Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2576
2026-06-30
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/2022
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Navorderingsaanslag IB/PVV 2014 in verband met correctie inkomen uit aanmerkelijk belang. Saneringskosten privé perceel zijn ten laste gebracht van de B.V. Geen omkering en verzwaring.
Citeert (10)
- ECLI:NL:HR:2009:BH1083 Hoge Raad 30-10-2009
- ECLI:NL:HR:2015:1083 Hoge Raad 24-04-2015
- ECLI:NL:HR:1997:AA2193 Hoge Raad 08-07-1997
- ECLI:NL:HR:2018:672 Hoge Raad 04-05-2018
- ECLI:NL:HR:2008:BA3823 Hoge Raad 25-04-2008
- ECLI:NL:HR:2023:26 Hoge Raad 13-01-2023
- ECLI:NL:HR:1988:ZC3982
- ECLI:NL:HR:2022:1150 Hoge Raad 09-09-2022
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2014:3562 Hoge Raad 12-12-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (49.701 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/2022
30 juni 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: C. Overduin)
tegen de uitspraak van 8 augustus 2025 in de zaak met kenmerk HAA 23/3018 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2014 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 503.245, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 168.037 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.647. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 53.020.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 24.255, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 168.037 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.147. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.
1.3.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’, respectievelijk ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 24.255, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 123.872 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.147 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende en de inspecteur hebben nadere stukken ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026, gelijktijdig met dat in het hoger beroep met het kenmerk 25/2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is indirect, enig aandeelhouder van [bedrijf 1] (voorheen [bedrijf 2] , hierna: de BV). Belanghebbende is tevens eigenaar van een perceel grond op het adres [straat 1] 46 te [Z] . De BV exploiteerde tot in 2014 onder meer een benzinestation en wasstraat op dit perceel van belanghebbende. Van de terbeschikkingstelling van het perceel door belanghebbende aan de BV bestaat geen schriftelijke overeenkomst. Het perceel grond is in het jaar 2014 gesaneerd, de kosten van de sanering zijn verwerkt in de boekhouding van de BV.
2.2.
Belanghebbende woont in een woonboerderij op het adres [straat 2] 24 te [Z] . Op het boerderijperceel is in het jaar 2015 een loods/schuur neergezet. Deze loods/schuur is gebouwd met materialen van de BV, althans de kosten van de materialen zijn verwerkt in de boekhouding van de BV.
2.3.
Het Hof gaat verder uit van de feiten, zoals door de rechtbank vastgesteld en hieronder geciteerd.
“1. Eiser heeft op 26 juni 2000 een stuk grond [Hof: perceel [straat 1] 46] gekocht voor een bedrag van f 1 (de grond). In de akte van levering van 28 december 2000 is onder meer het volgende vermeld:
“BODEMONDERZOEK/BODEMGESTELDHEID/SANERING
Artikel 7
1. Ten aanzien van het verkochte is een beschikking in de zin van artikel 55 van de Wet Bodembescherming genomen door het bevoegde gezag. Verkoper verklaart dat zij de thans (nog) bij haar aanwezige informatie betreffende het verkochte, voorzover voor koper met het oog op voormelde koopovereenkomst en de daarmee samenhangende saneringsplicht relevant, aan koper heeft medegedeeld casu quo overhandigd en verklaart daarenboven geen informatie voor koper te hebben achtergehouden. In dat kader is door verkoper aan koper overhandigd het Bodemonderzoeksrapport van [bedrijf 3] (…).
2. (…)
3. Koper is verplicht na de levering tot algehele sanering van het verkochte voor eigen rekening en risico over te gaan, zulks in overleg met en tot voldoening van het bevoegd gezag en binnen de door het bevoegd gezag gestelde termijn, doch ten laatste binnen achttien (18) maanden na het moment van overdracht. Indien na sanering nog een restverontreiniging mocht blijven bestaan, dan blijft koper hiervoor aansprakelijk. (…)”
2. Binnen de BV werd een benzinestation en een autowasstraat geëxploiteerd op een gedeelte van de grond dat door eiser aan de BV ter beschikking werd gesteld (het perceel). Op 23 januari 2013 heeft eiser met een exploitant van tankstations (Y BV) een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel.
3. In die huurovereenkomst is onder meer het volgende vermeld:
“DE
ONDERGETEKENDEN:
(…)[Y BV] (…) hierna te noemen: [Y BV];
en
de heer [naam eiser] (…), hierna te noemen: “Wederpartij”;
(…)
VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:
1.
Het Perceel, bestemming, recht van opstal
1.1. Wederpartij verhuurt aan [Y BV] en [Y BV] huurt van Wederpartij het (…) “Perceel” (…). Het Perceel wordt na sanering door Wederpartij in bouwrijpe staat, (…), opgeleverd aan [Y BV] (…).
(…)
3. Bodemonderzoek
3.1. In opdracht en voor rekening van [Y BV] zal een bodemonderzoek worden uitgevoerd, tenzij de bodemgesteldheid volgens [Y BV] voldoende kan worden vastgesteld op basis van reeds aanwezige bodemonderzoek(en). Indien geen aanvullend(e) onderzoek(en) en/of sanering nodig is(zijn) en de bodem geschikt is voor de exploitatie van het Tankstation geld(t)(en) het in de vorige volzin genoemde bodemonderzoek(en) als zogenaamde nul-optie.
3.2. Indien aanvullend(e) onderzoek(en) en/of sanering nodig blijk(t)(en) te zijn, dan zal Wederpartij voor haar rekening en risico zorgdragen voor aanvullend(e) onderzoek(en) en/of sanering van het Perceel en het geval van verontreiniging. Sanering zal tenminste zodanig geschieden dat het Perceel blijvend kan worden gebruikt voor de exploitatie van het Tankstation. Indien sanering niet tot zogenaamde multifunctionaliteit plaatsvindt zullen eventueel aanvullend noodzakelijke saneringen gedurende de looptijd van deze overeenkomst, al dan niet als gevolg van renovatie, aanpassing en/of uitbreiding van het Tankstation voor rekening en risico van Wederpartij worden uitgevoerd evenals eventuele meerkosten (ten opzichte van de situatie multifunctionele bodem) ten behoeve van de renovatie, aanpassing of uitbreiding, vertraging daaronder begrepen. De eventuele meerkosten van onderzoek, opslag, afvoer en verwerking van zogenaamde categorie I-grond, danwel chemisch of anderszins verontreinigde grond zijn voor rekening van Wederpartij. Na sanering zal het daaruit voortvloeiende evaluatierapport gelden als zogenaamde nul-optie.
(…)
3.4. Wederpartij vrijwaart [Y BV] tegen (overheids)bevelen tot nader onderzoek of het treffen van (tijdelijke) beveiligingsmaatregelen of saneringsmaatregelen. Wederpartij zal tevens voor haar rekening en risico saneren indien gedurende de looptijd van deze overeenkomst verontreiniging, afkomstig van andere stukken grond de exploitatie, renovatie, aanpassing of verandering van het Tankstation belemmert of anderszins nadelig beïnvloedt. (…)”
4. In 2014 is de bodem van het perceel gesaneerd. De saneringskosten zijn verwerkt in de boekhouding van de BV en geactiveerd op de grootboekrekeningen “101 Grond en terreinen” en “102 Verbouwing”. In 2014 is een bedrag van € 102.374 [het Hof begrijpt: inclusief BTW] op deze grootboekrekeningen geboekt.
5. Verweerder heeft op 4 juni 2019 een bedrijfsbezoek aangekondigd bij de BV. Dat bezoek heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Tijdens het bezoek heeft een gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van verweerder en eiser. In het verslag van dit bedrijfsgesprek staat onder meer het volgende:
“Op het bedrijfsterrein was een Carwash en (…) tankstation aanwezig. Dit huurde [eiser] in eerste instantie. [Eiser] heeft dit in 1991 kunnen overnemen voor dacht hij € 1. De reden van de € 1 koopsom was gelegen in het feit dat toen al bekend was dat de ondergrond gesaneerd zou moeten worden.”
Het bedrijfsbezoek heeft onder meer geleid tot een boekenonderzoek bij eiser, waarbij de jaren 2014 tot en met 2020 zijn onderzocht voor de IB/PVV en voor de omzetbelasting.
6. De navorderingsaanslag is vooruitlopend op het controlerapport ter behoud van rechten opgelegd. Verweerder heeft ten aanzien van de saneringskosten een bedrag van € 123.872 (inclusief omzetbelasting) in de navorderingsaanslag opgenomen als uitdeling in box 2.
7. In de brief van 18 november 2019 aan de toenmalige gemachtigde van eiser waarin de correcties voor het jaar 2014 worden toegelicht, staat onder meer het volgende:
“Omdat er door u, noch [eiser] op dit moment nadere bescheiden en/of administratie over het jaar 2014 zijn overgelegd en wij op dit moment ook niet over nadere gegevens beschikken, zullen voor [eiser] een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2014 ter behoud van rechten opgelegd worden, rekening houdend met de volgende op dit moment bekend zijnde feiten en omstandigheden.
(…)
Box 2 inkomen
De saneringskosten hadden niet door de B.V. betaald mogen worden, aangezien de sanering onderdeel is van de huurovereenkomst met [Y BV]. De tenaamstelling op diverse nota’s inzake deze sanering is [naam eiser] Carwash, niet [de BV], zoals de tenaamstelling (en handelsnaam) van de vennootschap al vanaf 31 december 2012 luidt. Reden om aan te nemen dat deze kosten niet bestemd waren voor de vennootschap. Desondanks zijn ze toch door de B.V. betaald en ten laste van het resultaat gekomen (er vanuit gaande dat afboeking van deze kosten van een vooruitontvangen bedrag ten onrechte is geweest).
