Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2008:BA3823
2008-04-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
43448
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2008:BA3823 → ECLI:NL:GHSGR:2006:AX9353
- conclusie ECLI:NL:HR:2008:BA3823 → ECLI:NL:PHR:2008:BA3823
Inhoudsindicatie
Artikel 8:29 en 8:42 Awb. Op de zaak betrekking hebbende stukken. KB-Lux rekening? Aanhouding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (206)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5302 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-08-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2429 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2461 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2432 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2434 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2419 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2433 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2420 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2431 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1842 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1846 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1852 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1794 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-07-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2577 Gerechtshof Amsterdam 30-06-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2576 Gerechtshof Amsterdam 30-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5556 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4953 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:808 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1739 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1740 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1738 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-03-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3547 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2395 Gerechtshof Den Haag 18-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7238 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2326 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-08-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2117 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4599 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1403 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-05-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1416 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:839 Gerechtshof Den Haag 30-04-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:375 Gerechtshof Amsterdam 14-01-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4092 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4093 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3013 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-09-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1256 Gerechtshof Den Haag 24-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1835 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-03-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:322 Gerechtshof Den Haag 05-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1518 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-02-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4252 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-12-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3008 Gerechtshof Amsterdam 21-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1064 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3998 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3999 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-11-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1825 Gerechtshof Amsterdam 27-06-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1010 Gerechtshof Amsterdam 03-05-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:639 Gerechtshof Den Haag 05-04-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1007 Gerechtshof Amsterdam 04-04-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1009 Gerechtshof Amsterdam 04-04-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1008 Gerechtshof Amsterdam 04-04-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:992 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1364 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-03-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:411 Rechtbank Noord-Holland 23-01-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2193 Gerechtshof Den Haag 08-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5625 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5621 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5626 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:645 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:645 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3598 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-06-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:3698 Rechtbank Noord-Holland 20-04-2022
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.506 tekens)
Nr. 43.448
25 april 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 juni 2006, nr. BK-04/02466, betreffende na te melden navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de vermogensbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1990 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede boeten.
Tevens zijn hem voor de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting opgelegd, alsmede boeten.
De navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben de zaak doen toelichten, belanghebbende door mr. J.H. Sligchers, advocaat te Maastricht en de Minister door mr. S.R. Markus, advocaat te 's-Gravenhage.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 3 april 2007 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en tot verwijzing van het geding.
De Staatssecretaris van Financiën en belanghebbende hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende staat in de gemeentelijke basisadministratie en in de bestanden van de Nederlandse belastingdienst (hierna: de Belastingdienst) en de Rijksdienst voor het wegverkeer geregistreerd onder de achternaam X(y) en heeft het sofinummer 001. Volgens de gemeentelijke basisadministratie was op 31 januari 1994 niemand in Nederland woonachtig onder de naam X(ij).
3.1.2. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux) microfiches en documenten met informatie over rekeninghouders bij KB-Lux ontvreemd. Deze gegevensdragers zijn geheel of ten dele in handen gekomen van de Belgische justitie en de Belgische belastingdienst.
3.1.3. Op grond van de Richtlijn 77/799/EEG heeft de Belgische belastingdienst delen van de gegevens, waaronder afdrukken van microfiches, aan de Nederlandse Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) gezonden. De afdrukken bevatten gegevens van bij KB-Lux aangehouden rekeningen van in Nederland wonende of gevestigde personen. Van deze rekeningen zijn er 6171 op naam gesteld.
3.1.4. De Belastingdienst/FIOD is in 2001 het zogenoemde "Rekeningenproject" begonnen, inhoudende onderzoek naar bankrekeningen van Nederlandse ingezetenen bij buitenlandse banken, waaronder KB-Lux.
