Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2461
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2461 → ECLI:NL:RBDHA:2024:825 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Belanghebbende exploiteert een schip waarmee hij plantaardige olie (spijsolie) vervoert. De ladingtanks van het schip worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met water. Het met spijsolie vervuilde waswater (slops) wordt verzameld in sloptanks. Belanghebbende ontdoet zich van de slops door deze op te laten halen door een vervoerder, die de slops weer doorverkoopt aan een vethandelaar. Als het percentage olie in de slops hoog genoeg is, krijgt belanghebbende ervoor betaald. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant ontvangen. Omdat belanghebbende de gestelde contante betalingen niet heeft verwerkt in zijn administratie en niet heeft aangegeven in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2011, 2012 en 2013, heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw, rentebeschikkingen en vergrijpboetes opgelegd. De Inspecteur baseert zijn stelling dat belanghebbende contante betalingen heeft ontvangen op inkoopfacturen en andere gegevens die zijn verkregen bij een (strafrechtelijk) onderzoek bij de vervoerder. Het Hof acht de ontvangst van de door de Inspecteur gestelde contante betalingen niet aannemelijk, onder meer omdat de vervoerder heeft gesjoemeld met percentages en cijfers waaruit blijkt hoeveel olie in de slops zit, alsmede percentages op facturen heeft bijgesteld om zijn administratie kloppend te maken. Uit de omstandigheid dat de door de Inspecteur gestelde contante betalingen zijn terug te vinden in kalenders, kasboeken en notities van de vervoerder, kan niet meer worden afgeleid dan dat de vervoerder zijn in- en verkoop sluitend op elkaar heeft afgestemd. Voor zover aanleiding zou bestaan voor het aannemen van een bewijsvermoeden dat belanghebbende contante betalingen zou hebben ontvangen, geldt dat dit vermoeden door belanghebbende is ontzenuwd. De navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen worden vernietigd; de boetebeschikkingen waren in eerste aanleg al vernietigd.
Citeert (11)
- ECLI:NL:HR:2018:2389 Hoge Raad 21-12-2018
- ECLI:NL:HR:2018:672 Hoge Raad 04-05-2018
- ECLI:NL:HR:2009:BH1083 Hoge Raad 30-10-2009
- ECLI:NL:HR:2022:526 Hoge Raad 08-04-2022
- ECLI:NL:HR:2008:BA3823 Hoge Raad 25-04-2008
- ECLI:NL:HR:2013:1129 Hoge Raad 15-11-2013
- ECLI:NL:HR:2015:874 Hoge Raad 10-04-2015
- ECLI:NL:HR:2018:672 Hoge Raad 04-05-2018
- ECLI:NL:HR:2013:29 Hoge Raad 12-07-2013
- ECLI:NL:HR:2018:2389 Hoge Raad 21-12-2018
- ECLI:NL:HR:2009:BH1083 Hoge Raad 30-10-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (79.646 tekens)
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-24/210 tot en met BK-24/212 en BK-24/225 tot en met BK-24/227
Uitspraak van 16 juli 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: P. de Haas)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] en […] )
op de hoger beroepen van de Inspecteur en van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 januari 2024, nummers SGR 20/418, SGR 20/423 en SGR 20/426.
Procesverloop
BK-24/210 en BK-24/225 (SGR 20/418) betreffende het jaar 2011
1.1.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.313 (de navorderingsaanslag IB/PVV 2011). Daarbij is een bij de primitieve aanslag vastgesteld ondernemingsverlies herzien (de verliesherzieningsbeschikking 2011). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 105 aan heffingsrente in rekening gebracht (de rentebeschikking IB/PVV 2011) en een vergrijpboete opgelegd van € 250 (de boetebeschikking 2011).
1.1.2.
Omdat een bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 vastgesteld verlies achterwaarts was verrekend met de winst van het jaar 2008, heeft de Inspecteur aan belanghebbende tevens een navorderingsaanslag over het jaar 2008 opgelegd (de navorderingsaanslag 2008).
1.1.3.
Tevens is aan belanghebbende over het jaar 2011 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 22.405 (de navorderingsaanslag Zvw 2011). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 266 aan heffingsrente in rekening gebracht (de rentebeschikking Zvw 2011).
BK-24/211 en BK-226 (SGR 20/423) betreffende het jaar 2012
1.2.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.269 (de navorderingsaanslag IB/PVV 2012). Daarbij is een bij de primitieve aanslag vastgesteld ondernemingsverlies herzien (de verliesherzieningsbeschikking 2012). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 3.119 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking IB/PVV 2012) en een vergrijpboete opgelegd van € 8.136 (de boetebeschikking 2012).
1.2.2.
Omdat een bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 vastgesteld verlies achterwaarts was verrekend met de winst van het jaar 2009 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag over het jaar 2009 opgelegd (de navorderingsaanslag 2009). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 2.184 aan heffingsrente in rekening gebracht (de rentebeschikking IB/PVV 2009).
1.2.3.
Tevens is aan belanghebbende over het jaar 2012 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 61.053 (de navorderingsaanslag Zvw 2012). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 131 belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking Zvw 2012).
BK-24/212 en BK-227 (SGR 20/426) betreffende het jaar 2013
1.3.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.019 (de eerste navorderingsaanslag IB/PVV 2013). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 94 aan belastingrente in rekening gebracht (de eerste rentebeschikking IB/PVV 2013).
1.3.2.
Tevens is aan belanghebbende over het jaar 2013 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 42.603 (de eerste navorderingsaanslag Zvw 2013). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 12 belastingrente in rekening gebracht (de eerste rentebeschikking Zvw 2013).
1.3.3.
Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een tweede navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.986 (de tweede navorderingsaanslag IB/PVV 2013). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 1.475 aan belastingrente in rekening gebracht (de tweede rentebeschikking IB/PVV 2013) en een vergrijpboete opgelegd van € 4.658 (de boetebeschikking 2013).
1.3.4.
Tevens is aan belanghebbende over het jaar 2013 een tweede navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 50.853 (de tweede navorderingsaanslag Zvw 2013). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 73 belastingrente in rekening gebracht (de tweede rentebeschikking Zvw 2013).
Betreffende de jaren 2011, 2012 en 2013
1.4.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de onder 1.1.1 tot en met 1.3.4 vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen gehandhaafd.
1.5.1.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 48 geheven.
1.5.2.
De Inspecteur heeft diverse bijlagen bij het door hem in beroep ingediende nader stuk, aangeduid als “verweerschrift”, aan de Rechtbank toegezonden en daarbij onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om beperkte kennisneming van de ongeschoonde versies van de desbetreffende bijlagen. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft op 1 november 2022 een beslissing genomen en hierbij bepaald dat het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. Belanghebbende heeft de Rechtbank toestemming verleend om mede op grondslag van de ongeschoonde versies van de desbetreffende bijlagen uitspraak te doen. Belanghebbende heeft het Hof bij brief van 9 maart 2026 te kennen gegeven te berusten in de beslissing van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank.
1.6.
De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar uitsluitend voor zover het de boetebeschikkingen betreft;
- vernietigt de boetebeschikkingen;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 1.116,27;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 2.883,73;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.555;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden.”
1.7.
Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake van het hoger beroep van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 138. Belanghebbende heeft op 19 april 2024 een nader stuk, aangeduid als “verweerschrift”, ingediend in het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep en op 6 juni 2024 heeft de Inspecteur een nader stuk, aangeduid als “verweerschrift”, ingediend in het door belanghebbende ingestelde hoger beroep. Van de zijde van de Inspecteur is in het door hem ingestelde hoger beroep op 13 maart 2026 een nader stuk ingekomen. Belanghebbende heeft ook in het door hem ingestelde hoger beroep op 14 maart 2026 een nader stuk ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een pleitnota met bijlagen ingediend.
1.8.1.
De Inspecteur heeft in hoger beroep, met betrekking tot een bijlage die naar aanleiding van een verzoek van het Hof is ingediend als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42, lid 1, Awb, bij brief met dagtekening 13 maart 2026 een verzoek als bedoeld in artikel 8:29 Awb bij het Hof ingediend. Belanghebbende heeft op 20 maart 2026 op deze brief gereageerd.
1.8.2.
De beslissing van de geheimhoudingskamer van het Hof van 23 maart 2026 luidt:
“Het Gerechtshof:
- bepaalt dat de door de Inspecteur verzochte geheimhouding gerechtvaardigd is;
- verzoekt belanghebbende uiterlijk ter zitting van 25 maart 2026 mee te delen of hij het Hof toestemming verleent mede op basis van de ongeschoonde bijlage uitspraak te doen.”
1.8.3.
Belanghebbende heeft het Hof toestemming verleend om mede op basis van de ongeschoonde bijlage uitspraak te doen.