Het kan niet anders dan dat dit is gebeurd omdat dit uitgaven ten behoeve van de aandeelhouder zijn geweest. Zowel [eiser] als de vennootschap moeten zich dit bewust zijn geweest, maar desondanks zijn ze ten laste van de vennootschap geboekt. Derhalve is sprake van uitdeling van winst (dividend) voor het totale bedrag van de uitgaven inclusief omzetbelasting ad € 123.873.
Correctie 1 Box 2 inkomen: dividend € 123.872
Tijdens het gesprek met [eiser] zijn er uitgaven besproken, die mogelijk zien op privé maar ten laste van de vennootschap zijn gekomen. Of hiervan ook in 2014 sprake is geweest, kan pas geconcludeerd worden als de facturen met betrekking tot alle in de vennootschap geclaimde kosten zijn beoordeeld. Ter behoud van rechten is bij de vennootschap gesteld dat de helft van de auto- en transportkosten, huisvestingskosten, verkoopkosten en andere kosten, in totaal € 36.500 excl. btw mogelijk zien op privé en worden gecorrigeerd. Er wordt verder van uitgegaan dat deze kosten alleen ten laste van de vennootschap zijn gekomen doordat de aandeelhouder deze uitgaven als zakelijk heeft bestempeld in plaats van privé.
Hiermee is de aandeelhouder als zodanig bevoordeeld en zijn zowel de aandeelhouder als devennootschap zich daar van bewust geweest. Het totale bedrag van deze uitgaven inclusief btw (€ 36.500 + € 7.665 = € 44.165) wordt derhalve aangemerkt als uitdeling van winst (dividend).
Correctie 2 Box 2 inkomen: dividend € 44.165”
8. Van het boekenonderzoek is op 26 januari 2022 een conceptrapport aan eiser gezonden (het conceptrapport). Daarin is voor de onderbouwing van de navorderingsaanslag aangesloten bij de hiervoor aangehaalde brief van 18 november 2019.
9. Eiser heeft niet op het conceptrapport gereageerd. Verweerder heeft op 10 februari 2022 hetzelfde rapport aan eiser gezonden met de volgende aanvulling in de slotopmerkingen:
“Met dagtekening 26 januari 2022 is een conceptrapport verzonden naar de heren (…) en [eiser]. Dit is zowel per mail als per post gebeurd. Hierop is geen reactie gekomen.”
10. Bij brief van 3 maart 2022 heeft verweerder eiser onder meer verzocht de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting 2014 en de (navorderings)aanslagen IB/PVV die zijn opgelegd voor de jaren 2014 tot en met 2017, te motiveren. In reactie hierop heeft eiser op 31 maart 2022 vanwege gezondheidsklachten en privéomstandigheden verzocht om uitstel voor de motivering. Bij brief van 19 mei 2022 heeft verweerder verzocht op korte termijn tot motivering van de bezwaren over te gaan. Op 27 juni 2022 heeft eiser excel-bestanden aan verweerder gezonden voor de omzetbelasting van de BV. Op 6 juli 2022 heeft verweerder vervolgens een e-mailbericht aan eiser gezonden, waarin wordt gevraagd wanneer de motivering van de bezwaarschriften tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV verwacht kan worden. Bij brief van 23 augustus 2022 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij voornemens is de bezwaarschriften tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV af te wijzen. In deze brief wordt gelegenheid geboden voor het inplannen van een hoorgesprek.
11. Op 23 november 2022 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen verweerder, eiser en diens toenmalige adviseurs. Naar aanleiding van dat gesprek zou eiser de bezwaren uiterlijk op 19 december 2022 nader motiveren. Op 4 januari 2023 heeft verweerder eiser verzocht alsnog de bezwaren te motiveren, uiterlijk op 13 januari 2023. Daarop is geen reactie ontvangen.
12. Bij brief van 16 februari 2023 heeft verweerder met betrekking tot het bezwaar tegen de navorderingsaanslag meegedeeld dat de correctie van het box 1-inkomen vanwege een eerdere toezegging zal worden teruggenomen.
13. Op 22 februari 2023 heeft verweerder van eiser een map met stukken ontvangen waaronder een commentaar van 7 december 2022 op het controlerapport. Die stukken hebben bij verweerder niet geleid tot andere inzichten met betrekking tot de afdoening van het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag.
14. Met dagtekening 10 augustus 2023 heeft verweerder uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag gedaan. Hierbij is de correctie van het resultaat uit overige werkzaamheden van € 528.000 teruggenomen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is overeenkomstig de aangifte vastgesteld op negatief € 24.255. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is vastgesteld op € 168.037 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 4.147.”
2.4.
Tot het dossier in hoger beroep behoort een e-mail van een fiscaal adviseur van de gemeente Zaanstad aan de inspecteur over een bedrag van € 150.000 dat in 2012 door de gemeente is betaald. Aanvankelijk heeft de inspecteur van dit e-mailbericht uitsluitend de inhoud overgelegd, later is het gehele bericht inclusief de verzenddatum 12 november 2019 ingebracht:
“U heeft met mijn collega [naam] gesproken over een uitkering in 2012 van de gemeente aan [bedrijf 2] ter hoogte van € 150.000. U heeft ons gevraagd meer informatie te geven over deze uitkering.
De gemeente heeft dit bedrag uitgekeerd op grond van een vaststellingovereenkomst uit 2005. [bedrijf 2] heeft in 2003 een aanvraag ingediend voor de bouw van een dubbele wasstraat. In de vaststellingovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de gemeente een bijdrage van € 150.000 doet aan de plaatsing van een geluidsscherm, waarmee de geluidsbelasting op de gevel van het naastgelegen nieuwgebouwde appartementencomplex kan worden geminimaliseerd. Op grond van de vaststellingsovereenkomst is de gemeente verplicht tot uitkering van het bedrag binnen een week na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning voor de wasstraat. [bedrijf 2] is op grond van de vaststellingsovereenkomst gehouden de bijdrage aan te wenden voor de verwezenlijking van het geluidsscherm. Zowel de wasstraat als het geluidsscherm zijn tot op heden niet gerealiseerd.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Als u nog meer vragen heeft, hoor ik het graag.”
3Geschil in hoger beroep
3.1.
In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslag, zoals deze na de vermindering is komen te luiden, terecht en zo ja, naar een te hoog bedrag is vastgesteld.
3.2.
Meer specifiek is in geschil de correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang van € 123.872 in verband met een uitdeling door de BV aan belanghebbende.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft over het geschil als volgt overwogen:
“Vereiste aangifte
18. Allereerst dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard en moet eiser doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.
19. Volgens vaste jurisprudentie heeft een belastingplichtige (onder meer) niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken [voetnoot Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083].
20. Eiser heeft voor het jaar 2014 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van negatief € 24.255 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 3.219 (na toepassing van een restant persoonsgebonden aftrek van € 500). Volgens de aangifte is (na toepassing van de algemene heffingskorting) geen bedrag aan belasting verschuldigd.
Niet in geschil is dat de BV in 2014 (in ieder geval) € 123.872 inclusief omzetbelasting aan saneringskosten heeft betaald. Indien de betaling van deze kosten door de BV als verkapte winstuitdeling moet worden aangemerkt, zou daarmee een belastingbedrag gemoeid zijn van € 27.251 (22% van € 123.872).
Verweerder stelt dat eiser ten onrechte de betaling van de saneringskosten door de BV niet als inkomen uit aanmerkelijk belang heeft aangegeven en dat hij daarom niet de vereiste aangifte heeft gedaan.
21. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de saneringskosten zijn gemaakt vanwege de op eiser rustende verplichting tot het laten uitvoeren van een sanering uit hoofde van de huurovereenkomst die door eiser in privé is gesloten met Y BV en waarvan eiser de opbrengsten ook in privé geniet. De grond was al vervuild vóórdat de BV van het perceel gebruik ging maken voor de exploitatie van haar activiteiten, hetgeen ook blijkt uit de akte van levering (zie hiervoor onder 3) en de verklaring van eiser tijdens het bedrijfsgesprek (zie hiervoor onder 5). Eiser heeft zijn stelling dat voordat hij de grond eind december 2020 heeft verworven reeds saneringswerkzaamheden hebben plaatsgevonden en dat de vervuiling van het perceel aanzienlijk is verergerd in de periode waarin de BV het tankstation heeft geëxploiteerd, volgens verweerder op geen enkele wijze onderbouwd met stukken. Externe factoren die aan de vervuiling zouden hebben bijgedragen, zijn bij uitstek risico’s die de eigenaar van de grond zou moeten dragen en dus niet de BV. Door de saneringskosten door de BV te laten dragen, zijn bedragen aan het vermogen van de BV onttrokken met de bedoeling eiser als aandeelhouder te bevoordelen. In de handelwijze van eiser en de BV ligt de (dubbele) bewustheid van zowel de vermogensverschuiving als de bevoordeling besloten, aldus verweerder.
22. Eiser stelt dat er reeds voordat hij het perceel op 28 december 2000 heeft verworven, een gedeeltelijke sanering heeft plaatsgevonden en dat de nog te verrichten saneringswerkzaamheden slechts een kleine ingreep betroffen. In de periode vanaf de verwerving van het perceel door eiser is de vervuiling van de bodem aanzienlijk toegenomen als gevolg van de exploitatie van het tankstation door de BV. Ook is de vervuiling toegenomen door infiltratie vanuit een oude sloot, een oude gasbuis van het nabijgelegen gasfabriekterrein, die gasfabriek zelf en het springen van het gemeentelijk hoofdriool. Tevens heeft de gemeente de saneringsopdracht steeds verder uitgebreid. Uiteindelijk is er in 2014 een veel grotere sanering uitgevoerd dan beschreven in het [bedrijf 3] Milieutechnologie-rapport vermeld in de akte van levering. De hele sanering heeft in 2014 afgerond zo’n € 200.000 gekost, terwijl de saneringskosten rond de overnamedatum van 28 december 2000 waren begroot op f 65.000. Ingevolge het adagium ‘de vervuiler betaalt’ is het volgens eiser niet meer dan logisch dat de BV de saneringskosten draagt. Aan de zogenoemde dubbele bewustheidsvoorwaarde is niet voldaan, omdat er nooit een bevoordelingsbedoeling is geweest.