3.1.5. Ten behoeve daarvan is een "Draaiboek Rekeningenproject" opgesteld. Gedurende het project zijn tien interne nieuwsbrieven van de Belastingdienst verschenen. Draaiboek en nieuwsbrieven zijn deels gepubliceerd en deels - op grond van de relatieve uitzonderingsgronden van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB) - niet openbaar gemaakt. De fiscus heeft het standpunt ingenomen dat het algemene belang bij openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van niet-openbaarmaking voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten, de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (zie onderdelen c, d en e van artikel 10 WOB).
3.1.6. In 3952 gevallen is de Belastingdienst een 'behandeltraject' ingegaan dat in 3123 gevallen heeft geleid tot het opleggen van (navorderings)aanslagen. Onderdeel van dat behandeltraject was vaststelling van de identiteit van de rekeninghouder. In 38 gevallen bleek de identificatie onjuist en zijn geen aanslagen opgelegd. In 3464 van de genoemde 3952 gevallen is door degene aan wie aanslagen zijn opgelegd, erkend dat hij of zij houder is (geweest) van de KB-Lux-rekening naar aanleiding waarvan de fiscus het behandeltraject inzette.
3.1.7. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een van de Belgische belastingdienst ontvangen afdruk van een microfiche, onder meer vermeldende de naam X(y), het nummer 002, de code 'NL' en een saldo per 31 januari 1994 van 0,61 negatief.
3.1.8. Uit onderzoek van de fiscus bleek dat de naam X(y) slechts éénmaal voorkomt in de door hem geraadpleegde persoonsbestanden. In het proces-verbaal van dat onderzoek is als bijbehorend sofinummer vermeld 003. In het proces-verbaal van identiteitscontrole wordt echter een ander sofinummer vermeld: 001.
3.1.9. De Inspecteur heeft belanghebbende op de voet van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gevraagd een 'verklaring buitenlandse bankrekeningen' in te vullen en te retourneren. Belanghebbende heeft die verklaring ondertekend en geretourneerd na daarop te hebben aangetekend: "Geen rekening in het buitenland. Uw gegevens zijn m.i. onjuist." In de daarop volgende briefwisseling is belanghebbende daarbij gebleven en heeft hij geen andere informatie verstrekt.
3.1.10. De Inspecteur verdenkt belanghebbende van het verzwijgen van saldo en rente op een rekening bij KB-Lux bij zijn aangiften vermogensbelasting en inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen in de bovengenoemde belastingjaren. De Inspecteur heeft over die jaren navorderingsaanslagen opgelegd met 100%-boeten c.q. 100%-verhogingen zonder kwijtschelding.
3.1.11. Een aantal aanslagbiljetten vermeldt een sofinummer waarin twee cijfers zijn omgewisseld ten opzichte van belanghebbendes sofinummer, namelijk 001 in plaats van 001. Bovendien vermeldt een groot deel van de aanslagbiljetten de naam X(y) in plaats van X(ij).
3.2. Het Hof heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende komt met tien klachten daartegen op.
3.3. Het Hof heeft (in de onderdelen 5.9 e.v. van zijn uitspraak) belanghebbendes standpunt verworpen dat de onder 3.1.2 bedoelde gegevens als onrechtmatig verkregen bewijs dienen te worden beschouwd en heeft geoordeeld dat evenmin kan worden gezegd dat de gegevens door de Nederlandse fiscus zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat de gegevens om die reden niet mogen worden gebruikt. De tegen dit oordeel gerichte klacht 6 faalt op de gronden die daartoe zijn gebezigd in het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2008, nr. 43050, NTFR 2008/614, onderdeel 3.4.
3.4. De klachten 2, 3 en 4 kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
3.5.1. Klacht 1 heeft betrekking op de vraag of de Inspecteur de originele microfiches en de originele afdrukken daarvan, het Draaiboek en de Nieuwsbrieven ongeanonimiseerd in het geding dient te brengen. Het Hof heeft te dien aanzien onder meer beslist dat de Inspecteur met het in het geding brengen van de als bijlagen D1 tot en met D8, A1, A8 en A15 bij het verweerschrift gevoegde stukken heeft voldaan aan zijn verplichting tot het in het geding brengen van de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In dit verband heeft het Hof overwogen dat de verplichting ex artikel 8:42 Awb niet zover gaat dat de Inspecteur gehouden is alle achterliggende stukken in het geding te brengen. In dit verband is van belang, aldus nog steeds het Hof, dat belanghebbende in staat is de juistheid van de wel in het geding gebrachte stukken te betwisten, hetgeen hij ook heeft gedaan. Klacht 1 is onder meer tegen dit oordeel gericht.