1.9.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 25 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende dreef in de onderhavige jaren een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] (de eenmanszaak). Het motortankschip [naam schip] (het schip) was in de onderhavige jaren eigendom van belanghebbende en werd in voornoemde jaren door de eenmanszaak geëxploiteerd. Belanghebbende was in de onderhavige jaren de schipper van het schip.
2.2.
Met het schip vervoerde belanghebbende in de onderhavige jaren bedrijfsmatig plantaardige (eetbare) olie (spijsolie).
2.3.
Het schip heeft een lengte van 94,80 meter en een breedte van 11,39 meter. Het schip beschikt over acht ladingtanks met een totaal laadvermogen van ruim 2.223 m³.
2.4.
Na het lossen van een lading spijsolie blijft een hoeveelheid spijsolie achter in de ladingtanks van het schip. Bij het reinigen van een ladingtank wordt waswater toegevoegd, waarna het met spijsolie vervuilde waswater (slops) wordt verzameld in zogenoemde sloptanks. Als het waswater niet meer bruikbaar is (omdat het te zeer vervuild is geraakt) of als een sloptank (bijna) vol is, ontdoet de schipper zich van de slops. De slops bevatten enerzijds olie en anderzijds vocht en vuil. In de branche pleegt de verhouding tussen beide componenten te worden uitgedrukt in een ‘vocht/vuilpercentage’, waarmee wordt aangeduid hoeveel procent van de slops bestaat uit vocht en vuil; het restant is olie.
2.5.
Belanghebbende ontdeed zich in de onderhavige jaren van de in het schip verzamelde slops door deze op te laten halen door [B.V. 1] te [vestigingsplaats 1] ( [B.V. 1] ), die de slops per vrachtwagen (soms met aanhangwagen) vanaf het schip transporteerde naar [B.V. 2] te [vestigingsplaats 2] ( [B.V. 2] ). [B.V. 2] bewerkte de slops en verwerkte de olie uit de slops voor gebruik in de biodiesel-industrie. [B.V. 2] bepaalde aan de hand van de weegbrug het gewicht van de afgegeven slops (het nettogewicht), scheidde het vocht/vuil van de olie en bepaalde het exacte percentage vocht/vuil en het FFA-gehalte (zuurgraad).
2.6.
Voor een ontdoening belde belanghebbende met [B.V. 1] om een afspraak te maken. [B.V. 1] kwam dan voorrijden en pompte de slops over naar zijn vrachtwagen (en/of de aanhangwagen). Ter gelegenheid van de ontdoening werd een zogenoemde begeleidingsbrief opgemaakt, waarbij diverse gegevens (zoals de gegevens van de eenmanszaak, [B.V. 1] en [B.V. 2] en de afvalstoffen- en euralcode) vooraf door [B.V. 1] werden geprint op de begeleidingsbrief. De begeleidingsbrief was voorzien van een uniek volgnummer en bestond uit vier exemplaren (doordrukken):
1. Administratie-/vrijwaringsbewijs (Begeleidingsbrief C1/A2) voor de transporteur ( [B.V. 1] ).
2. Interne kopie (D) / extra bewijs van ontvangst (Begeleidingsbrief B2) voor de ontdoener (de schipper).
3. Begeleidingsbrief vrachtbrief (Begeleidingsbrief A1) voor de ontvanger ( [B.V. 2] ).
4. Bewijs van ontvangst (Begeleidingsbrief B1), retour naar de ontdoener (de schipper).
2.7.
Belanghebbende ontving Begeleidingsbrief B2 van [B.V. 1] op het moment van de ontdoening. Op begeleidingsbrief B2 werd onder meer de datum van de ontdoening vermeld, het kenteken van de vrachtwagen van [B.V. 1] en in de meeste gevallen de geschatte hoeveelheid afgegeven slops (in kilogram). Begeleidingsbrief B2 werd ondertekend door belanghebbende en door [B.V. 1] .
2.8.
Bij de aflevering van de slops door [B.V. 1] aan [B.V. 2] werden door [B.V. 2] gegevens op Begeleidingsbrieven C1/A2, A1 en B1 vermeld, de zogenoemde weegbrugstempel. Op dit weegbrugstempel stonden onder meer de datum, het volgnummer van de weegbon, het kenteken van de vrachtwagen van [B.V. 1] en het bruto, tarra en netto gewicht van de slops dat werd bepaald aan de hand van de gegevens van de weegbrug. Deze doordrukken werden ondertekend door de ontvanger ( [B.V. 2] ). Het weegbrugstempel vermeldde niet het exacte vocht/vuilpercentage. Het vocht/vuilpercentage werd handmatig op Begeleidingsbrieven C1/A2, A1 en B1 genoteerd.
2.9.
De oliecomponent in de slops heeft een waarde. Of de slops als geheel een positieve of negatieve waarde vertegenwoordigen, is afhankelijk van het vocht/vuilpercentage: des te hoger dat percentage, des te eerder zullen de kosten van het scheiden van de olie van het vocht/vuil niet opwegen tegen de opbrengst van de olie. Het komt dus voor dat slops per saldo een negatieve waarde hebben (wat kan inhouden dat de schipper moet betalen voor de ontdoening), dat de slops per saldo geen waarde hebben of dat de slops per saldo een positieve waarde hebben. In dat laatste geval krijgt de schipper (doorgaans) betaald voor de ontdoening.
Strafrechtelijk onderzoek
2.10.
Op 5 december 2011 heeft een afvalstoffencontrole plaatsgevonden door de Dienst Waterpolitie aan boord van een (ander) motortankschip dat plantaardige olie vervoerde. Naar aanleiding daarvan is door het Openbaar Ministerie (OM) een strafrechtelijk onderzoek ingesteld dat zich richtte op de opsporing van vermoedelijk strafbare feiten die (in de onderhavige jaren) werden gepleegd bij het ontvangen, vervoeren en afgeven van spijsoliën en -vetten middels binnenvaartschepen en de daarmee gepaard gaande (gefingeerde) afvalstromen. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft uiteindelijk de naam ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ gekregen (met onderzoeknummer […] ). Uit de analysegegevens van het onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ ontstond (onder meer) het vermoeden dat feitelijk (vrijwel) geen sprake was van verkoop van slops, maar van verkoop van verduisterde lading(resten).
2.11.
In het strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere als verdachten aangemerkt [B.V. 1] , de aandeelhouders van [B.V. 1] , [B.V. 2] en de aandeelhouders van [B.V. 2] . Daarnaast werden ook enkele schippers/ontdoeners als verdachten aangemerkt. Het OM heeft ervoor gekozen niet alle schippers/ontdoeners die uit de onderzoeksgegevens naar voren komen als verdachten aan te merken. Belanghebbende is één van de schippers/ontdoeners waarvan het OM over onderzoeksgegevens beschikt, maar die niet als verdachte zijn aangemerkt.
2.12.
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn 52 motortankschepen naar voren gekomen. De politie heeft van alle schepen die in het dossier van het strafrechtelijk onderzoek worden genoemd, een samenvattende Excel-spreadsheet opgesteld waarin per schip de bevindingen zijn opgenomen van goederenstromen en geldstromen met betrekking tot de slops/plantaardige olie. De Excel-spreadsheet bevat onder meer gegevens van de inkoopfacturen die tijdens het strafrechtelijk onderzoek in de (digitale) administratie van [B.V. 1] zijn aangetroffen. De inkoopfacturen betreffen zowel contant- als bankfacturen. In de Excel-spreadsheet is per inkoopfactuur een overzicht gemaakt van (onder meer) de afgegeven hoeveelheid slops, de prijs per kilogram spijsolie, het door [B.V. 1] op de facturen vermelde contant dan wel per bank betaalde bedrag en het nummer van de desbetreffende begeleidingsbrief. Op basis van de in beslag genomen administratie van [B.V. 2] zijn daarbij ook het weegbonnummer, de datum van weging, het aantal kilogram spijsolie, het vocht/vuil-percentage en het FFA-gehalte, de prijs per kilogram en het door [B.V. 2] aan [B.V. 1] betaalde bedrag voor de slops in het overzicht opgenomen.
2.13.
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn tevens doorschrijfkasboeken 2011 en 2013, kladkasboeken 2011 en 2012, grootboeken 2011, 2012 en 2013, twee weekkalenders 2013 en een maandkalender 2011 in beslag genomen. Op voornoemde kasboeken, grootboeken, weekkalenders en het notitieblok zijn op verschillende data bedragen (inclusief namen van schepen of bedrijven) genoteerd. Deze bedragen corresponderen met de bedragen die volgens inkoopfacturen op de desbetreffende data in contanten zouden zijn betaald (de contantfacturen) aan de schippers/ontdoeners van de genoemde schepen. Ook zijn op de kalenders bedragen genoteerd die corresponderen met bedragen die volgens de kasboeken en de bankafschriften door [B.V. 1] zijn opgenomen bij de bank.
Onderzoek door de Belastingdienst
2.14.