23. Met wat verweerder heeft verklaard en overgelegd heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij de betaling van de saneringskosten door de BV terecht heeft aangemerkt als een uitdeling aan eiser. In het huurcontract dat eiser heeft gesloten met Y BV is expliciet vermeld dat eiser voor zijn rekening en risico ervoor zorg zal dragen dat het perceel wordt gesaneerd. Het is dan ook vanzelfsprekend dat eiser de kosten voor de sanering zal moeten dragen. Verder is niet gebleken van een contractuele afspraak tussen eiser en de BV op grond waarvan de BV verplicht zou zijn om de saneringskosten voor haar rekening te nemen. Het enkele betoog van eiser dat de BV als vervuiler de kosten zou moeten dragen, is onvoldoende om anders te oordelen. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat op de BV de verplichting rustte om het perceel (bij beëindiging van de huur) schoon op te leveren. Er zijn dan ook geen zakelijke redenen voor de BV aan te wijzen om de saneringskosten voor haar rekening te nemen. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat de BV de saneringskosten heeft betaald ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van eiser, haar directeur grootaandeelhouder. Er is sprake van een vermogensverschuiving van de BV naar de aandeelhouder (bevoordeling) als gevolg waarvan aan het vermogen van de BV een geldbedrag ten gunste van de aandeelhouder is onttrokken. Zowel eiser als de BV moeten zich van deze bevoordeling bewust zijn geweest [voetnoot: Vgl. Hoge Raad 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193]. De door de BV voor haar rekening genomen saneringskosten zijn dan ook terecht door verweerder als uitdeling belast. De stelling van eiser dat de correctie onterecht zou zijn omdat de uitdeling niet in 2014 als ‘genoten’ is te beschouwen op grond van het kasstelsel, volgt de rechtbank niet. Niet in geschil is dat de saneringskosten in 2014 zijn betaald door de BV in plaats van door eiser. Daarmee is de uitdeling ook in 2014 genoten door eiser. Dat de aftrek van voorbelasting op de saneringskosten in het kader van de omzetbelasting alsnog bij de BV is geaccepteerd, leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat dit volgens verweerder ten onrechte is gebeurd.
24. Gelet op het voorgaande is ook de conclusie gerechtvaardigd dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De aangifte vertoonde immers een gebrek dat ertoe leidde dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager was dan de werkelijk verschuldigde belasting. Daarnaast is het bedrag van de belasting dat als gevolg van het gebrek niet zou zijn geheven, aanzienlijk. Eiser moet zich daarvan ten tijde van het doen van de aangifte ook bewust zijn geweest.
25. Nu – zoals hiervoor overwogen – reeds aannemelijk is geworden dat de saneringskosten terecht als uitdeling bij eiser in de heffing zijn betrokken, leidt omkering en verzwaring van de bewijslast niet tot een andere uitkomst. Het betoog van eiser dat omkering en verzwaring van de bewijslast niet mogelijk is omdat er geen definitief rapport zou zijn opgemaakt, behoeft gezien het voorgaande geen behandeling.
Bewijsaanbod
26. Eiser heeft in zijn pleitnota een bewijsaanbod gedaan, inhoudende dat hij stukken kan nazenden die onderbouwen dat de grond aanzienlijk ernstiger vervuild is geraakt als gevolg van activiteiten van de BV in de periode 2001-2014. De rechtbank wijst dit bewijsaanbod af. Zoals volgt uit al hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank voor de beoordeling of de betalingen van de saneringskosten door de BV als uitdeling kunnen worden aangemerkt niet relevant of, en zo ja in hoeverre, de BV de veroorzaker is geweest van de vervuiling van de grond.
Correctie inzake overige privékosten
27. Aangezien tussen partijen niet langer in geschil is dat de correctie in verband met de betaling door de BV van overige privékosten ad € 44.165 dient te vervallen, heeft deze correctie ten onrechte plaatsgevonden.
Conclusie
28. Gezien het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De navorderingsaanslag dient te worden verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 24.255, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 123.872 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.147.
Belastingrente
29. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de berekening van de belastingrente en ook overigens is niet gebleken dat deze is berekend in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de Awr. Wel dient de belastingrente die in rekening is gebracht te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de navorderingsaanslag.
Proceskosten
30. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten en merkt in dat kader deze zaak aan als samenhangend met de zaken met de nummers HAA 23/3019, HAA 23/3020 en HAA 23/3022 tot en met HAA 23/3026.
31. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1,5 omdat sprake is van meer dan drie samenhangende beroepen).
In de zaak met zaaknummer HAA 23/3019 is het (pro forma)bezwaarschrift ingediend door een gemachtigde, maar daarbij is niet verzocht om een kostenvergoeding voor bezwaar. De overige bezwaarschriften zijn ingediend door eiser zelf. Voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase is daarom geen aanleiding.”
5Beoordeling van het geschil
Op de zaak betrekking hebbende stukken
5.1.
In artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter zendt.
Het gaat hierbij om stukken die de inspecteur bij de besluitvorming ter beschikking (hebben ge-)staan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de nog bestaande geschilpunten. Indien iemand voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een dergelijk stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, moet het stuk door de inspecteur overgelegd worden (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, ro. 3.4.2 en HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, ro. 3.5.2).
5.2.
Belanghebbende heeft het vermoeden dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Het gaat belanghebbende om overleg binnen de belastingdienst en om contact dat er is geweest tussen de toenmalige inspecteur en gemeente Zaandam . Belanghebbende heeft de indruk dat de belastingcontrole die bij hem werd opgestart met dat contact te maken heeft. De inspecteur heeft in reactie op deze vermoedens bevestigd dat één keer overleg is geweest met de gemeente en heeft daarvan het onder 2.4 opgenomen e-mailbericht ingebracht. Verder is er geen contact met de gemeente geweest en zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht, aldus de inspecteur.
5.3.
Het Hof stelt vast dat in het e-mailbericht van 12 november 2019 gereageerd wordt op een vraag van de inspecteur naar de betaling door de gemeente van een groot geldbedrag aan belanghebbende in 2012, als vergoeding voor een door belanghebbende aan te brengen geluidsscherm. Het Hof ziet in de inhoud van het bericht geen aanwijzing dat er anders dan over deze vraag contact was tussen de gemeente en de Belastingdienst, het bericht is formeel van toon en betreft uitsluitend de gestelde vraag. Ook geeft het geen vermoeden van enig oorzakelijk verband tussen contact met de gemeente en de belastingcontrole. De mail met het antwoord van de gemeente dateert van ruim na het bedrijfsgesprek van 18 juni 2019 en ook van na de aankondiging van het boekenonderzoek bij belanghebbende op 4 november 2019. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het anders is gelopen dan door de inspecteur uiteengezet, namelijk dat er bij de BV een discussie was over privégebruik van auto’s, dat daarom op 18 juni 2019 een gesprek met belanghebbende is gevoerd en dat bij dat gesprek de informatie naar boven kwam die aanleiding vormde het boekenonderzoek in te stellen.
5.4.
Bij deze stand van zaken ziet het Hof geen aanleiding – daartoe is onvoldoende gesteld – aan te nemen dat er stukken zijn of correspondentie is (geweest) van de inspecteur met de gemeente (of met anderen), die niet aan de rechter is/zijn overgelegd en die wel van belang kan/kunnen zijn voor het nog resterende geschil in de zin van artikel 8:42 van de Awb. Het is een veel voorkomende misvatting dat elk geschreven woord van een inspecteur zonder meer een op de zaak betrekking hebbend stuk oplevert.
Te laat indienen van stukken door de inspecteur
5.5.
In artikel 8:42, lid 1, Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken verzendt binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift en – indien de bestuursrechter daarom heeft verzocht – een verweerschrift indient.
Belanghebbende klaagt erover de inspecteur hiermee steeds te laat was en verzoekt het Hof daarom het verweerschrift in hoger beroep tardief te verklaren en buiten beschouwing te laten.
5.6.
Belanghebbende heeft gelijk dat de inspecteur zich in de procedure bij de rechtbank niet aan de gestelde termijnen voor het indienen van stukken heeft gehouden. Ook in hoger beroep heeft de inspecteur het verweerschrift (inclusief vier nieuwe bijlagen) te laat ingediend, namelijk op 20 januari 2026 in plaats van op 2 januari 2026. Het Hof stelt voorop dat het naleven van door (de administratie van) een gerecht gestelde termijnen van belang is, omdat dit niet alleen de goede procesorde dient, maar ook bijdraagt aan efficiënte en tijdige rechtspraak. In deze zaak heeft belanghebbende het verweerschrift (en de bijlagen) in hoger beroep weliswaar 18 dagen te laat, maar ruim vóór de geplande zitting bij het Hof ontvangen. Belanghebbende is redelijkerwijs niet geschaad in zijn mogelijkheden om de zitting tijdig te kunnen voorbereiden en reeds daarom zal het Hof het verweerschrift niet als tardief buiten beschouwing laten.
Het “concept-rapport”
5.7.