3.5.2. Uit de door de Advocaat-Generaal aangehaalde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 8:29 en 8:42 Awb volgt dat alle stukken die bij de besluitvorming van de inspecteur een rol hebben gespeeld aan de belanghebbende en aan de rechter dienen te worden overgelegd, voor zover te dien aanzien niet, althans niet met succes, een beroep wordt gedaan op gewichtige redenen die zich tegen zodanige overlegging verzetten (artikel 8:29 Awb). Indien een belanghebbende zich op het standpunt stelt dat een bepaald aan de inspecteur ter beschikking staand stuk dient te worden overgelegd omdat het op de zaak betrekking heeft, kan geen doorslaggevende betekenis toekomen aan de betwisting van dat laatste door de inspecteur. Die betwisting - evenals haar eventuele onderbouwing - berust immers mede op feitelijke gegevens (de inhoud van dat stuk) die aan de belanghebbende en de rechter niet bekend zijn, zodat zij door de belanghebbende niet kunnen worden weerlegd, en door de rechter niet op juistheid kunnen worden getoetst. Daarbij komt dat indien de inspecteur meent dat gewichtige redenen zich tegen overlegging van het stuk verzetten, hij zich kan beroepen op artikel 8:29 Awb. In het licht van dit een en ander dient artikel 8:42 Awb aldus te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak.
3.5.3. Belanghebbende heeft voor het Hof aanspraak gemaakt op afschrift van of inzage in de integrale tekst van het Draaiboek Rekeningenproject en van de Nieuwsbrieven, en dienaangaande aangevoerd dat deze stukken door verschillende feitenrechters in vergelijkbare gevallen zijn aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken, onder meer omdat het Draaiboek feitelijke informatie bevat waarop de Belastingdienst zich bij het opleggen van de aanslag en de boete heeft gebaseerd (pleitnota, blz. 2-5). Aldus heeft belanghebbende voldoende gemotiveerd gesteld dat deze stukken van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. De Inspecteur dient deze stukken derhalve over te leggen voor zover hij zich niet of niet met succes beroept op artikel 8:29 Awb dan wel op de aanwezigheid van een uitzonderingsgeval als bedoeld in de slotzin van 3.5.2.
3.5.4. Hetzelfde geldt voor de door belanghebbende verlangde kennisneming van de originele microfiches en de originele afdrukken daarvan, met betrekking tot welke hij voor het Hof heeft gesteld aan de hand daarvan de betrouwbaarheid van de identificatie te willen toetsen (beroepschrift, blz. 4 e.v.).
3.5.5. Uit het voorgaande volgt dat 's Hofs onder 3.5.1 vermelde oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Klacht 1 slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
3.5.6. Indien de Inspecteur zich na verwijzing beroept op artikel 8:29 Awb of op de aanwezigheid van een uitzonderingsgeval als bedoeld in de slotzin van 3.5.2 dient het verwijzingshof de gegrondheid van dat beroep te beoordelen. Wat betreft de beoordeling of zich in dit verband een zodanig uitzonderingsgeval voordoet, verdient nog opmerking dat belanghebbende als zijn belang bij kennisneming van de afdrukken van de microfiches heeft aangevoerd dat hij ze met de originelen wil vergelijken, doch uit onderdeel 5.2.3 van de Hofuitspraak volgt dat de Inspecteur over de originelen niet beschikt, terwijl bovendien is gewezen op praktische bezwaren verbonden aan overlegging van afdrukken van alle microfiches.