Bij het OM rees naar aanleiding van de in de administratie van [B.V. 1] aangetroffen contantfacturen het vermoeden dat schippers van diverse motortankschepen contante betalingen hadden ontvangen van [B.V. 1] voor het leveren van slops. In dat kader heeft het OM zich tot de Belastingdienst gewend, waarna de Inspecteur een vordering op grond artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) heeft ingesteld strekkende tot het verkrijgen van toestemming van de Officier van Justitie voor inzage en het gebruik van (relevante delen van) gegevens uit het strafdossier van onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ ten behoeve van fiscale- en invorderingsdoeleinden. Op 26 mei 2016 heeft de Officier van Justitie deze toestemming verleend en de gegevens verstrekt.
2.15.
In het strafdossier van onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ bevindt zich onder meer de in 2.12 vermelde Excel-spreadsheet van de politie en de in 2.13 vermelde kasboeken, grootboeken, kalenders en het notitieblok, waaruit de veronderstelde contante betalingen die belanghebbende zou kunnen hebben ontvangen voor de afgifte van slops kunnen worden afgeleid.
2.16.1.
De Belastingdienst heeft na ontvangst van de gegevens uit het strafdossier op 30 november 2017 een onderzoek bij [B.V. 1] ingesteld. Een verslag van een op 30 november 2017 bij [B.V. 1] gehouden bespreking vermeldt onder meer het volgende:
“6. Opeenvolgende factuurnummer op dezelfde datum bij zelfde aanbieder
Als voorbeeld zijn de leveringen door (…) genomen. Er is vastgesteld dat een aantal inkopen op dezelfde datum met een opvolgend factuurnummer voorkomen. De contant-factuur vermeld een afgerond bedrag, de per bank betaalde factuur vermeld een niet-afgerond bedrag.
Door [ [B.V. 1] , Hof] is hierover het volgende verklaard:
Op verzoek van de schipper werd er een factuur gemaakt bijvoorbeeld voor € 5.000,= Dit geld werd daarvoor bij de bank opgenomen en bij de inname werd dit bedrag betaald aan de schipper. Deze was dus de opdrachtgever, ingeval van een vof, was dat meestal een van de firmanten. De factuur werd samen met de geleidebon bij de eerstvolgende inname aan de schipper overhandigd. Er werd hiervan geen afzonderlijke kwitantie gemaakt.
Voorbeeld facturen 2259 en 2260 van (…)
Ingeval facturen 2260 en 2259 van (…) is ingenomen: 20.303 (2259) plus 5.603 (2260) kilo, totaal derhalve 25.906 kilo.
Op factuur 2259 staat vloeibare olie 35.980. Het verschil tussen de 25.906 en de 35.980 is dus 10.074 vuil water.
Deze hoeveelheden sluiten aan bij de geleide bonnen. Er zijn twee geleid bonnen, een voor de vrachtwagen en een voor de aanhangwagen. Op de geleide bon staat tevens een vocht/vuil percentage van 28%. (geleidebonnen zijn bijgevoegd) 28% van 35.980 = 10.074. Dit sluit dus aan bij de genoemde kilo's op de facturen.
Deze werkwijze was bij alle schepen het zelfde.”
2.16.2.
Op 13 maart 2018 heeft een bespreking bij [B.V. 1] plaatsgevonden. Het gespreksverslag van die bespreking vermeldt, voor zover in hoger beroep van belang, onder meer het volgende:
“Waarom is er de ene keer per bank en de andere keer contant betaald? Wie bepaalt dat?
De schipper bepaalt of per bank of contant betaald wordt. Hij geeft aan wat hij wil en hoeveel geld hij contant wil hebben. [B.V. 1] ging dan naar [naam 1] , die het geld bij de bank ophaalde en aan hem meegaf. Het komt voor dat de rest wel per bank wordt voldaan. Dan zijn er 2 facturen van 1 levering. Er zien dan 2 betalingen op 1 afgifte van slops.
Waarom staat er geen btw op de contant betaalde facturen en wel op de facturen die per bank worden betaald? [B.V. 1] kan dan toch geen voorbelasting verrekenen?
Geen duidelijk antwoord. Dit zou afgesproken zijn met de Belastingdienst. Schoonzus [naam 1] heeft dit geprobeerd uit te leggen aan [naam 2] , maar hij geeft aan dit vergeten te zijn. De getoonde brief (bijlage 3) ging echter over de opname van veel contanten bij de bank. Niet om het achterwege laten van btw op de contante facturen. De reactie van de Belastingdienst hierop kon [B.V. 1] echter niet tonen. Sinds 1 april 2017 wordt de btw verlegd.”
2.16.3.
Bijlage 3 bij het in 2.16.2 genoemde gespreksverslag betreft een brief namens [B.V. 1] aan de Belastingdienst uit juni 2006, waarin, voor zover van belang, het volgende staat vermeld:
“Cliënte heeft sinds kort de mogelijkheid gekregen restantpartijen vet, aanwezig in binnenvaartschepen, te kopen en deze vervolgens te transporteren naar en te verkopen aan industriële eindverwerkers (fabrieken).
Gezien het feit dat deze binnenvaartschepen slechts korte tijd aan wal liggen, en snel moeten worden gelost, dienen de ladingen contant te worden voldaan.
Van de lading wordt een geleidebrief opgesteld, waarop de geladen kilo’s -na weging- worden vermeld.
Dit nummer, alsmede de leverancier van de lading, worden op de factuurbon vermeld, waarna de lading wordt getransporteerd naar een industriële verwerker.
Deze betaalt de lading vervolgens per bank.
Betaling van de inkopen vindt uitsluitend plaats middels pin-opnamen van de rekening, waarop de verkopen binnenkomen.
Administratief bestaat evenwicht tussen het gewicht van de ingekochte en verkochte ladingen.
Aangezien het belang van cliënte uitsluitend bestaat uit het realiseren van de marge tussen inkoop en verkoop van de lading, wenst zij gevolgde procedure met de Belastingdienst afstemmen, teneinde in de toekomst eventuele discussies inzake de contante inkoop te voorkomen.”
2.16.4.
Belastingambtenaar [naam 3] van de Belastingdienst/Zuidwest/kantoor […] heeft bij brief van 27 juli 2006 bericht dat hij akkoord kan gaan met de voorgestelde werkwijze van [B.V. 1] .
2.17.
De Belastingdienst heeft onder meer het volgende aangetroffen in de administratie van [B.V. 1] : (i) begeleidingsbrieven (met name C1/A2, maar ook wel A1 en B1); (ii) genummerde inkoopfacturen op naam van de eenmanszaak ter zake van ingekochte slops, waaruit volgt dat de betaling per bank aan belanghebbende zou plaatsvinden; (iii) genummerde inkoopfacturen op naam van de eenmanszaak ter zake van ingekochte slops, waaruit de Belastingdienst opmaakt dat de betaling contant aan belanghebbende zou plaatsvinden.
2.18.
Verder is vastgesteld dat de administratie van [B.V. 1] verkoopfacturen bevatte ter zake van de aflevering van ladingen uit de tankwagens van [B.V. 1] aan [B.V. 2] . Op de verkoopfacturen staan weegbonnummers vermeld die kunnen worden herleid naar de in de administratie van [B.V. 1] aanwezige begeleidingsbrieven met weegbrugstempel. De verkoopfacturen vermelden tevens per weegbonnummer het aantal afgegeven kilogram spijsolie, het vocht/vuil-percentage en het FFA-gehalte, welke gegevens overeenkomen met de gegevens van het weegbrugstempel op de bijbehorende begeleidingsformulieren.
De navorderingsaanslagen
2.19.
Bij brief van 14 september 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat en op welke wijze hij de veronderstelde contante betalingen van [B.V. 1] voor de afgifte van slops heeft verantwoord in de administratie van de eenmanszaak en in de aangiften IB/PVV over de jaren 2011 tot en met 2013. Bij deze brief is een overzicht verstrekt van de gestelde contante betalingen, de afgegeven slops (aantal kilogram) en de desbetreffende factuurnummers op de inkoopfacturen van [B.V. 1] . Het gaat daarbij om 13 gestelde contante betalingen in 2011, 19 gestelde contante betalingen in 2012 en acht gestelde contante betalingen in 2013. De Inspecteur heeft in deze brief aangekondigd dat hij navorderingsaanslagen met bestuurlijke boetes zal opleggen als blijkt dat belanghebbende de gestelde contante betalingen niet heeft verantwoord.
2.20.
Belanghebbende heeft via zijn advocaat bij brief van 12 oktober 2017 op de brief van 14 september 2017 gereageerd en verklaard geen contante betalingen te hebben ontvangen van [B.V. 1] ter zake van de afgifte van slops uit het schip. Bij brief van 3 november 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is navorderingsaanslagen en vergrijpboetes op te leggen. Bij deze brief heeft de Inspecteur het in 2.19 genoemde overzicht van de gestelde contante betalingen (nogmaals) verstrekt, inclusief digitale afschriften van de in het overzicht opgenomen contantfacturen, welke digitale afschriften tijdens het strafrechtelijk onderzoek in de administratie van [B.V. 1] zijn aangetroffen.