Belanghebbende betoogt dat het rapport van het boekenonderzoek twee maal als “concept” is verzonden (zie ro. 8 en 9 van de rechtbankuitspraak), niet definitief is geworden en dat daarom niet mag worden uitgegaan van hetgeen in dat rapport staat. Het Hof heeft uit de stukken van belanghebbende opgemaakt dat het hem gaat om de gemiste mogelijkheid tot reageren op het concept-rapport en heeft belanghebbende ter zitting gevraagd met welke passages hij het niet eens is. Belanghebbende heeft hierop geen specifieke passage kunnen aanwijzen en heeft herhaald dat het hem om het gehele rapport gaat. Daarmee lijkt vooral sprake te zijn van een formele klacht zonder inhoud. Het Hof zal het rapport “definitief” in zijn beoordeling betrekken. Het Hof acht niet geloofwaardig dat belanghebbende in de veronderstelling was dat ook het tweede rapport nog steeds concept was, alleen al omdat in het tweede rapport staat dat belanghebbende niet op het conceptrapport had gereageerd. Het moet duidelijk geweest zijn dat klaarblijkelijk vergeten is het woord “concept” te verwijderen. Maar zelfs als het al zo zou zijn dat belanghebbende dacht dat nog steeds sprake was van een concept, dan had het op zijn weg gelegen om de gemiste kans om commentaar te leveren alsnog te benutten of op zijn minst aan te duiden wat er schortte aan het “concept”. Doordat belanghebbende dit onvoldoende specifiek heeft gedaan, ziet het Hof geen aanleiding bepaalde passages buiten beschouwing te laten.
De saneringskosten
5.8.
Belanghebbende heeft vanwege zijn 100% aandeelhouderschap in de BV, daarin een aanmerkelijk belang. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen (artikel 4.12, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001). Tot deze voordelen worden ook verkapte winstuitdelingen gerekend. Een verkapte winstuitdeling doet zich voor indien uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst van een vennootschap een vermogensverschuiving plaatsvindt van die vennootschap aan haar aandeelhouder, waarbij die vermogensverschuiving is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen en zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling (HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, ro. 3.4.4).
5.9.
De rechtbank heeft in ro. 23 op goede gronden geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de betaling door de BV van de saneringskosten van de grond van belanghebbende een winstuitdeling aan belanghebbende is. Het Hof neemt dat oordeel over, maakt het tot het zijne en benadrukt: het is belanghebbende die sinds 26 juni 2000 eigenaar is van de grond en zich bij die aankoop contractueel verplicht heeft om de grond te saneren (artikel 7, lid 3, van dat contract; zie punt 2.3). Daarmee is duidelijk dat saneringskosten sinds dat moment voor rekening van belanghebbende zouden zijn. Dat belanghebbende daarna de grond verhuurd heeft aan zijn eigen BV heeft hierin geen verandering gebracht, nu nergens uit af is te leiden dat de BV de saneringsplicht van belanghebbende heeft overgenomen. Integendeel strookt dit met de verplichting die belanghebbende (in eigen persoon) in 2013 nog steeds had om het perceel indien de bodemgesteldheid zulks vereiste voor zijn rekening en risico te saneren en na sanering bouwrijp op te leveren aan de opvolgende huurder (artikel 1, lid 1 en artikel 3, lid 2, van dat contract; zie punt 2.3). Dat de BV desondanks de saneringskosten voor haar rekening nam, moet zijn gebeurd met de bedoeling om haar enige aandeelhouder als zodanig te bevoordelen. De feiten en omstandigheden van deze zaak geven geen blijk van een (ook maar enigszins aannemelijke) zakelijke grondslag. Integendeel lijkt eerder sprake van een patroon van gebruikmaken van de BV voor persoonlijke doeleinden van de aandeelhouder (zie ook zaaknummer 25/2024). Er is sprake van een vermogensverschuiving van de BV naar de aandeelhouder (bevoordeling) als gevolg waarvan aan het vermogen van de BV een geldbedrag ten gunste van de aandeelhouder is onttrokken. De BV en belanghebbende moeten zich van de vermogensverschuiving en van de bevoordelingsbedoeling bewust zijn geweest, belanghebbende heeft het voordeel in zijn hoedanigheid van aandeelhouder aanvaard en uit de jaarrekening van de BV voor het jaar 2014 blijkt dat de BV over voldoende reserves beschikte om de winstuitdeling uit te doen plaatsvinden.
5.10.
De inspecteur heeft voor de hoogte van het nagevorderde bedrag van € 123.872 aangesloten bij het totaalbedrag van de facturen die in 2014 in de boekhouding van de BV zijn verwerkt en die zijn geactiveerd op grootboekrekeningen “101 Grond en terreinen” en “102 Verbouwing”. Belanghebbende verzet zich tegen de hoogte van dit bedrag en betoogt dat hij het inkomen niet in het onderhavige jaar 2014 heeft genoten, dan wel dat het is verrekend omdat kosten zijn geboekt tegenover het oplopen van de rekening-courant met de BV.
5.11.1.
Het Hof heeft hiervoor overwogen dat aannemelijk is dat de saneringsplicht civielrechtelijk op belanghebbende rustte, hetgeen met zich brengt dat de saneringskosten voor rekening en risico van belanghebbende zouden moeten zijn. Daarvan uitgaande zou belanghebbende in het jaar 2014 deze kosten zelf hebben moeten maken en de facturen inclusief daarop drukkende BTW hebben betaald aan de crediteuren. In zijn plaats heeft echter de BV deze kosten betaald. De bevoordeling van belanghebbende (het genieten van inkomen) vindt dan plaats op het moment van betaling van die kosten door de BV en die bevoordeling is gelijk aan het bedrag dat belanghebbende aan kosten is bespaard (vgl. HR 7 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3982, ro. 4.3). De verarming van de BV is in dit geval aan dat bedrag gelijk. Uit het in 5.9 overwogene volgt dat enige op de facturen drukkende BTW niet aan de BV in rekening is gebracht voor prestaties die door haar zijn gebruikt voor met omzetbelasting belaste prestaties, zodat aftrek onterecht zou zijn en het gegeven voordeel dus het gehele bedrag beslaat. Reeds omdat de onderhavige kosten in de jaarrekening van de BV niet via de verlies- en winstrekening zijn gelopen, maar als balanspost zijn geactiveerd (en gecrediteerd), gaat het argument van belanghebbende over verrekening met de rekening-courant niet op.
5.11.2.
Belanghebbende heeft aan zijn eerder gehouden betoog in hoger beroep toegevoegd dat de facturen van het [bedrijf 5] en van [bedrijf 6] niet zien op de sanering van de grond, maar op “onderhoud/monitoring/verslaglegging”, respectievelijk op de sloop van de opstallen van het tankstation.
Het Hof stelt vast dat de op de facturen van het bodemkwaliteitsbureau vermelde tekst zowel betrekking heeft op voorbereiding, begeleiding en het opstellen van het evaluatierapport, als ook op de uren van de milieukundig begeleider, op analyses en peilbuizen. Dit alles duidt op een meer dan aannemelijk verband met de bodemsanering. De facturen van [bedrijf 6] zien op materiaal en werkzaamheden zoals buizen, slangen, zagen en lassen en op een aantal uren werkzaamheden per week. Het zou kunnen dat dit werkzaamheden betreft om de opstallen van het tandstation te verwijderen, maar het ligt voor de hand dat bodemsanering met behoud van de opstallen niet goed mogelijk is. Bovendien zou het in het geval dat wel sprake is van sloopkosten, in wezen gaan om het bouwrijp maken van de grond zoals belanghebbende met de opvolgende huurder is overeengekomen en ook die kosten zouden dus voor zijn rekening zijn. Daarbij komt dat alle hier genoemde kosten zijn geboekt op de grootboekrekening “grond en terreinen”.
5.12.
De inspecteur heeft op grond van het in 5.8 tot en met 5.11 overwogene aannemelijk gemaakt dat belanghebbende het bedrag van € 123.872 als winstuitkering en dientengevolge als inkomen uit aanmerkelijk belang genoten heeft.
Het Hof zou, nu een en ander reeds met toepassing van de normale bewijslast(verdeling) is komen vast te staan, met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast tot geen andere uitkomst komen. Voor het onderhavige jaar heeft het Hof echter niet kunnen vaststellen dat aan alle voorwaarden voor omkering van de bewijslast is voldaan (vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150, ro. 4.2.2).
5.13.
De navorderingsaanslag wordt voor het overige niet (langer) bestreden.
Slotsom
5.14.
De navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014, zoals deze na vermindering is komen te luiden, is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Het hoger beroep van belanghebbende is daarom ongegrond.
Vergoeding van immateriële schade
5.15.
Belanghebbende heeft op 10 november 2025, in hoger beroep voor het eerst, verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting. Het Hof beoordeelt dit verzoek naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, ro. 3.13.3. en HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3562, ro. 2.3.4). Hierbij merkt het Hof zaaknummer 25/2024 aan als met de onderhavige zaak samenhangend.
5.16.
De totale duur van de procedure sinds het indienen van het oudste bezwaar tot aan de uitspraak van het Hof heeft afgerond 78 maanden geduurd. Het Hof ziet vertraging in de bezwaarfase die deels is toe te schrijven aan de invloed van belanghebbende of zijn gemachtigde, maar omdat deze vertraging verschillende oorzaken heeft, is er niet genoeg reden om een uitzondering op de objectieve maatstaven te maken en de termijn te verlengen. Dat betekent dat het Hof komt tot een overschrijding van 30 maanden. Dit correspondeert met een bedrag € 2.500 en dat bedrag komt geheel ten laste van de inspecteur. De vergoeding wordt in deze zaak toegekend.