3.6. Overlegging van de onderwerpelijke stukken zal nieuw licht kunnen werpen op de geschilpunten waarop de klachten 5, 7, 8 en 10 betrekking hebben. Die klachten behoeven daarom thans geen bespreking.
3.7. Het Hof heeft geoordeeld (in onderdeel 5.18 van zijn uitspraak) dat de navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR niet in strijd is met artikel 56 EG. De beoordeling van de tegen dit oordeel gerichte klacht 9 wordt aangehouden in verband met de bij arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2008, nrs. 43050 en 43670, NTFR 2008/614 en 615 gedane verzoeken aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om uitspraak te doen op prejudiciële vragen over deze materie.
3.8. De slotsom luidt dat klacht 1 (deels) gegrond is, dat de klachten 2, 3, 4 en 6 falen, dat de beoordeling van klacht 9 wordt aangehouden en dat de klachten voor het overige (thans) geen bespreking behoeven.
4. Beslissing
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken 43050 en 43670 uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2008.
25 april 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 juni 2006, nr. BK-04/02466, betreffende na te melden navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de vermogensbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1990 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede boeten.
Tevens zijn hem voor de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting opgelegd, alsmede boeten.
De navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben de zaak doen toelichten, belanghebbende door mr. J.H. Sligchers, advocaat te Maastricht en de Minister door mr. S.R. Markus, advocaat te 's-Gravenhage.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 3 april 2007 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en tot verwijzing van het geding.
De Staatssecretaris van Financiën en belanghebbende hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende staat in de gemeentelijke basisadministratie en in de bestanden van de Nederlandse belastingdienst (hierna: de Belastingdienst) en de Rijksdienst voor het wegverkeer geregistreerd onder de achternaam X(y) en heeft het sofinummer 001. Volgens de gemeentelijke basisadministratie was op 31 januari 1994 niemand in Nederland woonachtig onder de naam X(ij).
3.1.2. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux) microfiches en documenten met informatie over rekeninghouders bij KB-Lux ontvreemd. Deze gegevensdragers zijn geheel of ten dele in handen gekomen van de Belgische justitie en de Belgische belastingdienst.
3.1.3. Op grond van de Richtlijn 77/799/EEG heeft de Belgische belastingdienst delen van de gegevens, waaronder afdrukken van microfiches, aan de Nederlandse Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) gezonden. De afdrukken bevatten gegevens van bij KB-Lux aangehouden rekeningen van in Nederland wonende of gevestigde personen. Van deze rekeningen zijn er 6171 op naam gesteld.
3.1.4. De Belastingdienst/FIOD is in 2001 het zogenoemde "Rekeningenproject" begonnen, inhoudende onderzoek naar bankrekeningen van Nederlandse ingezetenen bij buitenlandse banken, waaronder KB-Lux.
3.1.5. Ten behoeve daarvan is een "Draaiboek Rekeningenproject" opgesteld. Gedurende het project zijn tien interne nieuwsbrieven van de Belastingdienst verschenen. Draaiboek en nieuwsbrieven zijn deels gepubliceerd en deels - op grond van de relatieve uitzonderingsgronden van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB) - niet openbaar gemaakt. De fiscus heeft het standpunt ingenomen dat het algemene belang bij openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van niet-openbaarmaking voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten, de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (zie onderdelen c, d en e van artikel 10 WOB).
3.1.6. In 3952 gevallen is de Belastingdienst een 'behandeltraject' ingegaan dat in 3123 gevallen heeft geleid tot het opleggen van (navorderings)aanslagen. Onderdeel van dat behandeltraject was vaststelling van de identiteit van de rekeninghouder. In 38 gevallen bleek de identificatie onjuist en zijn geen aanslagen opgelegd. In 3464 van de genoemde 3952 gevallen is door degene aan wie aanslagen zijn opgelegd, erkend dat hij of zij houder is (geweest) van de KB-Lux-rekening naar aanleiding waarvan de fiscus het behandeltraject inzette.