2.21.
De daaropvolgende nadere correspondentie en het e-mailverkeer tussen de advocaat van belanghebbende en de Inspecteur heeft niet geleid tot herziening van het voornemen van de Inspecteur tot het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen en vergrijpboetes, welke overeenkomstig de aankondiging zijn opgelegd. De Inspecteur heeft het nader vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt berekend:
2011
2012
2013
Eerder vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning
€ - 30.109
€ - 9.784
€ 29.448
Bij: contante betalingen
€ 64.900
€ 53.362
€ 24.380
Af: lagere zelfstandigenaftrek
€ - 9.427
Af/bij: meer/minder zelfstandigenaftrek voorgaande jaren
€ - 9.427
€ 17.084
€ 1.827
Af: hogere meewerkaftrek
€ - 1.067
Af: hogere mkb-winstvrijstelling
€ - 5.785
€ - 8.326
€ - 3.669
Nader vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 12.313
€ 51.269
€ 51.986
2.22.
Tijdens de bezwaarfase heeft de advocaat van belanghebbende, op verzoek van de Inspecteur, bij brief van 23 april 2018 stukken uit de administratie van belanghebbende overgelegd. Dit betreft:
6 bankfacturen uit 2011 van [B.V. 1] aan belanghebbende met betrekking tot de afgifte van slops van het schip;
19 bankfacturen uit 2012 van [B.V. 1] aan belanghebbende met betrekking tot de afgifte van slops van het schip;
12 bankfacturen uit 2013 van [B.V. 1] aan belanghebbende met betrekking tot de afgifte van slops van het schip;
Begeleidingsbrieven B1 die betrekking hebben op de door belanghebbende afgegeven slops in de periode maart 2012 tot en met december 2013;
2 begeleidingsbrieven B2 met datum weegbrugstempel 29/06/2012 en 12/11/2012;
Bankafschriften op naam van de eenmanszaak waaruit de ontvangst van de bankbetalingen blijkt van de door belanghebbende verstrekte bankfacturen; en
Grootboekmutatiekaart 2013 van de eenmanszaak.
2.23.
Bij brief van 30 mei 2018 heeft de advocaat van belanghebbende aanvullend stukken uit de administratie van belanghebbende verstrekt, waaronder begeleidingsbrieven B2 uit 2011, 2012 en 2013 met betrekking tot de afgifte van slops van het schip en een olieafgifteboekje.
2.24.
Belanghebbende heeft op 25 juni 2018 globaal inzage gekregen in het digitale en fysieke dossier van de Inspecteur met betrekking tot het schip. De Inspecteur heeft ook bij brief van 4 september 2018 inzage verstrekt in onder meer de (in 2.13 vermelde) doorschrijfkasboeken 2011 en 2013, de kladkasboeken 2011 en 2012, de weekkalenders 2013 en de maandkalender 2011. Tevens is inzage verleend in de in de administratie van [B.V. 1] aangetroffen verkoopfacturen aan [B.V. 2] (zie 2.18). Het betreft verkoopfacturen die zijn te herleiden naar vijf inkoopfacturen uit 2012 en naar acht inkoopfacturen uit 2013. Van de door de Inspecteur gestelde contante betalingen in 2011 en de overige 14 gestelde contante betalingen in 2012 behoren geen corresponderende verkoopfacturen aan [B.V. 2] tot de gedingstukken.
2.25.
Op 6 september 2018 heeft de Inspecteur met behulp van Belastingdienst Filetransfer inzage verleend in stukken afkomstig uit de administratie van [B.V. 1] uit 2011, 2012 en 2013, waaronder de Begeleidingsbrieven (met name C1/A2, maar ook wel A1 en B1) die betrekking hebben op de inkoopfacturen zoals opgenomen in het in 2.19 genoemde overzicht, alsmede diverse bijbehorende contantfacturen (afgedrukt op papier met het logo en gegevens van [B.V. 1] ).
2.26.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de onderhavige navorderingsaanslagen en vergrijpboetes gehandhaafd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft overwogen, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Rechtmatigheid informatie-uitwisseling
30. In zijn arrest van 21 december 2018[1] overwoog de Hoge Raad:
“(…) Voor zover gegevens die zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek voor de belastingheffing van belang kunnen zijn, is in een wettelijke grondslag voor bekendmaking ervan aan de inspecteur voorzien door onder meer de artikelen 55 en 80 AWR, artikelen 6 en 46 van de Wet Politiegegevens in samenhang met artikel 6 van het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten, en artikel 39f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Geen van deze bepalingen biedt een aanknopingspunt om aan de beslissing tot verstrekking van de desbetreffende gegevens aan de inspecteur de eis te stellen dat die beslissing uit een geschrift moet blijken.
Geen rechtsregel brengt voorts mee dat het gebruik van de aldus verkregen strafvorderlijke gegevens voor de belastingheffing onderworpen is aan een afzonderlijke instemming van degene die de gegevens heeft verstrekt. Deze gegevens worden immers aan de inspecteur verstrekt omdat zij voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Het vorenstaande laat onverlet dat de inspecteur overleg kan voeren met de officier van justitie over het gebruik van strafvorderlijke gegevens, bijvoorbeeld met het oog op de toepassing van artikel 5:44 Awb. Of zulk overleg heeft plaatsgevonden is niet van belang voor het antwoord op de vraag of het gebruik van die strafvorderlijke gegevens voor heffingsdoeleinden toelaatbaar is.”
31. Gelet op het voorgaande was het door de politie delen van informatie voor heffingsdoeleinden met verweerder, voorafgaand aan het verzoek van verweerder ingevolge artikel 55 van de Awr, niet onrechtmatig. Het hiervoor in het arrest geschetste wettelijke kader biedt daarvoor de mogelijkheid.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
32. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Dat zijn alle stukken die verweerder ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.[2]
33. Eiser stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte niet de mailwisselingen en vastleggingen van contactmomenten tussen de verweerder, de politie en OM overgelegd. Eiser voert verder aan dat verweerder de onder 9 genoemde ambtsedige verklaring te laat heeft overgelegd. Volgens eiser had verweerder de verklaring meteen na het opmaken ervan moeten overleggen.
34. De rechtbank is van oordeel dat van een schending van artikel 8:42 Awb geen sprake is. Verweerder heeft verklaard hij alle stukken die aan hem ter beschikking hebben gestaan, heeft overgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Het dossier bevat verder ook geen aanknopingspunten waaruit volgt dat verweerder over meer stukken de beschikking had dan de stukken die hij reeds heeft overgelegd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de mailwisselingen en eventuele vastleggingen van contactmomenten tussen verweerder, politie en OM geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De onder 9 genoemde ambtsedige verklaring werd pas van belang nadat eiser de gang van zaken voorafgaand aan het artikel 55 Awr verzoek voor het eerst opbracht in zijn pleitnota gedurende de eerste behandeling ter zitting. Daarvoor was de ambtsedige verklaring naar het oordeel van de rechtbank nog geen op de zaak betrekking hebbend stuk omdat het niet van belang was voor de beslechting van de op dat moment bestaande geschilpunten.
(…)
Nieuw feit
37. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Awr kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, verweerder de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat verweerder bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Verweerder moet dus beschikken over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De bewijslast daarvoor rust op verweerder.
38. Eiser stelt zich op het standpunt dat aan de navorderingsaanslagen geen nieuw feit ten grondslag ligt omdat volgens hem uit de ambtsedige verklaring volgt dat verweerder reeds in 2013 bekend was met de verdenking van contante geldstromen naar schepen. Volgens eiser had verweerder naar aanleiding van de in 2013 verkregen informatie zelf onderzoek moeten doen en vragen moeten stellen. De rechtbank volgt hem hierin niet. Verweerder mocht het verloop van het strafrechtelijk onderzoek afwachten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [getuige [naam 4] ] heeft verklaard dat verweerder op dat moment ook niet wist om welke schippers het zou gaan en dat er toen nog geen concrete informatie over contanten met betrekking tot het schip van eiser bekend was. Gelet op het onder 3 en 10 beschreven verloop werd verweerder pas bekend met de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek ten aanzien van het schip en eiser nadat de definitieve aanslagen waren opgelegd. Daarmee is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De vraag of sprake is van kwade trouw behoeft geen beantwoording meer.