6Kosten
De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof. Omdat het Hof het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond heeft verklaard en de veroordeling in de proceskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep uitsluitend wordt uitgesproken vanwege het honoreren van een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, zal het Hof bij de berekening van die vergoeding uitgaan van één proceshandeling en een wegingsfactor 0,25 wegens het belang van de zaak. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 25/2024 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De vergoeding bedraagt € 233,50 (1 x 0,25 x € 934). De vergoeding wordt in deze zaak toegekend.
7Beslissing
Het Hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.500, en
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, J-P.R. van den Berg en M.C. Cornelisse, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
kenmerk 25/2022
30 juni 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: C. Overduin)
tegen de uitspraak van 8 augustus 2025 in de zaak met kenmerk HAA 23/3018 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2014 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 503.245, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 168.037 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.647. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 53.020.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 24.255, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 168.037 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.147. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.
1.3.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’, respectievelijk ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 24.255, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 123.872 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.147 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende en de inspecteur hebben nadere stukken ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026, gelijktijdig met dat in het hoger beroep met het kenmerk 25/2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is indirect, enig aandeelhouder van [bedrijf 1] (voorheen [bedrijf 2] , hierna: de BV). Belanghebbende is tevens eigenaar van een perceel grond op het adres [straat 1] 46 te [Z] . De BV exploiteerde tot in 2014 onder meer een benzinestation en wasstraat op dit perceel van belanghebbende. Van de terbeschikkingstelling van het perceel door belanghebbende aan de BV bestaat geen schriftelijke overeenkomst. Het perceel grond is in het jaar 2014 gesaneerd, de kosten van de sanering zijn verwerkt in de boekhouding van de BV.
2.2.
Belanghebbende woont in een woonboerderij op het adres [straat 2] 24 te [Z] . Op het boerderijperceel is in het jaar 2015 een loods/schuur neergezet. Deze loods/schuur is gebouwd met materialen van de BV, althans de kosten van de materialen zijn verwerkt in de boekhouding van de BV.
2.3.
Het Hof gaat verder uit van de feiten, zoals door de rechtbank vastgesteld en hieronder geciteerd.
“1. Eiser heeft op 26 juni 2000 een stuk grond [Hof: perceel [straat 1] 46] gekocht voor een bedrag van f 1 (de grond). In de akte van levering van 28 december 2000 is onder meer het volgende vermeld:
“BODEMONDERZOEK/BODEMGESTELDHEID/SANERING
Artikel 7
1. Ten aanzien van het verkochte is een beschikking in de zin van artikel 55 van de Wet Bodembescherming genomen door het bevoegde gezag. Verkoper verklaart dat zij de thans (nog) bij haar aanwezige informatie betreffende het verkochte, voorzover voor koper met het oog op voormelde koopovereenkomst en de daarmee samenhangende saneringsplicht relevant, aan koper heeft medegedeeld casu quo overhandigd en verklaart daarenboven geen informatie voor koper te hebben achtergehouden. In dat kader is door verkoper aan koper overhandigd het Bodemonderzoeksrapport van [bedrijf 3] (…).
2. (…)
3. Koper is verplicht na de levering tot algehele sanering van het verkochte voor eigen rekening en risico over te gaan, zulks in overleg met en tot voldoening van het bevoegd gezag en binnen de door het bevoegd gezag gestelde termijn, doch ten laatste binnen achttien (18) maanden na het moment van overdracht. Indien na sanering nog een restverontreiniging mocht blijven bestaan, dan blijft koper hiervoor aansprakelijk. (…)”
2. Binnen de BV werd een benzinestation en een autowasstraat geëxploiteerd op een gedeelte van de grond dat door eiser aan de BV ter beschikking werd gesteld (het perceel). Op 23 januari 2013 heeft eiser met een exploitant van tankstations (Y BV) een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel.
3. In die huurovereenkomst is onder meer het volgende vermeld:
“DE
ONDERGETEKENDEN:
(…)[Y BV] (…) hierna te noemen: [Y BV];
en
de heer [naam eiser] (…), hierna te noemen: “Wederpartij”;
(…)
VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:
1.
Het Perceel, bestemming, recht van opstal
1.1. Wederpartij verhuurt aan [Y BV] en [Y BV] huurt van Wederpartij het (…) “Perceel” (…). Het Perceel wordt na sanering door Wederpartij in bouwrijpe staat, (…), opgeleverd aan [Y BV] (…).
(…)
3. Bodemonderzoek
3.1. In opdracht en voor rekening van [Y BV] zal een bodemonderzoek worden uitgevoerd, tenzij de bodemgesteldheid volgens [Y BV] voldoende kan worden vastgesteld op basis van reeds aanwezige bodemonderzoek(en). Indien geen aanvullend(e) onderzoek(en) en/of sanering nodig is(zijn) en de bodem geschikt is voor de exploitatie van het Tankstation geld(t)(en) het in de vorige volzin genoemde bodemonderzoek(en) als zogenaamde nul-optie.
3.2. Indien aanvullend(e) onderzoek(en) en/of sanering nodig blijk(t)(en) te zijn, dan zal Wederpartij voor haar rekening en risico zorgdragen voor aanvullend(e) onderzoek(en) en/of sanering van het Perceel en het geval van verontreiniging. Sanering zal tenminste zodanig geschieden dat het Perceel blijvend kan worden gebruikt voor de exploitatie van het Tankstation. Indien sanering niet tot zogenaamde multifunctionaliteit plaatsvindt zullen eventueel aanvullend noodzakelijke saneringen gedurende de looptijd van deze overeenkomst, al dan niet als gevolg van renovatie, aanpassing en/of uitbreiding van het Tankstation voor rekening en risico van Wederpartij worden uitgevoerd evenals eventuele meerkosten (ten opzichte van de situatie multifunctionele bodem) ten behoeve van de renovatie, aanpassing of uitbreiding, vertraging daaronder begrepen. De eventuele meerkosten van onderzoek, opslag, afvoer en verwerking van zogenaamde categorie I-grond, danwel chemisch of anderszins verontreinigde grond zijn voor rekening van Wederpartij. Na sanering zal het daaruit voortvloeiende evaluatierapport gelden als zogenaamde nul-optie.
(…)
3.4. Wederpartij vrijwaart [Y BV] tegen (overheids)bevelen tot nader onderzoek of het treffen van (tijdelijke) beveiligingsmaatregelen of saneringsmaatregelen. Wederpartij zal tevens voor haar rekening en risico saneren indien gedurende de looptijd van deze overeenkomst verontreiniging, afkomstig van andere stukken grond de exploitatie, renovatie, aanpassing of verandering van het Tankstation belemmert of anderszins nadelig beïnvloedt. (…)”
4. In 2014 is de bodem van het perceel gesaneerd. De saneringskosten zijn verwerkt in de boekhouding van de BV en geactiveerd op de grootboekrekeningen “101 Grond en terreinen” en “102 Verbouwing”. In 2014 is een bedrag van € 102.374 [het Hof begrijpt: inclusief BTW] op deze grootboekrekeningen geboekt.
5. Verweerder heeft op 4 juni 2019 een bedrijfsbezoek aangekondigd bij de BV. Dat bezoek heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Tijdens het bezoek heeft een gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van verweerder en eiser. In het verslag van dit bedrijfsgesprek staat onder meer het volgende:
“Op het bedrijfsterrein was een Carwash en (…) tankstation aanwezig. Dit huurde [eiser] in eerste instantie. [Eiser] heeft dit in 1991 kunnen overnemen voor dacht hij € 1. De reden van de € 1 koopsom was gelegen in het feit dat toen al bekend was dat de ondergrond gesaneerd zou moeten worden.”
Het bedrijfsbezoek heeft onder meer geleid tot een boekenonderzoek bij eiser, waarbij de jaren 2014 tot en met 2020 zijn onderzocht voor de IB/PVV en voor de omzetbelasting.
6. De navorderingsaanslag is vooruitlopend op het controlerapport ter behoud van rechten opgelegd. Verweerder heeft ten aanzien van de saneringskosten een bedrag van € 123.872 (inclusief omzetbelasting) in de navorderingsaanslag opgenomen als uitdeling in box 2.
7. In de brief van 18 november 2019 aan de toenmalige gemachtigde van eiser waarin de correcties voor het jaar 2014 worden toegelicht, staat onder meer het volgende:
“Omdat er door u, noch [eiser] op dit moment nadere bescheiden en/of administratie over het jaar 2014 zijn overgelegd en wij op dit moment ook niet over nadere gegevens beschikken, zullen voor [eiser] een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2014 ter behoud van rechten opgelegd worden, rekening houdend met de volgende op dit moment bekend zijnde feiten en omstandigheden.
(…)
Box 2 inkomen
De saneringskosten hadden niet door de B.V. betaald mogen worden, aangezien de sanering onderdeel is van de huurovereenkomst met [Y BV]. De tenaamstelling op diverse nota’s inzake deze sanering is [naam eiser] Carwash, niet [de BV], zoals de tenaamstelling (en handelsnaam) van de vennootschap al vanaf 31 december 2012 luidt. Reden om aan te nemen dat deze kosten niet bestemd waren voor de vennootschap. Desondanks zijn ze toch door de B.V. betaald en ten laste van het resultaat gekomen (er vanuit gaande dat afboeking van deze kosten van een vooruitontvangen bedrag ten onrechte is geweest).
Het kan niet anders dan dat dit is gebeurd omdat dit uitgaven ten behoeve van de aandeelhouder zijn geweest. Zowel [eiser] als de vennootschap moeten zich dit bewust zijn geweest, maar desondanks zijn ze ten laste van de vennootschap geboekt. Derhalve is sprake van uitdeling van winst (dividend) voor het totale bedrag van de uitgaven inclusief omzetbelasting ad € 123.873.