3.1.7. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een van de Belgische belastingdienst ontvangen afdruk van een microfiche, onder meer vermeldende de naam X(y), het nummer 002, de code 'NL' en een saldo per 31 januari 1994 van 0,61 negatief.
3.1.8. Uit onderzoek van de fiscus bleek dat de naam X(y) slechts éénmaal voorkomt in de door hem geraadpleegde persoonsbestanden. In het proces-verbaal van dat onderzoek is als bijbehorend sofinummer vermeld 003. In het proces-verbaal van identiteitscontrole wordt echter een ander sofinummer vermeld: 001.
3.1.9. De Inspecteur heeft belanghebbende op de voet van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gevraagd een 'verklaring buitenlandse bankrekeningen' in te vullen en te retourneren. Belanghebbende heeft die verklaring ondertekend en geretourneerd na daarop te hebben aangetekend: "Geen rekening in het buitenland. Uw gegevens zijn m.i. onjuist." In de daarop volgende briefwisseling is belanghebbende daarbij gebleven en heeft hij geen andere informatie verstrekt.
3.1.10. De Inspecteur verdenkt belanghebbende van het verzwijgen van saldo en rente op een rekening bij KB-Lux bij zijn aangiften vermogensbelasting en inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen in de bovengenoemde belastingjaren. De Inspecteur heeft over die jaren navorderingsaanslagen opgelegd met 100%-boeten c.q. 100%-verhogingen zonder kwijtschelding.
3.1.11. Een aantal aanslagbiljetten vermeldt een sofinummer waarin twee cijfers zijn omgewisseld ten opzichte van belanghebbendes sofinummer, namelijk 001 in plaats van 001. Bovendien vermeldt een groot deel van de aanslagbiljetten de naam X(y) in plaats van X(ij).
3.2. Het Hof heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende komt met tien klachten daartegen op.
3.3. Het Hof heeft (in de onderdelen 5.9 e.v. van zijn uitspraak) belanghebbendes standpunt verworpen dat de onder 3.1.2 bedoelde gegevens als onrechtmatig verkregen bewijs dienen te worden beschouwd en heeft geoordeeld dat evenmin kan worden gezegd dat de gegevens door de Nederlandse fiscus zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat de gegevens om die reden niet mogen worden gebruikt. De tegen dit oordeel gerichte klacht 6 faalt op de gronden die daartoe zijn gebezigd in het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2008, nr. 43050, NTFR 2008/614, onderdeel 3.4.
3.4. De klachten 2, 3 en 4 kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
3.5.1. Klacht 1 heeft betrekking op de vraag of de Inspecteur de originele microfiches en de originele afdrukken daarvan, het Draaiboek en de Nieuwsbrieven ongeanonimiseerd in het geding dient te brengen. Het Hof heeft te dien aanzien onder meer beslist dat de Inspecteur met het in het geding brengen van de als bijlagen D1 tot en met D8, A1, A8 en A15 bij het verweerschrift gevoegde stukken heeft voldaan aan zijn verplichting tot het in het geding brengen van de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In dit verband heeft het Hof overwogen dat de verplichting ex artikel 8:42 Awb niet zover gaat dat de Inspecteur gehouden is alle achterliggende stukken in het geding te brengen. In dit verband is van belang, aldus nog steeds het Hof, dat belanghebbende in staat is de juistheid van de wel in het geding gebrachte stukken te betwisten, hetgeen hij ook heeft gedaan. Klacht 1 is onder meer tegen dit oordeel gericht.