Vereiste aangiften
39. Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr wordt een beroep ongegrond verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken.[3]
40. Verweerder wijst hiertoe op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek (met name de daar beschreven modus operandi), de bevindingen uit het door verweerder ingestelde onderzoek bij [B.V. 1] en op de bevindingen uit het onderzoek naar de administratie van eiser en de door [B.V. 1] beschreven werkwijze (zie r.o. 12). Volgens de spreadsheet bevatten de vanaf het schip geleverde slops zeer lage percentages vocht/vuil; meerdere slops bestonden volgens de op de spreadsheet vermelde meetgegevens van [B.V. 2] uit 2% of 3% vocht/vuil en ook 0% vocht/vuil kwam voor. Verweerder heeft aangevoerd dat de beschreven werkwijze ook volgt uit de administratie van [B.V. 1] . Hij wijst op inkoopfacturen […] en […] en begeleidingsbrief met nummer […] (r.o. 13 tot en met 15). Inkoopfactuur […] en het bijbehorende bedrag komt voor op de door eiser verstrekte bankafschriften. Inkoopfactuur […] en het bijhorende bedrag komt niet voor in eisers administratie. Volgens inkoopfactuur […] heeft [B.V. 1] voor 11.421 kilogram een bedrag van € 7.195,23 betaald. Volgens de begeleidingsbrief bedroeg de geschatte afgegeven hoeveelheid 19.000 kilogram. Uit de weegbrugstempel op de begeleidingsbrief leidt verweerder af dat de door het schip daadwerkelijk afgegeven slop 17.220 kilogram bedraagt. Op inkoopfactuur […] staat dat [B.V. 1] voor 5.454 kilogram een bedrag van € 3.000 contant heeft betaald. Volgens verweerder is het onwaarschijnlijk dat eiser geen vergoeding heeft ontvangen voor de 5.454 kilogram. Uit de weegbonstempel op de begeleidingsbrief staat dat weegbonnummer […] bij deze levering hoort. Op 28 februari 2013 heeft [B.V. 1] voor deze lading een bedrag van € 11.981,68 ontvangen van [B.V. 2] . Het is volgens verweerder zeer onwaarschijnlijk dat [B.V. 1] slechts voor 11.421 kg van de ingenomen 17.220 kg olie zou hebben betaald. Verweerder heeft verder aangevoerd dat het vocht/vuil percentage en de zuurgraad van de slops die zijn afgegeven na de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek in die mate is gewijzigd, dat de slops een beperkte of geen positieve waarde meer vertegenwoordigen.
41. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat hij heeft aangevoerd het bewijsvermoeden geleverd dat eiser contante betalingen heeft ontvangen die niet in zijn aangiften zijn opgenomen. Met name redengevend daarvoor acht de rechtbank de gedetailleerde (bank- en) contant facturen op naam van het schip en de informatie op de spreadsheets, waaruit de door eiser geleverde slops door middel van het nummer op de begeleidingsbrief te volgen zijn naar [B.V. 2] en uit de meetgegevens van [B.V. 2] volgt dat de samenstelling van de slops bestaat uit een (zeer) laag vocht/vuilgehalte. Uit dit laatste, in samenhang bezien met de afrekening tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] , volgt dat de door eiser geleverde slops een aanzienlijke positieve waarde hadden. Ook zijn contant facturen op naam van het schip te herleiden naar de vermeldingen van contante bedragen op de weekkalender. Dit alles in samenhang bezien acht de rechtbank voldoende voor het aannemen van het hiervoor genoemde bewijsvermoeden.
42. Een belastingplichtige die aan het effectief worden van een bewijsvermoeden wil ontkomen, kan zich verweren a) door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag worden gelegd en/of b) door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt ten aanzien van de redengevende kracht van het bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd.
43. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aangevoerd om het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Eiser heeft in beroep naast formele gronden ontkend contante bedragen te hebben ontvangen. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat eiser niet op de hoogte was (en wilde zijn) van de samenstelling en daarmee de waarde van de slops en hij simpelweg genoegen nam met wat [B.V. 1] per bank betaalde. Zijn weerspreking van de lage vocht/vuilpercentages vermeld op de spreadsheet staat bovendien haaks op zijn verklaring ter zitting dat het goed mogelijk is dat een slop zeer weinig vocht/vuil bevat als de bovenste laag olie uit de sloptank apart van het waswater wordt opgehaald. Ook kan de rechtbank de verklaring van eiser ter zitting dat hij weinig aandacht schonk aan de afhandeling bij de slops omdat hij bezig was met het vervoeren van olie, moeilijk rijmen met het feit dat de (periodieke) afgifte van slops noodzakelijk is voor het kunnen uitoefenen van de onderneming. Eiser heeft niet weersproken dat slops met zeer lage percentages vocht/vuil een aanzienlijke waarde hebben. Daarmee valt moeilijk te rijmen dat hij voor aflevering daarvan niet naar waarde betaald zou zijn. Eiser heeft betoogd dat hij ook na 2013 evenveel bleef ontvangen voor slops. Ter onderbouwing heeft hij drie facturen overgelegd van afgifte van slops in 2023. Deze drie facturen zijn niet genoeg om inzicht te geven in de slops die eiser na 2013 aflevert. Eiser had daarvoor een breder beeld moeten schetsen met meer voorbeelden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat één van de drie leveringen niet representatief is omdat volgens eiser op dat moment de hele tank leeg moest vanwege reparaties aan het schip. Verder heeft eiser betoogd dat de hoeveelheid afgegeven olie altijd werd gecontroleerd door onafhankelijke controleurs op het moment van afgifte bij de klant. Eiser heeft deze stelling niet nader onderbouwd met stukken. Deze stelling van eiser is niet in lijn met de verklaringen die deel uit maken van het strafrechtelijk onderzoek. Zo heeft [B.V. 3] verklaard na 2013 veel meer te hebben ingezet op controles omdat die daarvoor niet afdoende waren. Het is voorts naar het oordeel van de rechtbank moeilijk voorstelbaar dat [B.V. 1] de door hem gevoerde sluitende en zeer gedetailleerde kasadministratie zou hebben opgesteld enkel voor eigen gewin. Daarbij wekt het verbazing dat eiser nog steeds zaken doet met [B.V. 1] , als [B.V. 1] zoals eiser stelt een valse boekhouding heeft gevoerd waarvan eiser de dupe is. De stelling dat [B.V. 1] de enige is waar eiser de slops aan kwijt kan, is niet onderbouwd.
44. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Het bedrag van de belasting dat als gevolg van het niet aangeven van de contante betalingen niet zou worden geheven is voor alle jaren zowel in relatieve als in absolute zin aanzienlijk. Eiser moet zich hier bewust van zijn geweest.
Redelijke schatting
45. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting. De rechtbank acht de schatting van verweerder redelijk. Verweerder is namelijk uitgegaan van de in de administratie van [B.V. 1] aangetroffen facturen en de uit de stukken op te maken geldstromen.
46. Met wat eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet overtuigend aangetoond dat verweerder de winst uit onderneming te hoog heeft vastgesteld. De enkele ontkenning van de ontvangst van de betalingen is daartoe onvoldoende.
Boetebeschikkingen
47. Verweerder heeft gelijktijdig met de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011, 2012 en 2013, vergrijpboetes van 50% van de nagevorderde belasting opgelegd aan eiser. Het betreft vergrijpboetes op grond van artikel 67e van de Awr in verband met (voorwaardelijke) opzet. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het beboetbare feit zich zal voordoen. De bewijslast voor een boete rust op verweerder. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Verweerder moet de voor de boete vereiste feiten en omstandigheden dan ook doen blijken, wat inhoudt overtuigend aantonen[4].
48. Verweerder stelt dat eiser met zijn handelwijze willens en wetens ervoor heeft gezorgd dat de contante ontvangsten onbelast zijn gebleven. Verweerder voert aan dat gelet op de substantiële omvang van de contante betalingen deze niet aan de aandacht van eiser kunnen zijn ontsnapt. Door de contante betalingen zijn de betreffende leveringen aan het zicht onttrokken. Door het structureel niet opnemen van de contante ontvangsten in de administratie heeft eiser volgens verweerder willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de omzet tegen een te laag bedrag in de aangiften is verantwoord als gevolg waarvan te weinig belasting is geheven. Derhalve zijn volgens verweerder boetes van 50% wegens (voorwaardelijke) opzet passend en geboden.
49. Eiser stelt dat de vergrijpboetes ten onrechte zijn opgelegd aangezien verweerder niet heeft aangetoond dat hij de door verweerder gestelde contante bedragen heeft ontvangen van [B.V. 1] . Volgens eiser valt die conclusie ook niet te trekken uit het strafrechtelijk onderzoek en heeft verweerder de vergrijpboetes ten onrechte alleen gebaseerd op bewijsvermoedens.
50. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet in zijn bewijslast geslaagd. Voor een boete rust een zwaardere bewijslast op verweerder dan bij de aanslagoplegging (overtuigend aantonen in plaats van aannemelijk maken). Verweerder heeft niet overtuigend aangetoond dat eiser de contante
betalingen heeft ontvangen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder niet heeft aangetoond aan wie de contante betalingen, waarvan de facturen op naam staan van het schip, zijn gedaan. Dat het aannemelijk is dat eiser de contanten heeft ontvangen, is voor een vergrijpboete niet voldoende. Het voorgaande betekent dat de boetebeschikkingen moeten worden vernietigd.
Rentebeschikkingen
51. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de rentebeschikkingen. Niet gebleken is dat de heffingsrente dan wel belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend.
52. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 50 dienen de beroepen gegrond
te worden verklaard.
(…)
[1] ECLI:NL:HR:2018:2389
[2] Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.
[3] Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.
[4] ECLI:NL:HR:2022:526.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In het door belanghebbende ingestelde hoger beroep (zaaknummers BK-24/210 tot en met BK-24/212) is in geschil of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008, 2009, 2011, 2012 en 2013, de navorderingsaanslagen Zvw 2011, 2012 en 2013 en de rentebeschikkingen IB/PVV en Zvw 2009, 2011, 2012 en 2013 terecht en, zo ja, naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek spitst het geschil in het door belanghebbende ingestelde hoger beroep zich toe op de volgende vragen:
Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb overgelegd?
Is de onderlinge gegevensuitwisseling tussen het OM, de politie en de Inspecteur rechtmatig geweest?
Is omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing wegens het niet doen van de vereiste aangifte?
Beschikt de Inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, dan wel kan de Inspecteur zich met vrucht beroepen op kwade trouw als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR?
4.2.
In het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep (zaaknummers BK-24/225 tot en met BK-24/227) is in geschil of de vergrijpboetes 2011, 2012 en 2013 terecht en zo ja, naar de juiste bedragen zijn opgelegd.
4.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de boetebeschikkingen, de proceskosten en het griffierecht. Belanghebbende concludeert voorts tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de in 4.1 genoemde navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen, tot toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep en tot vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur.
4.4.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch alleen voor zover daarin de vergrijpboetes 2011, 2012 en 2013 zijn vernietigd, en tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende.
Beoordeling van de hoger beroepen
Geschilpunt a (op de zaak betrekking hebbende stukken)
5.1.1.
Belanghebbende heeft zich met een beroep op artikel 8:42, lid 1, Awb erover beklaagd dat de Inspecteur niet alle correspondentie tussen de Belastingdienst en het OM over de onderlinge verstrekking van gegevens heeft gedeeld. Ook meent hij dat hetgeen de belastingambtenaar die bij de Rechtbank als getuige is gehoord, [naam 4] ( [naam 4] ), heeft vastgelegd, zoals zijn agenda, dient te worden overgelegd.
5.1.2.
De Inspecteur bestrijdt dit betoog. Hij merkt op dat hij niet beschikt over de correspondentie die is gewisseld met de politie en het OM, noch over de agenda van getuige [naam 4] . Voorts is volgens de Inspecteur onduidelijk voor welk geschilpunt deze stukken van belang zouden kunnen zijn.
5.1.3.
Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn betoog. Belanghebbende heeft in concreto gewezen op de agenda die wordt vermeld in de ambtsedige verklaring van belastingambtenaar [naam 4] . Deze heeft echter ter zitting van de Rechtbank verklaard dat dit stuk hem niet meer ter beschikking staat. De Inspecteur heeft laten weten dat hij alle stukken, die hem ter beschikking hebben gestaan, heeft ingebracht en dat hij niet beschikt over de agenda van [naam 4] . Dat de agenda de Inspecteur wel ter beschikking staat, is daarom niet aannemelijk. Voor het overige heeft belanghebbende onvoldoende gespecificeerd welke nog niet overgelegde correspondentie er verder nog zou bestaan over de onderlinge gegevensverstrekking en waarom die van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. Het Hof verwijst wat betreft dat laatste ook naar hetgeen hierna in 5.3.2 wordt overwogen over het contact tussen de Inspecteur en het OM. Onder die omstandigheden behoeft niet te worden tegemoetgekomen aan het verzoek tot overlegging van de agenda van [naam 4] (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2; HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129, r.o. 3.2.2; HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, r.o. 2.3.2).
5.2.1.
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat delen (bijlagen) van het Basis proces-verbaal uit het strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ (Basis PV) niet zijn overgelegd en verwijst daarbij naar ambtshandeling 336 en ambtshandeling 050 uit het Basis PV. Uit ambtshandeling 336 zou blijken dat [B.V. 1] niet alle begeleidingsbrieven dan wel vervalste begeleidingsbrieven verstrekte aan [B.V. 4] , één van de bevrachters waarvoor belanghebbende heeft gevaren. Ambtshandeling 050 heeft betrekking op de afgifte van slops vanaf het schip in 2011. Voornoemde ambtshandelingen betreffen op de zaak betrekking hebbende stukken, aldus belanghebbende.
5.2.2.
De Inspecteur stelt dat ambtshandeling 336 geen op de zaak betrekking hebbend stuk is in de zin van artikel 8:42, lid 1, Awb, omdat ambtshandeling 336 betrekking heeft op de afgifte van slops in de maanden januari en februari 2012. In die periode voer belanghebbende echter niet voor [B.V. 4] , maar voor bevrachter [B.V. 5] , zodat ambtshandeling 336 geen informatie bevat die op de zaak betrekking heeft, aldus de Inspecteur. Ten aanzien van ambtshandeling 050 heeft de Inspecteur ter zitting gesteld dat hij daarover niet beschikt en dat hij dit stuk niet heeft gebruikt voor het opleggen van de navorderingsaanslagen en bijbehorende beschikkingen, zodat ook dit stuk geen op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42, lid 1, Awb betreft.
5.2.3.
Belanghebbende heeft in zijn (voor de zitting ingediende) pleitnota toegelicht dat hij reeds in 2011 niet meer voor [B.V. 4] voer en dat hij in 2012 (onder meer) voor [B.V. 5] is gaan varen, hetgeen belanghebbende ter zitting heeft bevestigd. Gelet hierop en op de omstandigheid dat ambtshandeling 336 betrekking heeft op de maanden januari en februari 2012, bestaat voor de Inspecteur geen aanleiding om deze ambtshandeling als een op de zaak betrekking hebbend stuk te overleggen. Wat betreft ambtshandeling 050 is geen reden om aan de verklaring van de Inspecteur, dat deze ambtshandeling hem niet ter beschikking heeft gestaan, te twijfelen, gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur zich bij het opleggen van de navorderingsaanslagen en bijbehorende beschikkingen heeft gebaseerd op de in 2.12 vermelde Excel-spreadsheet van de politie. De Inspecteur is evenmin gehouden tot het opvragen van stukken die zich onder het OM bevinden (zoals ambtshandeling 050), ook al is hij bekend met het bestaan daarvan (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2, en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:29, r.o. 3.3.1.3).
Geschilpunt b (onderlinge gegevensuitwisseling)
5.3.1.
Belanghebbende heeft erop gewezen dat onduidelijk is op welke wettelijke grondslag informatie is gedeeld tussen de Inspecteur en de relevante opsporingsautoriteiten (het OM en de politie) in de periode voordat de vordering als bedoeld in artikel 55 AWR is ingesteld (zie 2.14). Hij betwist derhalve de rechtmatigheid van die gegevensuitwisseling.
5.3.2.
Uit de ambtsedige verklaring van belastingambtenaar [naam 4] blijkt dat de vordering op grond van artikel 55 AWR het vervolg vormde op een briefingbijeenkomst over het strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ op 5 augustus 2013, gehouden bij de dienst Regionale Recherche te […] , waarbij ambtenaren van het OM, de politie en de Belastingdienst aanwezig waren. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2389, r.o. 2.4, moet worden afgeleid dat een zodanig overleg ook zonder bijzondere wettelijke grondslag is toegestaan en dat het plaatsgrijpen daarvan niet van belang is voor het antwoord op de vraag of het gebruik van strafvorderlijke gegevens waarop het overleg betrekking had voor heffingsdoeleinden toelaatbaar is. Daar komt bij dat nergens uit blijkt dat tijdens dit overleg strafvorderlijke gegevens over belanghebbende zijn gedeeld. Het voorgaande ligt anders voor de overdracht van de strafvorderlijke gegevens op 26 mei 2016, maar daarvoor bestond een wettelijke grondslag in artikel 55 AWR. Van andere relevante gegevensoverdrachten door de Officier van Justitie aan de Inspecteur in de periode voordat de vordering als bedoeld in artikel 55 AWR is ingesteld, is het Hof niet gebleken. Ook tijdens het verhoor van [naam 4] als getuige door de Rechtbank is daarover niets gezegd. De klacht van belanghebbende faalt.
Geschilpunt c (vereiste aangifte: omkering en verzwaring van de bewijslast)
Niet aangegeven contante betalingen?