Correctie 1 Box 2 inkomen: dividend € 123.872
Tijdens het gesprek met [eiser] zijn er uitgaven besproken, die mogelijk zien op privé maar ten laste van de vennootschap zijn gekomen. Of hiervan ook in 2014 sprake is geweest, kan pas geconcludeerd worden als de facturen met betrekking tot alle in de vennootschap geclaimde kosten zijn beoordeeld. Ter behoud van rechten is bij de vennootschap gesteld dat de helft van de auto- en transportkosten, huisvestingskosten, verkoopkosten en andere kosten, in totaal € 36.500 excl. btw mogelijk zien op privé en worden gecorrigeerd. Er wordt verder van uitgegaan dat deze kosten alleen ten laste van de vennootschap zijn gekomen doordat de aandeelhouder deze uitgaven als zakelijk heeft bestempeld in plaats van privé.
Hiermee is de aandeelhouder als zodanig bevoordeeld en zijn zowel de aandeelhouder als devennootschap zich daar van bewust geweest. Het totale bedrag van deze uitgaven inclusief btw (€ 36.500 + € 7.665 = € 44.165) wordt derhalve aangemerkt als uitdeling van winst (dividend).
Correctie 2 Box 2 inkomen: dividend € 44.165”
8. Van het boekenonderzoek is op 26 januari 2022 een conceptrapport aan eiser gezonden (het conceptrapport). Daarin is voor de onderbouwing van de navorderingsaanslag aangesloten bij de hiervoor aangehaalde brief van 18 november 2019.
9. Eiser heeft niet op het conceptrapport gereageerd. Verweerder heeft op 10 februari 2022 hetzelfde rapport aan eiser gezonden met de volgende aanvulling in de slotopmerkingen:
“Met dagtekening 26 januari 2022 is een conceptrapport verzonden naar de heren (…) en [eiser]. Dit is zowel per mail als per post gebeurd. Hierop is geen reactie gekomen.”
10. Bij brief van 3 maart 2022 heeft verweerder eiser onder meer verzocht de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting 2014 en de (navorderings)aanslagen IB/PVV die zijn opgelegd voor de jaren 2014 tot en met 2017, te motiveren. In reactie hierop heeft eiser op 31 maart 2022 vanwege gezondheidsklachten en privéomstandigheden verzocht om uitstel voor de motivering. Bij brief van 19 mei 2022 heeft verweerder verzocht op korte termijn tot motivering van de bezwaren over te gaan. Op 27 juni 2022 heeft eiser excel-bestanden aan verweerder gezonden voor de omzetbelasting van de BV. Op 6 juli 2022 heeft verweerder vervolgens een e-mailbericht aan eiser gezonden, waarin wordt gevraagd wanneer de motivering van de bezwaarschriften tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV verwacht kan worden. Bij brief van 23 augustus 2022 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij voornemens is de bezwaarschriften tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV af te wijzen. In deze brief wordt gelegenheid geboden voor het inplannen van een hoorgesprek.
11. Op 23 november 2022 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen verweerder, eiser en diens toenmalige adviseurs. Naar aanleiding van dat gesprek zou eiser de bezwaren uiterlijk op 19 december 2022 nader motiveren. Op 4 januari 2023 heeft verweerder eiser verzocht alsnog de bezwaren te motiveren, uiterlijk op 13 januari 2023. Daarop is geen reactie ontvangen.
12. Bij brief van 16 februari 2023 heeft verweerder met betrekking tot het bezwaar tegen de navorderingsaanslag meegedeeld dat de correctie van het box 1-inkomen vanwege een eerdere toezegging zal worden teruggenomen.
13. Op 22 februari 2023 heeft verweerder van eiser een map met stukken ontvangen waaronder een commentaar van 7 december 2022 op het controlerapport. Die stukken hebben bij verweerder niet geleid tot andere inzichten met betrekking tot de afdoening van het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag.
14. Met dagtekening 10 augustus 2023 heeft verweerder uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag gedaan. Hierbij is de correctie van het resultaat uit overige werkzaamheden van € 528.000 teruggenomen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is overeenkomstig de aangifte vastgesteld op negatief € 24.255. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is vastgesteld op € 168.037 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 4.147.”
2.4.
Tot het dossier in hoger beroep behoort een e-mail van een fiscaal adviseur van de gemeente Zaanstad aan de inspecteur over een bedrag van € 150.000 dat in 2012 door de gemeente is betaald. Aanvankelijk heeft de inspecteur van dit e-mailbericht uitsluitend de inhoud overgelegd, later is het gehele bericht inclusief de verzenddatum 12 november 2019 ingebracht:
“U heeft met mijn collega [naam] gesproken over een uitkering in 2012 van de gemeente aan [bedrijf 2] ter hoogte van € 150.000. U heeft ons gevraagd meer informatie te geven over deze uitkering.
De gemeente heeft dit bedrag uitgekeerd op grond van een vaststellingovereenkomst uit 2005. [bedrijf 2] heeft in 2003 een aanvraag ingediend voor de bouw van een dubbele wasstraat. In de vaststellingovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de gemeente een bijdrage van € 150.000 doet aan de plaatsing van een geluidsscherm, waarmee de geluidsbelasting op de gevel van het naastgelegen nieuwgebouwde appartementencomplex kan worden geminimaliseerd. Op grond van de vaststellingsovereenkomst is de gemeente verplicht tot uitkering van het bedrag binnen een week na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning voor de wasstraat. [bedrijf 2] is op grond van de vaststellingsovereenkomst gehouden de bijdrage aan te wenden voor de verwezenlijking van het geluidsscherm. Zowel de wasstraat als het geluidsscherm zijn tot op heden niet gerealiseerd.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Als u nog meer vragen heeft, hoor ik het graag.”
3Geschil in hoger beroep
3.1.
In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslag, zoals deze na de vermindering is komen te luiden, terecht en zo ja, naar een te hoog bedrag is vastgesteld.
3.2.
Meer specifiek is in geschil de correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang van € 123.872 in verband met een uitdeling door de BV aan belanghebbende.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft over het geschil als volgt overwogen:
“Vereiste aangifte
18. Allereerst dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard en moet eiser doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.
19. Volgens vaste jurisprudentie heeft een belastingplichtige (onder meer) niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken [voetnoot Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083].
20. Eiser heeft voor het jaar 2014 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van negatief € 24.255 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 3.219 (na toepassing van een restant persoonsgebonden aftrek van € 500). Volgens de aangifte is (na toepassing van de algemene heffingskorting) geen bedrag aan belasting verschuldigd.
Niet in geschil is dat de BV in 2014 (in ieder geval) € 123.872 inclusief omzetbelasting aan saneringskosten heeft betaald. Indien de betaling van deze kosten door de BV als verkapte winstuitdeling moet worden aangemerkt, zou daarmee een belastingbedrag gemoeid zijn van € 27.251 (22% van € 123.872).
Verweerder stelt dat eiser ten onrechte de betaling van de saneringskosten door de BV niet als inkomen uit aanmerkelijk belang heeft aangegeven en dat hij daarom niet de vereiste aangifte heeft gedaan.
21. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de saneringskosten zijn gemaakt vanwege de op eiser rustende verplichting tot het laten uitvoeren van een sanering uit hoofde van de huurovereenkomst die door eiser in privé is gesloten met Y BV en waarvan eiser de opbrengsten ook in privé geniet. De grond was al vervuild vóórdat de BV van het perceel gebruik ging maken voor de exploitatie van haar activiteiten, hetgeen ook blijkt uit de akte van levering (zie hiervoor onder 3) en de verklaring van eiser tijdens het bedrijfsgesprek (zie hiervoor onder 5). Eiser heeft zijn stelling dat voordat hij de grond eind december 2020 heeft verworven reeds saneringswerkzaamheden hebben plaatsgevonden en dat de vervuiling van het perceel aanzienlijk is verergerd in de periode waarin de BV het tankstation heeft geëxploiteerd, volgens verweerder op geen enkele wijze onderbouwd met stukken. Externe factoren die aan de vervuiling zouden hebben bijgedragen, zijn bij uitstek risico’s die de eigenaar van de grond zou moeten dragen en dus niet de BV. Door de saneringskosten door de BV te laten dragen, zijn bedragen aan het vermogen van de BV onttrokken met de bedoeling eiser als aandeelhouder te bevoordelen. In de handelwijze van eiser en de BV ligt de (dubbele) bewustheid van zowel de vermogensverschuiving als de bevoordeling besloten, aldus verweerder.
22. Eiser stelt dat er reeds voordat hij het perceel op 28 december 2000 heeft verworven, een gedeeltelijke sanering heeft plaatsgevonden en dat de nog te verrichten saneringswerkzaamheden slechts een kleine ingreep betroffen. In de periode vanaf de verwerving van het perceel door eiser is de vervuiling van de bodem aanzienlijk toegenomen als gevolg van de exploitatie van het tankstation door de BV. Ook is de vervuiling toegenomen door infiltratie vanuit een oude sloot, een oude gasbuis van het nabijgelegen gasfabriekterrein, die gasfabriek zelf en het springen van het gemeentelijk hoofdriool. Tevens heeft de gemeente de saneringsopdracht steeds verder uitgebreid. Uiteindelijk is er in 2014 een veel grotere sanering uitgevoerd dan beschreven in het [bedrijf 3] Milieutechnologie-rapport vermeld in de akte van levering. De hele sanering heeft in 2014 afgerond zo’n € 200.000 gekost, terwijl de saneringskosten rond de overnamedatum van 28 december 2000 waren begroot op f 65.000. Ingevolge het adagium ‘de vervuiler betaalt’ is het volgens eiser niet meer dan logisch dat de BV de saneringskosten draagt. Aan de zogenoemde dubbele bewustheidsvoorwaarde is niet voldaan, omdat er nooit een bevoordelingsbedoeling is geweest.