3.5.2. Uit de door de Advocaat-Generaal aangehaalde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 8:29 en 8:42 Awb volgt dat alle stukken die bij de besluitvorming van de inspecteur een rol hebben gespeeld aan de belanghebbende en aan de rechter dienen te worden overgelegd, voor zover te dien aanzien niet, althans niet met succes, een beroep wordt gedaan op gewichtige redenen die zich tegen zodanige overlegging verzetten (artikel 8:29 Awb). Indien een belanghebbende zich op het standpunt stelt dat een bepaald aan de inspecteur ter beschikking staand stuk dient te worden overgelegd omdat het op de zaak betrekking heeft, kan geen doorslaggevende betekenis toekomen aan de betwisting van dat laatste door de inspecteur. Die betwisting - evenals haar eventuele onderbouwing - berust immers mede op feitelijke gegevens (de inhoud van dat stuk) die aan de belanghebbende en de rechter niet bekend zijn, zodat zij door de belanghebbende niet kunnen worden weerlegd, en door de rechter niet op juistheid kunnen worden getoetst. Daarbij komt dat indien de inspecteur meent dat gewichtige redenen zich tegen overlegging van het stuk verzetten, hij zich kan beroepen op artikel 8:29 Awb. In het licht van dit een en ander dient artikel 8:42 Awb aldus te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak.
3.5.3. Belanghebbende heeft voor het Hof aanspraak gemaakt op afschrift van of inzage in de integrale tekst van het Draaiboek Rekeningenproject en van de Nieuwsbrieven, en dienaangaande aangevoerd dat deze stukken door verschillende feitenrechters in vergelijkbare gevallen zijn aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken, onder meer omdat het Draaiboek feitelijke informatie bevat waarop de Belastingdienst zich bij het opleggen van de aanslag en de boete heeft gebaseerd (pleitnota, blz. 2-5). Aldus heeft belanghebbende voldoende gemotiveerd gesteld dat deze stukken van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. De Inspecteur dient deze stukken derhalve over te leggen voor zover hij zich niet of niet met succes beroept op artikel 8:29 Awb dan wel op de aanwezigheid van een uitzonderingsgeval als bedoeld in de slotzin van 3.5.2.
3.5.4. Hetzelfde geldt voor de door belanghebbende verlangde kennisneming van de originele microfiches en de originele afdrukken daarvan, met betrekking tot welke hij voor het Hof heeft gesteld aan de hand daarvan de betrouwbaarheid van de identificatie te willen toetsen (beroepschrift, blz. 4 e.v.).
3.5.5. Uit het voorgaande volgt dat 's Hofs onder 3.5.1 vermelde oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Klacht 1 slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
3.5.6. Indien de Inspecteur zich na verwijzing beroept op artikel 8:29 Awb of op de aanwezigheid van een uitzonderingsgeval als bedoeld in de slotzin van 3.5.2 dient het verwijzingshof de gegrondheid van dat beroep te beoordelen. Wat betreft de beoordeling of zich in dit verband een zodanig uitzonderingsgeval voordoet, verdient nog opmerking dat belanghebbende als zijn belang bij kennisneming van de afdrukken van de microfiches heeft aangevoerd dat hij ze met de originelen wil vergelijken, doch uit onderdeel 5.2.3 van de Hofuitspraak volgt dat de Inspecteur over de originelen niet beschikt, terwijl bovendien is gewezen op praktische bezwaren verbonden aan overlegging van afdrukken van alle microfiches.
3.6. Overlegging van de onderwerpelijke stukken zal nieuw licht kunnen werpen op de geschilpunten waarop de klachten 5, 7, 8 en 10 betrekking hebben. Die klachten behoeven daarom thans geen bespreking.
3.7. Het Hof heeft geoordeeld (in onderdeel 5.18 van zijn uitspraak) dat de navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR niet in strijd is met artikel 56 EG. De beoordeling van de tegen dit oordeel gerichte klacht 9 wordt aangehouden in verband met de bij arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2008, nrs. 43050 en 43670, NTFR 2008/614 en 615 gedane verzoeken aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om uitspraak te doen op prejudiciële vragen over deze materie.
3.8. De slotsom luidt dat klacht 1 (deels) gegrond is, dat de klachten 2, 3, 4 en 6 falen, dat de beoordeling van klacht 9 wordt aangehouden en dat de klachten voor het overige (thans) geen bespreking behoeven.
4. Beslissing
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken 43050 en 43670 uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2008.