5.4.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor een deel van zijn slops contante betalingen heeft ontvangen van [B.V. 1] die hij niet heeft verantwoord in zijn bedrijfsresultaat en niet heeft opgenomen in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2011 tot en met 2013. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende hiermee niet de vereiste aangiften gedaan.
5.5.
Voor omkering van de bewijslast op grond van het niet doen van de vereiste aangifte dient de Inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken dat de door belanghebbende ingediende aangiften zowel absoluut als relatief gezien, in aanzienlijke mate bewust te laag zijn gedaan (vgl. HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Belanghebbende stelt dat hij de door de Inspecteur gestelde contante betalingen nooit heeft ontvangen. Volgens belanghebbende heeft [B.V. 1] in zijn administratie valse contantfacturen opgemaakt die nooit aan hem zijn verzonden of gegeven. Gelet op het voorgaande rust op de Inspecteur de bewijslast om – in de eerste plaats – aannemelijk te maken dat belanghebbende in de onderhavige jaren méér inkomsten heeft genoten (in de vorm van contante betalingen) dan hij in zijn aangiften IB/PVV voor deze jaren heeft aangegeven.
5.6.1.
De Inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt samengevat weergegeven het volgende aangevoerd over de werkwijze (modus operandi) van belanghebbende en [B.V. 1] .
5.6.2.
Op het afgesproken tijdstip haalde [B.V. 1] de af te geven slops op bij het schip. Na het lossen werd op de begeleidingsformulieren, in het bijzijn van belanghebbende, de geschatte hoeveel product, een onjuist (hoog) percentage vocht/vuil en een onjuist (hoog) FFA-gehalte vermeld. Belanghebbende tekende in de onderhavige jaren de begeleidingsbrieven voor akkoord en kreeg hiervoor een exemplaar voor zijn eigen administratie (Begeleidingsbrief B2). Vervolgens betaalde [B.V. 1] het door belanghebbende gewenste contante bedrag. Dat belanghebbende voor de desbetreffende levering een bedrag in contanten kreeg betaald, kan volgens de Inspecteur ook worden afgeleid uit de (klad)kasboeken.
5.6.3.
Na de afgifte vervoerde [B.V. 1] de partij naar [B.V. 2] . [B.V. 2] woog de partij, scheidde het vocht/vuil van de olie en bepaalde het exacte percentage vocht/vuil en het FFA-gehalte. Op basis van deze gegevens werd de prijs van de partij bepaald. [B.V. 2] plaatste vervolgens een weegbrugstempel op de begeleidingsbrief. De weegbrugstempel vermeldde onder meer het exacte gewicht van de partij. [B.V. 2] hield één exemplaar zelf (Begeleidingsbrief A1) en gaf twee exemplaren aan [B.V. 1] , één voor de administratie van [B.V. 1] (Begeleidingsbrief C1/A2) en één voor de administratie van belanghebbende (Begeleidingsbrief B1). [B.V. 1] voegde in de meeste gevallen aan de begeleidingsbrief met weegbrugstempel nog het exacte (veel lagere) percentage vocht/vuil en het exacte (veel lagere) FFA-gehalte toe.
5.6.4.
Vervolgens maakte [B.V. 1] op naam van het desbetreffende schip en op het adres van de eenmanszaak, een contantfactuur exclusief omzetbelasting op met de datum van de afgifte. Daarop vermeldde [B.V. 1] het nettogewicht van de afgegeven partij, het (meestal) lagere gewicht waarvoor contant was betaald en de prijs per kilogram. [B.V. 1] maakte ook een bankfactuur op inclusief omzetbelasting, eveneens met de datum van de afgifte. In de meeste gevallen had deze factuur een nummer volgend op het nummer van de bijbehorende contantfactuur. Ook op de bankfactuur vermeldde [B.V. 1] het nettogewicht van de afgegeven partij.
5.6.5.
Het per bank over te maken bedrag berekende [B.V. 1] door het deel van de afgegeven partij waarvoor nog niet contant was betaald te vermenigvuldigen met de prijs per kilogram. De som van het gewicht waarvoor volgens de bank- en contantfacturen wordt betaald, is lager dan het op deze facturen vermelde nettogewicht, wat overeenkomt met het netto afgegeven aantal kilogram volgens de weegbrugstempel van [B.V. 2] op de desbetreffende begeleidingsbrief. Het verschil betreft het vocht/vuil. Deze hoeveelheid komt overeen met het absolute equivalent van het percentage vocht/vuil dat [B.V. 1] bijschreef op de begeleidingsbrief met weegbrugstempel (Begeleidingsbrief B1), welke door [B.V. 1] ofwel tezamen met de bankfactuur aan belanghebbende werd gezonden, ofwel bij de volgende levering aan belanghebbende werd overhandigd. Door deze werkwijze werd belanghebbende, aldus de Inspecteur, door [B.V. 1] op de hoogte gesteld van de door [B.V. 2] gemeten hoeveelheid zuivere plantaardige olie in kilogram en het vastgestelde vocht/vuilpercentage.
5.6.6.
Ter illustratie van de geld- en goederenstromen heeft de Inspecteur een tweetal voorbeelden nader uitgewerkt.
5.7.
Volgens de Inspecteur leveren de gegevens uit de administratie van [B.V. 1] , de gegevens verkregen bij het fiscale onderzoek (waaronder het gespreksverslag van 13 maart 2018) en de stukken uit en getuigenverklaringen die zijn afgelegd in het kader van het strafrechtelijke onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ het bewijsvermoeden op dat belanghebbende de op de contantfacturen vermelde bedragen contant heeft ontvangen van [B.V. 1] .
5.8.1.
Belanghebbende heeft de juistheid van de door de Inspecteur geschetste toedracht gemotiveerd weersproken en heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de persoon van de afnemer ( [B.V. 1] ) en de redenen die [B.V. 1] zou kunnen hebben gehad om (valse) contantfacturen op te nemen in zijn administratie.
5.8.2.
Over de gang van zaken bij de afgifte van slops aan [B.V. 1] heeft belanghebbende onder meer ter zitting van het Hof het volgende verklaard. Op het moment van ontdoening was belanghebbende niet op de hoogte van de (daadwerkelijke) verhouding tussen de olie en het vocht/vuil en het FFA-gehalte. Het vocht/vuilgehalte en het FFA-gehalte werden veelal niet op de Begeleidingsbrieven B2 vermeld door [B.V. 1] . Hoewel [B.V. 1] beschikte over een centrifuge in zijn vrachtwagen waarmee het vocht/vuilpercentage en het FFA-gehalte kon worden gemeten, maakte [B.V. 1] daar niet altijd gebruik van, aldus belanghebbende. Indien het vocht/vuilgehalte en het FFA-gehalte wel werden gemeten, werd de meting met behulp van de centrifuge niet aan belanghebbende getoond. In die gevallen werd het door [B.V. 1] op de Begeleidingsbrief B2 geplaatste (geschatte) vocht/vuilgehalte daarbij door belanghebbende aangenomen; hij ging af op hetgeen door [B.V. 1] daaromtrent werd gesteld. Belanghebbende had verder geen inzicht in de daadwerkelijke waarde die de slops hadden voor [B.V. 1] en [B.V. 2] . Voor hem ging het namelijk om een afvalstof waarvan hij zich moest ontdoen; het was voor hem al mooi meegenomen als hij voor zijn slops een vergoeding kreeg. Pas geruime tijd na de afgifte van de slops (een maand later) door [B.V. 1] aan [B.V. 2] ontving belanghebbende een bankfactuur van [B.V. 1] , alsmede de bijbehorende Begeleidingsbrief B1. De gegevens op de ontvangen bankfacturen hebben bij belanghebbende nooit de vraag opgeroepen of hij meer betaald had moeten krijgen dan wat hij volgens de bankfacturen betaald heeft gekregen. Hij heeft de ontvangen bankfacturen ook niet vergeleken met de bijbehorende Begeleidingsbrieven B1. Op latere vermeldingen door [B.V. 1] op begeleidingsbrieven had hij geen zicht en evenmin op het bij [B.V. 2] bepaalde gewicht van de inhoud van tankwagen, het vocht/vuilgehalte en het FFA-gehalte.
5.8.3.