23. Met wat verweerder heeft verklaard en overgelegd heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij de betaling van de saneringskosten door de BV terecht heeft aangemerkt als een uitdeling aan eiser. In het huurcontract dat eiser heeft gesloten met Y BV is expliciet vermeld dat eiser voor zijn rekening en risico ervoor zorg zal dragen dat het perceel wordt gesaneerd. Het is dan ook vanzelfsprekend dat eiser de kosten voor de sanering zal moeten dragen. Verder is niet gebleken van een contractuele afspraak tussen eiser en de BV op grond waarvan de BV verplicht zou zijn om de saneringskosten voor haar rekening te nemen. Het enkele betoog van eiser dat de BV als vervuiler de kosten zou moeten dragen, is onvoldoende om anders te oordelen. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat op de BV de verplichting rustte om het perceel (bij beëindiging van de huur) schoon op te leveren. Er zijn dan ook geen zakelijke redenen voor de BV aan te wijzen om de saneringskosten voor haar rekening te nemen. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat de BV de saneringskosten heeft betaald ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van eiser, haar directeur grootaandeelhouder. Er is sprake van een vermogensverschuiving van de BV naar de aandeelhouder (bevoordeling) als gevolg waarvan aan het vermogen van de BV een geldbedrag ten gunste van de aandeelhouder is onttrokken. Zowel eiser als de BV moeten zich van deze bevoordeling bewust zijn geweest [voetnoot: Vgl. Hoge Raad 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193]. De door de BV voor haar rekening genomen saneringskosten zijn dan ook terecht door verweerder als uitdeling belast. De stelling van eiser dat de correctie onterecht zou zijn omdat de uitdeling niet in 2014 als ‘genoten’ is te beschouwen op grond van het kasstelsel, volgt de rechtbank niet. Niet in geschil is dat de saneringskosten in 2014 zijn betaald door de BV in plaats van door eiser. Daarmee is de uitdeling ook in 2014 genoten door eiser. Dat de aftrek van voorbelasting op de saneringskosten in het kader van de omzetbelasting alsnog bij de BV is geaccepteerd, leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat dit volgens verweerder ten onrechte is gebeurd.
24. Gelet op het voorgaande is ook de conclusie gerechtvaardigd dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De aangifte vertoonde immers een gebrek dat ertoe leidde dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager was dan de werkelijk verschuldigde belasting. Daarnaast is het bedrag van de belasting dat als gevolg van het gebrek niet zou zijn geheven, aanzienlijk. Eiser moet zich daarvan ten tijde van het doen van de aangifte ook bewust zijn geweest.
25. Nu – zoals hiervoor overwogen – reeds aannemelijk is geworden dat de saneringskosten terecht als uitdeling bij eiser in de heffing zijn betrokken, leidt omkering en verzwaring van de bewijslast niet tot een andere uitkomst. Het betoog van eiser dat omkering en verzwaring van de bewijslast niet mogelijk is omdat er geen definitief rapport zou zijn opgemaakt, behoeft gezien het voorgaande geen behandeling.
Bewijsaanbod
26. Eiser heeft in zijn pleitnota een bewijsaanbod gedaan, inhoudende dat hij stukken kan nazenden die onderbouwen dat de grond aanzienlijk ernstiger vervuild is geraakt als gevolg van activiteiten van de BV in de periode 2001-2014. De rechtbank wijst dit bewijsaanbod af. Zoals volgt uit al hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank voor de beoordeling of de betalingen van de saneringskosten door de BV als uitdeling kunnen worden aangemerkt niet relevant of, en zo ja in hoeverre, de BV de veroorzaker is geweest van de vervuiling van de grond.
Correctie inzake overige privékosten
27. Aangezien tussen partijen niet langer in geschil is dat de correctie in verband met de betaling door de BV van overige privékosten ad € 44.165 dient te vervallen, heeft deze correctie ten onrechte plaatsgevonden.
Conclusie
28. Gezien het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De navorderingsaanslag dient te worden verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 24.255, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 123.872 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.147.
Belastingrente
29. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de berekening van de belastingrente en ook overigens is niet gebleken dat deze is berekend in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de Awr. Wel dient de belastingrente die in rekening is gebracht te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de navorderingsaanslag.
Proceskosten
30. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten en merkt in dat kader deze zaak aan als samenhangend met de zaken met de nummers HAA 23/3019, HAA 23/3020 en HAA 23/3022 tot en met HAA 23/3026.
31. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1,5 omdat sprake is van meer dan drie samenhangende beroepen).
In de zaak met zaaknummer HAA 23/3019 is het (pro forma)bezwaarschrift ingediend door een gemachtigde, maar daarbij is niet verzocht om een kostenvergoeding voor bezwaar. De overige bezwaarschriften zijn ingediend door eiser zelf. Voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase is daarom geen aanleiding.”
5Beoordeling van het geschil
Op de zaak betrekking hebbende stukken
5.1.
In artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter zendt.
Het gaat hierbij om stukken die de inspecteur bij de besluitvorming ter beschikking (hebben ge-)staan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de nog bestaande geschilpunten. Indien iemand voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een dergelijk stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, moet het stuk door de inspecteur overgelegd worden (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, ro. 3.4.2 en HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, ro. 3.5.2).
5.2.
Belanghebbende heeft het vermoeden dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Het gaat belanghebbende om overleg binnen de belastingdienst en om contact dat er is geweest tussen de toenmalige inspecteur en gemeente Zaandam . Belanghebbende heeft de indruk dat de belastingcontrole die bij hem werd opgestart met dat contact te maken heeft. De inspecteur heeft in reactie op deze vermoedens bevestigd dat één keer overleg is geweest met de gemeente en heeft daarvan het onder 2.4 opgenomen e-mailbericht ingebracht. Verder is er geen contact met de gemeente geweest en zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht, aldus de inspecteur.
5.3.
Het Hof stelt vast dat in het e-mailbericht van 12 november 2019 gereageerd wordt op een vraag van de inspecteur naar de betaling door de gemeente van een groot geldbedrag aan belanghebbende in 2012, als vergoeding voor een door belanghebbende aan te brengen geluidsscherm. Het Hof ziet in de inhoud van het bericht geen aanwijzing dat er anders dan over deze vraag contact was tussen de gemeente en de Belastingdienst, het bericht is formeel van toon en betreft uitsluitend de gestelde vraag. Ook geeft het geen vermoeden van enig oorzakelijk verband tussen contact met de gemeente en de belastingcontrole. De mail met het antwoord van de gemeente dateert van ruim na het bedrijfsgesprek van 18 juni 2019 en ook van na de aankondiging van het boekenonderzoek bij belanghebbende op 4 november 2019. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het anders is gelopen dan door de inspecteur uiteengezet, namelijk dat er bij de BV een discussie was over privégebruik van auto’s, dat daarom op 18 juni 2019 een gesprek met belanghebbende is gevoerd en dat bij dat gesprek de informatie naar boven kwam die aanleiding vormde het boekenonderzoek in te stellen.
5.4.
Bij deze stand van zaken ziet het Hof geen aanleiding – daartoe is onvoldoende gesteld – aan te nemen dat er stukken zijn of correspondentie is (geweest) van de inspecteur met de gemeente (of met anderen), die niet aan de rechter is/zijn overgelegd en die wel van belang kan/kunnen zijn voor het nog resterende geschil in de zin van artikel 8:42 van de Awb. Het is een veel voorkomende misvatting dat elk geschreven woord van een inspecteur zonder meer een op de zaak betrekking hebbend stuk oplevert.
Te laat indienen van stukken door de inspecteur
5.5.
In artikel 8:42, lid 1, Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken verzendt binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift en – indien de bestuursrechter daarom heeft verzocht – een verweerschrift indient.
Belanghebbende klaagt erover de inspecteur hiermee steeds te laat was en verzoekt het Hof daarom het verweerschrift in hoger beroep tardief te verklaren en buiten beschouwing te laten.
5.6.
Belanghebbende heeft gelijk dat de inspecteur zich in de procedure bij de rechtbank niet aan de gestelde termijnen voor het indienen van stukken heeft gehouden. Ook in hoger beroep heeft de inspecteur het verweerschrift (inclusief vier nieuwe bijlagen) te laat ingediend, namelijk op 20 januari 2026 in plaats van op 2 januari 2026. Het Hof stelt voorop dat het naleven van door (de administratie van) een gerecht gestelde termijnen van belang is, omdat dit niet alleen de goede procesorde dient, maar ook bijdraagt aan efficiënte en tijdige rechtspraak. In deze zaak heeft belanghebbende het verweerschrift (en de bijlagen) in hoger beroep weliswaar 18 dagen te laat, maar ruim vóór de geplande zitting bij het Hof ontvangen. Belanghebbende is redelijkerwijs niet geschaad in zijn mogelijkheden om de zitting tijdig te kunnen voorbereiden en reeds daarom zal het Hof het verweerschrift niet als tardief buiten beschouwing laten.
Het “concept-rapport”
5.7.
