteelt vastgesteld op een bedrag van € 5338 en aan belanghebbende de verplichting opgelegd tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De berekening is gebaseerd op de eigen verklaring van belanghebbende dat er één eerdere oogst is geweest met een opbrengst van 2,1 kilogram.
2.1.4.
In een rapport dat is opgesteld naar aanleiding van een bij belanghebbende verricht boekenonderzoek is geconcludeerd tot een opbrengst van € 46.987, uitgaande van twee eerdere oogsten. De navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.225 + € 46.987 = € 80.121.
2.1.5.
De Rechtbank heeft de navorderingsaanslag verminderd overeenkomstig het nader in beroep ingenomen standpunt van de Inspecteur dat de correctie van het inkomen uit werk en woning dient te worden bepaald op € 16.975.
2.2.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daartoe heeft het Hof eerst onderzocht of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangifte.
Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat gelet op de door belanghebbende gestelde opbrengst van de oogst ten bedrage van € 5000, althans niet meer dan € 5338, afgezet tegen de looninkomsten ten bedrage van € 33.552, de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de op basis van de aangifte verschuldigde belasting zowel relatief als absoluut aanzienlijk lager is dan de daadwerkelijk verschuldigde belasting, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde is.
2.3.1.
Het eerste middel bestrijdt het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel met het betoog dat zelfs bij de door het Hof aannemelijk geachte verzwegen inkomsten van € 5000 sprake is van een absoluut en relatief omvangrijk bedrag aan gederfde belasting, zodat de vereiste aangifte niet is gedaan.
2.3.2.
Voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: belasting) geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (zie HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47).
2.3.3.
Op grond van het door belanghebbende aangegeven inkomen is een bedrag aan belasting verschuldigd van € 8938. De verschuldigde belasting over het door het Hof vastgestelde inkomen van € 38.225 bedraagt € 11.039. Dit is € 2101 oftewel 19 percent meer dan de op grond van de aangifte verschuldigde belasting. Dit is niet alleen verhoudingsgewijs, maar ook op zichzelf beschouwd aanzienlijk. Het eerste middel slaagt derhalve. Het tweede middel behoeft geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2015.