Belanghebbende heeft voorts erop gewezen dat [B.V. 1] als verdachte aangemerkt is (geweest) in het strafrechtelijk onderzoek, alsmede dat hij de mogelijkheid had om de samenstelling van de slops te manipuleren tussen het moment van de afgifte van de slops aan [B.V. 1] en de aanbieding van de slops door [B.V. 1] aan [B.V. 2] , bijvoorbeeld door vocht weg te laten lopen, verschillende slops bij elkaar te pompen (vermenging) of door schone olie toe te voegen, waardoor de meetgegevens van [B.V. 2] in positieve zin zouden kunnen zijn bijgesteld. Voorts stelt belanghebbende dat [B.V. 1] de gedetailleerde en sluitende (interne) in- en verkoopadministratie heeft opgemaakt voor eigen gewin. Voor het verschil tussen hetgeen [B.V. 1] ontving van [B.V. 2] voor de afgeleverde partijen olie en de aan belanghebbende betaalde bankbedragen, heeft [B.V. 1] valse contantfacturen opgemaakt, waarmee tevens (hogere) inkoopkosten konden worden gecreëerd. Een aanwijzing daarvoor is dat de contantfacturen, in tegenstelling tot de bankfacturen, zijn opgesteld zonder omzetbelasting in rekening te brengen. Onduidelijk is of [B.V. 1] de bedragen zelf heeft gehouden, dan wel heeft gedeeld met derden. Tot slot wijst belanghebbende erop dat hij zelf in de onderhavige jaren, in tegenstelling tot de uiteindelijk belanghebbenden van [B.V. 1] , geen luxe leven heeft geleid. Belanghebbende stelt in dit verband dat (de aandeelhouders van) [B.V. 1] heeft (hebben) beschikt over een manege met paarden, vele luxe auto’s en een groot huis.
5.9.
De Inspecteur heeft dit een en ander niet, althans niet gemotiveerd weersproken. Hij wijst in het bijzonder erop dat het veelal gaat om blote stellingen van belanghebbende en dat daarmee niet het door hem verdedigde bewijsvermoeden (zie 5.7) kan worden ontzenuwd.
5.10.
Alle stukken van het (omvangrijke) procesdossier in ogenschouw nemend en mede gelet op de door belanghebbende ter zitting afgelegde, geloofwaardige verklaringen, is de door de Inspecteur gestelde toedracht, waarin belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant heeft ontvangen, niet aannemelijk geworden. Met name gelet op de rol van [B.V. 1] in het geheel is waarschijnlijker het door belanghebbende geschetste scenario waarin de uit de administratie van [B.V. 1] volgende contante opnames die de Inspecteur in verband brengt met de afgifte van slops door belanghebbende niet ten goede zijn gekomen aan belanghebbende, maar door [B.V. 1] in eigen zak zijn gestoken.
5.11.1.
Redengevend hiervoor is in de eerste plaats dat – naar tussen partijen niet in geschil is – [B.V. 1] heeft gesjoemeld met vocht/vuilpercentages en FFA-gehalten op de begeleidingsbrieven, alsmede dat hij vocht/vuilpercentages op facturen heeft bijgesteld om het een en ander kloppend te maken. Er bestaan forse verschillen tussen de inschattingen van de vocht/vuilpercentages die door [B.V. 1] zijn vermeld op de begeleidingsbrieven en de daarop gebaseerde bank inkoopfacturen enerzijds en de meetgegevens bij [B.V. 2] anderzijds. Zo zijn op Begeleidingsformulieren B1 andere vocht/vuil- en FFA-percentages bijgeschreven (in sommige gevallen zijn de oorspronkelijk vermelde percentages doorgekrast), waarbij de bijgeschreven percentages doorgaans aanzienlijk lager waren dan de oorspronkelijk vermelde percentages. De Inspecteur gaat ervan uit dat belanghebbende contant is uitbetaald voor het meerdere aan kilogram olie dat volgens de meetgegevens van [B.V. 2] in de door hem aan [B.V. 1] afgegeven slops zat. De Inspecteur heeft daarvoor evenwel geen enkel bewijs ingebracht dat niet afkomstig is van [B.V. 1] . Over de betrokkenheid van belanghebbende bij het sjoemelen met de gegevens of diens bekendheid daarmee is niets gebleken.
5.11.2.
De Inspecteur heeft erop gewezen dat de administratie van [B.V. 1] naadloos aansluit op de constateringen van het OM en de controlerend ambtenaren van de Belastingdienst. Daaruit volgt echter niet méér dan dat [B.V. 1] de registraties van zijn in- en verkoop sluitend op elkaar heeft afgestemd. Voor [B.V. 1] bestond een motief voor het opnemen van contante betalingen in zijn administratie; dat drukte immers de nettowinst, terwijl hij bovendien over die contante bedragen, waarvan waarschijnlijk is dat [B.V. 1] die in eigen zak heeft gestoken, geen belasting hoefde te betalen. Verder werden van de gestelde contante betalingen, aldus ook de Inspecteur, geen kwitanties opgemaakt en is het opmerkelijk dat de contantfacturen (zonder het bedrijfslogo van [B.V. 1] ) zijn opgemaakt exclusief omzetbelasting, terwijl de bankfacturen (mét bedrijfslogo) inclusief omzetbelasting zijn. Tevens is opvallend dat [B.V. 1] op contantfacturen veelal een andere marktprijs per kilogram slops hanteerde dan op de bankfacturen, terwijl voor deze verschillen geen bevredigende verklaring voorhanden is. Ten slotte is van belang dat geen enkele van de door [B.V. 1] opgemaakte contantfacturen is aangetroffen in de administratie van belanghebbende. Dit alles doet in sterke mate af aan de overtuigingskracht van de contantfacturen als bewijs voor de gestelde contante betalingen aan belanghebbende.
5.11.3.
Er zijn ook andere aanwijzingen dat [B.V. 1] heeft gesjoemeld met cijfers/gegevens op de inkoopfacturen dan wel begeleidingsbrieven. Op een aantal inkoopfacturen staan stortkosten vermeld, welke kosten aan een schipper in rekening worden gebracht indien de afgeleverde partij olie een hoog vocht/vuilgehalte bevat. Uit de gedingstukken blijkt evenwel dat niet bij alle contantfacturen waarop stortkosten in rekening zijn gebracht, sprake is van een hoog vocht/vuilgehalte. Ook is gebleken dat de op de contantfacturen dan wel begeleidingsformulieren vermelde vocht/vuilgehaltes niet altijd de percentages betreffen waarmee de te betalen bedragen op de inkoopfacturen zijn berekend. Verder bevatten niet alle begeleidingsbrieven een handtekening van belanghebbende, maar is de naam van de eenmanszaak of de naam van het schip (verkeerd gespeld) erbij geschreven. In het Basis-PV ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ worden ten slotte nog diverse andere gevallen beschreven die aanwijzingen opleveren dat controlerende instanties, opdrachtgevers en anderen door [B.V. 1] opzettelijk werden misleid door het opmaken van valse en vervalste documenten en het achterwege laten van documenten.
5.11.4.
Dat de naam van het schip (inclusief het bedrag van de contante betaling) voorkomt op weekkalenders dan wel dat de bedragen die in de doorschrijfkasboeken, kladkasboeken, grootboeken en het notitieblok voorkomen corresponderen met de bedragen die volgens de contantfacturen op de desbetreffende data aan belanghebbende zouden zijn betaald, doet, met inachtneming van de hiervoor vermelde omstandigheden, niet af aan de mogelijkheid dat [B.V. 1] een dergelijke administratie heeft opgezet teneinde de administratie van de in- en verkoop van de afgeleverde slops sluitend te maken. Ten slotte ontbreken aanknopingspunten die wijzen op het bezit van contanten bij belanghebbende.
5.12.
Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat de contante betalingen aan belanghebbende die de Inspecteur heeft afgeleid uit de administratie van [B.V. 1] , daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Voor zover al aanleiding zou bestaan voor het aannemen van een bewijsvermoeden dat belanghebbende contant betaald heeft gekregen voor het totale aantal kilo’s aan olie zoals die bij [B.V. 2] werden vastgesteld, geldt dat dit gelet op het voorgaande redelijkerwijs moet worden betwijfeld, zodat het vermoeden door belanghebbende is ontzenuwd en niet tot de door de Inspecteur voorgestane uitkomst kan leiden.
Slotsom
5.13.
Het voorgaande brengt mee dat de Rechtbank terecht de boetebeschikkingen heeft vernietigd en dat de onderhavige navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen eveneens moeten worden vernietigd. De in 4.1 onder d) en 4.2 genoemde geschilpunten kunnen derhalve onbesproken blijven.
5.14.
Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond en het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep.
6.2.
Het Hof stelt de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 4.203 (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het indienen van het verweerschrift in het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 1,5).
6.3.
Voorts dient de Inspecteur het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 aan belanghebbende te vergoeden.
6.4.
Nu de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend wordt vernietigd als gevolg van het hoger beroep van belanghebbende, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van
€ 559.
Beslissing
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover daarin de boetebeschikkingen 2011, 2012 en 2012 zijn vernietigd en een vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht is toegekend;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2008, 2009, 2011, 2012 en 2013, alsmede de daarbij gegeven verliesherzieningsbeschikkingen 2011 en 2012 en rentebeschikkingen 2009, 2011, 2012 en 2013;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.203;
draagt de Inspecteur op aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden; en
gelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 559.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, P.J.J. Vonk en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.
De griffier, de voorzitter,
D.W. Renes R.A. Bosman
De beslissing is op 16 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.