Belanghebbende betoogt dat het rapport van het boekenonderzoek twee maal als “concept” is verzonden (zie ro. 8 en 9 van de rechtbankuitspraak), niet definitief is geworden en dat daarom niet mag worden uitgegaan van hetgeen in dat rapport staat. Het Hof heeft uit de stukken van belanghebbende opgemaakt dat het hem gaat om de gemiste mogelijkheid tot reageren op het concept-rapport en heeft belanghebbende ter zitting gevraagd met welke passages hij het niet eens is. Belanghebbende heeft hierop geen specifieke passage kunnen aanwijzen en heeft herhaald dat het hem om het gehele rapport gaat. Daarmee lijkt vooral sprake te zijn van een formele klacht zonder inhoud. Het Hof zal het rapport “definitief” in zijn beoordeling betrekken. Het Hof acht niet geloofwaardig dat belanghebbende in de veronderstelling was dat ook het tweede rapport nog steeds concept was, alleen al omdat in het tweede rapport staat dat belanghebbende niet op het conceptrapport had gereageerd. Het moet duidelijk geweest zijn dat klaarblijkelijk vergeten is het woord “concept” te verwijderen. Maar zelfs als het al zo zou zijn dat belanghebbende dacht dat nog steeds sprake was van een concept, dan had het op zijn weg gelegen om de gemiste kans om commentaar te leveren alsnog te benutten of op zijn minst aan te duiden wat er schortte aan het “concept”. Doordat belanghebbende dit onvoldoende specifiek heeft gedaan, ziet het Hof geen aanleiding bepaalde passages buiten beschouwing te laten.
De saneringskosten
5.8.
Belanghebbende heeft vanwege zijn 100% aandeelhouderschap in de BV, daarin een aanmerkelijk belang. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen (artikel 4.12, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001). Tot deze voordelen worden ook verkapte winstuitdelingen gerekend. Een verkapte winstuitdeling doet zich voor indien uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst van een vennootschap een vermogensverschuiving plaatsvindt van die vennootschap aan haar aandeelhouder, waarbij die vermogensverschuiving is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen en zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling (HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, ro. 3.4.4).
5.9.
De rechtbank heeft in ro. 23 op goede gronden geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de betaling door de BV van de saneringskosten van de grond van belanghebbende een winstuitdeling aan belanghebbende is. Het Hof neemt dat oordeel over, maakt het tot het zijne en benadrukt: het is belanghebbende die sinds 26 juni 2000 eigenaar is van de grond en zich bij die aankoop contractueel verplicht heeft om de grond te saneren (artikel 7, lid 3, van dat contract; zie punt 2.3). Daarmee is duidelijk dat saneringskosten sinds dat moment voor rekening van belanghebbende zouden zijn. Dat belanghebbende daarna de grond verhuurd heeft aan zijn eigen BV heeft hierin geen verandering gebracht, nu nergens uit af is te leiden dat de BV de saneringsplicht van belanghebbende heeft overgenomen. Integendeel strookt dit met de verplichting die belanghebbende (in eigen persoon) in 2013 nog steeds had om het perceel indien de bodemgesteldheid zulks vereiste voor zijn rekening en risico te saneren en na sanering bouwrijp op te leveren aan de opvolgende huurder (artikel 1, lid 1 en artikel 3, lid 2, van dat contract; zie punt 2.3). Dat de BV desondanks de saneringskosten voor haar rekening nam, moet zijn gebeurd met de bedoeling om haar enige aandeelhouder als zodanig te bevoordelen. De feiten en omstandigheden van deze zaak geven geen blijk van een (ook maar enigszins aannemelijke) zakelijke grondslag. Integendeel lijkt eerder sprake van een patroon van gebruikmaken van de BV voor persoonlijke doeleinden van de aandeelhouder (zie ook zaaknummer 25/2024). Er is sprake van een vermogensverschuiving van de BV naar de aandeelhouder (bevoordeling) als gevolg waarvan aan het vermogen van de BV een geldbedrag ten gunste van de aandeelhouder is onttrokken. De BV en belanghebbende moeten zich van de vermogensverschuiving en van de bevoordelingsbedoeling bewust zijn geweest, belanghebbende heeft het voordeel in zijn hoedanigheid van aandeelhouder aanvaard en uit de jaarrekening van de BV voor het jaar 2014 blijkt dat de BV over voldoende reserves beschikte om de winstuitdeling uit te doen plaatsvinden.
5.10.
De inspecteur heeft voor de hoogte van het nagevorderde bedrag van € 123.872 aangesloten bij het totaalbedrag van de facturen die in 2014 in de boekhouding van de BV zijn verwerkt en die zijn geactiveerd op grootboekrekeningen “101 Grond en terreinen” en “102 Verbouwing”. Belanghebbende verzet zich tegen de hoogte van dit bedrag en betoogt dat hij het inkomen niet in het onderhavige jaar 2014 heeft genoten, dan wel dat het is verrekend omdat kosten zijn geboekt tegenover het oplopen van de rekening-courant met de BV.
5.11.1.
Het Hof heeft hiervoor overwogen dat aannemelijk is dat de saneringsplicht civielrechtelijk op belanghebbende rustte, hetgeen met zich brengt dat de saneringskosten voor rekening en risico van belanghebbende zouden moeten zijn. Daarvan uitgaande zou belanghebbende in het jaar 2014 deze kosten zelf hebben moeten maken en de facturen inclusief daarop drukkende BTW hebben betaald aan de crediteuren. In zijn plaats heeft echter de BV deze kosten betaald. De bevoordeling van belanghebbende (het genieten van inkomen) vindt dan plaats op het moment van betaling van die kosten door de BV en die bevoordeling is gelijk aan het bedrag dat belanghebbende aan kosten is bespaard (vgl. HR 7 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3982, ro. 4.3). De verarming van de BV is in dit geval aan dat bedrag gelijk. Uit het in 5.9 overwogene volgt dat enige op de facturen drukkende BTW niet aan de BV in rekening is gebracht voor prestaties die door haar zijn gebruikt voor met omzetbelasting belaste prestaties, zodat aftrek onterecht zou zijn en het gegeven voordeel dus het gehele bedrag beslaat. Reeds omdat de onderhavige kosten in de jaarrekening van de BV niet via de verlies- en winstrekening zijn gelopen, maar als balanspost zijn geactiveerd (en gecrediteerd), gaat het argument van belanghebbende over verrekening met de rekening-courant niet op.
5.11.2.
Belanghebbende heeft aan zijn eerder gehouden betoog in hoger beroep toegevoegd dat de facturen van het [bedrijf 5] en van [bedrijf 6] niet zien op de sanering van de grond, maar op “onderhoud/monitoring/verslaglegging”, respectievelijk op de sloop van de opstallen van het tankstation.
Het Hof stelt vast dat de op de facturen van het bodemkwaliteitsbureau vermelde tekst zowel betrekking heeft op voorbereiding, begeleiding en het opstellen van het evaluatierapport, als ook op de uren van de milieukundig begeleider, op analyses en peilbuizen. Dit alles duidt op een meer dan aannemelijk verband met de bodemsanering. De facturen van [bedrijf 6] zien op materiaal en werkzaamheden zoals buizen, slangen, zagen en lassen en op een aantal uren werkzaamheden per week. Het zou kunnen dat dit werkzaamheden betreft om de opstallen van het tandstation te verwijderen, maar het ligt voor de hand dat bodemsanering met behoud van de opstallen niet goed mogelijk is. Bovendien zou het in het geval dat wel sprake is van sloopkosten, in wezen gaan om het bouwrijp maken van de grond zoals belanghebbende met de opvolgende huurder is overeengekomen en ook die kosten zouden dus voor zijn rekening zijn. Daarbij komt dat alle hier genoemde kosten zijn geboekt op de grootboekrekening “grond en terreinen”.
5.12.
De inspecteur heeft op grond van het in 5.8 tot en met 5.11 overwogene aannemelijk gemaakt dat belanghebbende het bedrag van € 123.872 als winstuitkering en dientengevolge als inkomen uit aanmerkelijk belang genoten heeft.
Het Hof zou, nu een en ander reeds met toepassing van de normale bewijslast(verdeling) is komen vast te staan, met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast tot geen andere uitkomst komen. Voor het onderhavige jaar heeft het Hof echter niet kunnen vaststellen dat aan alle voorwaarden voor omkering van de bewijslast is voldaan (vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150, ro. 4.2.2).
5.13.
De navorderingsaanslag wordt voor het overige niet (langer) bestreden.
Slotsom
5.14.
De navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014, zoals deze na vermindering is komen te luiden, is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Het hoger beroep van belanghebbende is daarom ongegrond.
Vergoeding van immateriële schade
5.15.
Belanghebbende heeft op 10 november 2025, in hoger beroep voor het eerst, verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting. Het Hof beoordeelt dit verzoek naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, ro. 3.13.3. en HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3562, ro. 2.3.4). Hierbij merkt het Hof zaaknummer 25/2024 aan als met de onderhavige zaak samenhangend.
5.16.
De totale duur van de procedure sinds het indienen van het oudste bezwaar tot aan de uitspraak van het Hof heeft afgerond 78 maanden geduurd. Het Hof ziet vertraging in de bezwaarfase die deels is toe te schrijven aan de invloed van belanghebbende of zijn gemachtigde, maar omdat deze vertraging verschillende oorzaken heeft, is er niet genoeg reden om een uitzondering op de objectieve maatstaven te maken en de termijn te verlengen. Dat betekent dat het Hof komt tot een overschrijding van 30 maanden. Dit correspondeert met een bedrag € 2.500 en dat bedrag komt geheel ten laste van de inspecteur. De vergoeding wordt in deze zaak toegekend.
6Kosten
De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof. Omdat het Hof het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond heeft verklaard en de veroordeling in de proceskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep uitsluitend wordt uitgesproken vanwege het honoreren van een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, zal het Hof bij de berekening van die vergoeding uitgaan van één proceshandeling en een wegingsfactor 0,25 wegens het belang van de zaak. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 25/2024 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De vergoeding bedraagt € 233,50 (1 x 0,25 x € 934). De vergoeding wordt in deze zaak toegekend.
7Beslissing
Het Hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.500, en
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, J-P.R. van den Berg en M.C. Cornelisse, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op